Het spel is onredelijk

Het kan bijna niet anders dan dat je een leeg gevoel krijgt, ergens achter je middenrif, als je jeugdfoto’s ziet van figuren als John Kennedy of Ernesto Guevara of prinses Diana, of zelfs Pim Fortuyn. De onschuld is niet om aan te zien, als je door historische kennis al weet hoe die verloren of gecorrumpeerd zal worden, in welk tranendal het allemaal zal eindigen. Het geldt ook voor vrijwel elke trouw- of babyfoto uit de jaren dertig: je ziet die mensen lachen en je neemt het ze bijna kwalijk. Hoe kun je zo onbezorgd zijn? Zie je dat gevaar dan niet? Word wakker.
In 1938, twee jaar voor de oorlog ook Nederland overrompelde, en zeven jaar voordat hij zelf in Duitse gevangenschap stierf, schreef historicus Johan Huizinga de cultuurkritiek Homo ludens: Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. Het is een boek waarvan je in eerste instantie, wetende wat er te wachten staat, je bijna niet kunt voorstellen dat iemand zo serieus kan stellen dat de cultuur die nog tot Auschwitz moest leiden gebaseerd was op spelletjes.
Homo ludens. De spelende mens. Vanuit de natuur heeft een mens niets nodig – hij slaapt, eet, plant zich voort, heeft manieren om zijn lichaam te ontspannen en af te reageren – maar toch is het niet genoeg. Hij heeft een andere wereld nodig, ‘make-believe’ noemt Huizinga het, waarin andere, onredelijke regels bestaan: de spelwerkelijkheid waar we ons in willen verliezen is essentieel. Of het nu voetbal is of kledingcodes en onuitgesproken mores op het kantoor. Ze geven greep op de werkelijkheid. ‘Ten opzichte van de regels van een spel is geen scepticisme mogelijk. (…) Zodra de regels overtreden worden, valt de spelwereld ineen.’ Dat iemand naar zijn werk een spijkerbroek draagt, betekent niet dat hij zijn werk minder goed kan uitvoeren, maar dat hij zich onttrekt aan de spelrituelen en daarmee die greep doorbreekt.
Belangrijker nog, schrijft Huizinga: spel is een manifestatie van onze geest: ‘Wij spelen, en weten, dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk.’
Maar wie tussen de regels leest, merkt dat Huizinga juist heel goed aanvoelt dat het spelelement een potentieel gevaar is. Het toont aan hoe graag mensen zich onderwerpen aan spelregels en rituelen, hoe onredelijk of arbitrair die ook zijn. ‘Men is, hetzij toovenaar of betooverde, zelf tegelijk wetende en dupe.’ Daarin zit de kern: de mens weet dat hij speelt, en toch is het pure ernst. De mens is bereid het make-believe te geloven. Dat geldt voor de rites die opgevolgd worden in godsdienstuitoefening – ‘de renbaan, het tenniscourt, de hinkelbaan, het schaakbord verschillen functioneel niet van den tempel of den toovercirkel’ – en het geldt voor politiek, waarbij Huizinga schrijft dat electioneering, dan al, in 1938, steeds meer een spel begint te worden van de ene partij tegen de andere. Het volk kent de spelregels, de rituelen, de symbolen, en hoeft niet meer naar de inhoudelijke argumenten van een politicus te luisteren om te snappen waar hij voor staat en of hij op winst staat in de politieke wedstrijd. Huizinga geeft een veelzeggend voorbeeld: de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1840. Generaal Harrison was kandidaat, zonder duidelijk programma, maar wel met een logo; een log cabin, de ruwe balkenhut van de pionier. Het symbool appelleerde zo sterk aan het politieke spel zoals de Amerikaan (met ‘een kinderlijke zucht naar uiterlijke symbolen’) dat kende, dat dat voldoende was.
Mensen die achter holle symbolen aanlopen. Dat is gevaarlijk, zeker in de jaren dertig.
De tekst is gedateerd. Elke zin wordt door vele onnodige komma’s onderbroken, de spelling is archaïsch. Toch is Homo ludens een boek dat minstens dertig jaar te vroeg is geschreven, of liever gezegd, zijn tijd dertig jaar vooruit is; na de oorlog en de wederopbouw begon het spel in de cultuur pas echt, toen de mens steeds meer geld en vrije tijd kreeg om zich te vermaken. Wat zou het opleveren als Huizinga vandaag een Homo ludens zou schrijven? De politiek is steeds meer een spel geworden; de hut van Harrison is in de laatste presidentsverkiezingen aan alle kanten gepasseerd, met kandidaten en media die meer geïnteresseerd zijn in de race dan in het politieke programma. Op televisie begint spel de realiteit te verdringen. Primaire levensbehoeften als voedsel vergaren is het spel in Expeditie Robinson; ontrouw is het spel in Temptation Island; totdat uiteindelijk de echte, alledaagse wereld, die niet-spelwerkelijkheid, het spel wordt, in Big Brother. Leven en dood had ook spel kunnen zijn, als de Grote Donor Show echt was geweest. Maar dat was het niet; in plaats daarvan werd het donorvraagstuk teruggebracht tot een statement in spelvorm. Want dat snappen we allemaal.

Johan Huizinga, Homo ludens: Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur, H.D. Tjeenk Willink & Zoon NV (eerste druk 1938). In Printing On Demand-versie bij Athenaeum/AUP