Het spel is uit

Vorig jaar verscheen Felacci: Scholier in Frankrijk, de debuutnovelle van Wim van de Woestijne. Het was een bijzonder boek over een scholier die om aanvankelijk volstrekt onduidelijke redenen als een hond werd behandeld en ook letterlijk als een beest eindigde: in een kooi op het schoolplein te midden van zijn eigen uitwerpselen.

Wat Felacci vooral zo bijzonder maakte, was het contrast tussen de feitelijke, haast kinderlijk eenvoudige stijl en dat wat werd beschreven. Van de Woestijne verklaarde niets, becommentarieerde niets en juist daardoor kreeg het beschrevene een ongehoorde lading. Felacci appelleerde op die wijze vooral aan de gewoonlijk duister genoemde, irrationele krachten achter het menselijk handelen.
In La diva, Van de Woestijnes tweede novelle, is de inzet niet anders, maar er is meteen ook een belangrijk verschil. In Felacci voltrokken de gebeurtenissen zich aan de hoofdpersoon, een personage dat niet in opstand kwam tegen de vernederingen die hij moest slikken, ook al leed hij er zwaar onder. In La diva hebben we te maken met een hoofdpersoon die juist naar een dergelijke onaanraakbaarheid verlangt bij het zien van hetgeen zich aan anderen voltrekt, aan zijn moeder vooral. ‘Ik wil zelfstandig zijn en zelf scheppen’, zo stelt hij op een zeker moment, en dat is waarom hij niet voor de muziek kiest, zoals in zijn milieu voor de hand zou liggen (zijn grootmoeder en moeder zijn operazangeressen), maar voor de schilderkunst. 'Ik ben bang voor onherstelbare fouten en de strakke smalle weg van de partituur’, stelt hij als hij achter de piano zit; 'Ik schilder mijn eigen wereld; fouten bestaan daarin niet.’
La diva is een poging tot afstand, een poging niet betrokken te raken bij de neergang van de moeder, wier ambitie een beroemd operazangeres te worden uitloopt op, opnieuw, een beestachtig einde. Misschien is het beter te zeggen dat het leven van de moeder daarop is uitgelopen, want hoewel het verhaal bijna volledig in de onvoltooid tegenwoordige tijd is geschreven, wordt het verteld nadat de moeder overleden is. Die onvoltooid tegenwoordige tijd dient om dat wat gebeurd is in het schrijven als het ware opnieuw te laten plaatsvinden. Het is een poging het gebeurde een feitelijkheid te geven die het toentertijd voor de hoofdpersoon niet had; een poging van een leven waarin alles fout is gegaan een leven te maken waarin fouten niet bestaan, waarin de dingen zijn zoals ze zijn. Acta est fabula luidt de ondertitel van La diva dan ook droog constaterend, 'het spel is uit’.
Ook in La diva ontstaat zo een spanning tussen de feitelijkheid van de beschrijvingen en de wanhoop die in het beschrevene zelf schuilgaat, maar die nergens wordt en ook nergens mag worden benoemd. En ook in La diva leidt dit weer tot huiveringwekkende passages.
Toch vond ik La diva wat minder dan Van de Woestijnes debuut. Dat heeft te maken met het gegeven dat het in Felacci ging om iemand die de verschrikkelijkste dingen zelf aan den lijve ervoer zonder ze als verschrikkelijk te begrijpen. In La diva is iemand aan het woord die de neergang van zijn moeder zelf als verschrikkelijk begrijpt en die tracht zich van zijn wanhoop en verdriet te bevrijden door alles zo feitelijk mogelijk op te schrijven. Die wetenschap maakt de feitelijke stijl soms wat al te gewild, te betekenisvol. Je begrijpt dat simpele zinnetjes méér willen zijn dan ze lijken, en dat produceert hier en daar een tegengesteld effect. Wat niet wegneemt dat Van de Woestijne met La diva nog eens laat zien een bijzondere nieuwe schrijver te zijn.