Hoofdcommentaar

Het spel met de angst

De angst in persoon is gearresteerd. In een gat onder een boerenhoeve in het dorp Ad Dawr. Hij werd opgespoord door Amerikaanse troepen en vervolgens ontmaskerd in een uiteindelijk simpele operatie getiteld Rode Dageraad. De vleesgeworden angst droeg een grijze baard en leek nog het meest op een alcoholistische zwerver. Eenmaal geschoren werd hij met zijn snor herkenbaar uit duizenden. Saddam Hoessein was voor het oog van de camera’s beroofd van de mythische angst die hij 35 jaar lang kon exploiteren ten koste van Koerden, sjiïeten, joden en alle anderen die zich tegen hem verzetten of wier tegenstand hij verzon omdat er zonder vijanden geen reden voor zijn totalitaire bestaan was.

Saddam Hoessein was tot zondag de meest angstaanjagende van alle angstaanjagende dictators die de wereld rijk is. Hij was het symbool aller antidemocratische symbolen. Dat was weliswaar niet de primaire en formele reden om hem te verdrijven, maar niet zeuren: de aanhouding van Hoessein is hét gerust stellende nieuws van 2003. Een lichtpuntje in een jaar waarin, behalve de snelle onttakeling van zijn bewind, weinig liep zoals was beloofd door de maakbaarheidsprofeten die de wereld nu regeren.

Dat de eerste jaren van de 21ste eeuw niet hebben gebracht wat ervan werd verwacht, is een cliché. Dat er drie jaar na de millenniumwisseling geen sprake is van enige mondiale ordening is dat ook. Maar wat zich in 2001 aandiende als een onverwachte omwenteling uit het niets is uitgekristalliseerd in een permanente staat van belegering. Zelfs wie zich niet wil laten verleiden door onheilsfetisjisten kan amper om de brandhaarden heen.

Ten eerste Irak. Het is te vroeg om het effect van de ontmanteling van Saddam te voorspellen, maar de burgers van Irak hebben een half jaar na hun bevrijding niet zo veel geduld met de toekomst als uit democratisch oogpunt verstandig zou zijn. Met Saddam achter de tralies is het morele vacuüm van het land nog niet gevuld. 35 jaar paranoia is nu uitgemond in anarchie waarin het recht van de sterkste regeert. Wat als netwerken à la al-Qaeda daar induiken en de Koerden er juist uitspringen? Als het hierbij zou blijven, was het overzichtelijk. Maar nee. Ten oosten van Irak wringt Iran zich in bochten om zijn nucleaire programma te verdoezelen. Verder richting «rode dageraad» zijn massavernietigingswapens al een feit. Niet alleen in India en China. Ook in Pakistan, waar het seculiere militaire bewind van generaal Moesharraf wankelt, zoals de mislukte aanslag van zondag illustreert. En dan is er nog het semi-middeleeuwse Noord-Korea. Op dezelfde breedtegraad wordt Indonesië, het volkenrijkste islamitische land ter wereld, beheerst door onderstromen die geen politieke posities hebben maar wel gewelddadige methodes. In het navenant seculiere Turkije is het idem dito.

Nog meer onheilspellende voorbeelden? De val van Saddam heeft de zelfmoordcommando’s uit Jenin niet op andere gedachten gebracht. Binnen de Palestijnse Autoriteit speelt de machtsstrijd tussen mastodont Arafat en zijn realistischer tegenhangers zich af in een getto. De veiligheidsmuur van Israël biedt wellicht fysieke bescherming maar biedt geen soelaas tegen de mentale angst voor terreur in disco’s of pizzeria’s.

Rusland — dat beschikt over immense energievoorraden als geopolitiek breekijzer — tendeert verder richting «geleide staatsdemocratie». Het helpt niet echt. In de deelrepubliek Tsjetsjenië, waar de separatistische president en Angstgegner Doedajev door de Russen al in 1996 werd gedood, is nog geen spoor van een doorbraak te bekennen. De hele regio is juist verder op drift geraakt. En Afghanistan dan? Er zit een beetje schot in. Maar in het naburige Centraal-Azië broeit onder de autoritaire regimes een nog ongekende vorm van anarchie die cosmetisch wordt onderdrukt. En dan vergeten we Afrika voor het gemak, een continent dat lang terzijde is geschoven maar sluipenderwijs een steeds strategischer positie krijgt.

Het rijtje smaakt, na de triomf van zondag 14 december, naar azijn. Maar veel meer zoets is er niet. Want het gaat allang niet meer alleen om de benoembare en deels rationele vrees voor gevaren van buitenaf die, met hun onberekenbare terroristische methodes, de vrije westerse democratische orde bedreigen. Sinds 2001 heeft de angst binnenshuis ook onbeheersbare vormen aangenomen: niet alleen de angst voor antidemocratische terreur maar ook voor de bestendigheid van het eigen politieke systeem tegen antidemocratische tendensen, die van buitenaf dan wel van binnenuit aan de wortels knagen. Het geeft geen pas alleen Amerika te beschuldigen. Het verlichte Europa, dat zich er graag op beroemt dat het niet hysterisch is, vertoont evenzeer haarscheurtjes. Een dag voordat Saddam Hoessein werd opgepakt, liet de Europese Unie de nieuwe grondwet uit haar handen vallen. Onder leiding van Berlusconi, de democratisch gekozen premier van Italië die in zijn nevenfunctie van zakenman een voorbode is van de «corporate democracy» die het Avondland kan gaan teisteren.

Het falen van Europa was ogenschijnlijk het gevolg van een potje «armpje drukken» over stemverhoudingen tussen het oude en het nieuwe Europa. Maar op de achtergrond draaide het om de platte angst: «de Polen komen». Een referendum over de Europese constitutie zou hier en nu dan ook een plebisciet zijn over de vraag: steun ik Poolse gast arbeiders die hier de prijs omlaag duwen en steun ik de euro die de prijzen opstuwt? Het antwoord laat zich raden.

Zelfs Nederland is niet gevrijwaard. De politiek van de Lage Landen lijkt doordrenkt van angst. Het beste bewijs? De laatste Troonrede! «De internationale en nationale ontwikkelingen van het afgelopen jaar hebben de onzekerheden in ons dagelijks bestaan doen toenemen. Er zijn ook grote zorgen om de cohesie in onze samenleving. Voorts zijn de onveiligheid en overlast op straat en de aantasting van de leefomgeving verontrustend», aldus koningin Beatrix.

Waarom? Om de bezuinigingen te legitimeren. Dat is oorbaar. En om een voedingsbodem te creëren voor een afrekening met het vermaledijde verleden. Dat is zorgelijk. Die afrekening maakt namelijk gebruik van symboolpolitiek en heeft aldus populistische trekjes. Zo is álles de schuld van het gedogen. Inderdaad is het geen onredelijk idee een einde te maken aan de dubbele moraal. Maar dat is nu juist helemaal niet wat er echt gebeurt. Zo lijkt de identificatieplicht voor alle burgers van veertien jaar stoer. Nu al staat echter vast dat de oudere paspoortloze wandelaar op de hei zal worden gedoogd. Die identificatieplicht is vooral een bezweringsformule tegen etterende pubers met messen op scooters. Daarbij blijft het niet. Het spel met de angsten van de burger heeft in Rotterdam geleid tot een deltaplan om arme nieuwelingen buiten de deur te houden. Wat deed de regering? Ze mompelde wat bezwaren en gaf de vier grote steden vervolgens de macht om speciale wetten, uitzonderingsbepalingen en extra bevoegdheden af te kondigen.

Kortom, het idee wordt gevoed dat er panklare recepten zijn voor alle problemen. Die simpelheid is nu pas écht angstaanjagend. Ze gaat namelijk voorbij aan onszelf. Ze grijpt niet terug op onze democratische traditie en doet geen pogingen om volgens de regels van de huidige rechtsstaat de problemen te lijf te gaan. Nee, onder de nu gedefinieerde angsten voor moslimterroristen, Marokkaanse ettertjes, bureaucratie en desintegratie schuilt een veel fundamentelere maar onbenoemde angst dat het eigen democratische bestel niet voldoet. Juist door die onvrede over de eigen democratie wordt het geloof in een vreedzame oplossing voor antidemocratische lokroepen ondermijnd.

Het begint er zodoende soms zelfs op te lijken dat democratie en antidemocratie gaan convergeren, elkaar vinden in beider verlangen om doel en middel te laten samensmelten. Eén op zichzelf onbeduidend detail ter illustratie: de onstuimige aandacht voor de Arabisch-Europese Liga van Abu Jahjah, een duistere Libanese Belg die de westerse rechtsstaat nu eens afwijst, dan weer gebruikt en zo zwalkend het Marokkaanse jongerenproleta riaat voor zijn kar probeert te spannen. Deze boze droom van Abu Jahjah wordt op zijn wenken bediend: eerst wordt hem veel meer aanhang toegedicht dan hij aantoonbaar heeft, dan moet de club worden verboden, vervolgens is een «liberale jihad» geboden en wat niet al.

Is alle hoop dan vervlogen? Nee. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft op de valreep van 2003 nog eens gewezen op de betekenis van de oude, democratische weg. Het pleidooi voor een «liberale jihad» (waarbij «voor het behoud van een tolerant en liberaal Nederland ook elementaire rechten en wetten opzij moeten worden gezet», aldus de VVD’ers Hirsi Ali en Wilders) is volgens de WRR «de kern van de botsing tussen democratie en terreur, namelijk het gevaar dat de democratie precies die waarden en normen opgeeft die ze juist wil verdedigen». Maar wat gebeurde er na de publicatie van dit WRR-rapport bij Nova? CDA-kamerlid Wim van der Camp becommentarieerde de tekst aldus: hij vond het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid «te wetenschappelijk». Dat de WRR juist heeft geprobeerd de essentie te formuleren van wat politiek in een democratische rechtsstaat vermag en een aantal historische waarden heeft benoemd die daaraan ten grondslag liggen, is kennelijk van weinig waarde. Ook niet voor premier Balkenende. Die putte uit het rapport slechts de notie dat alles staat of valt met het onderwijs. Hoewel er toch wel wat meer aan de hand is dan «fatsoen moet je doen». Dat de burger zich geen rekenschap meer wil geven van de historisch gegroeide verhoudingen van onze democratische orde en tegelijkertijd voor zichzelf meer vrijheid eist, is de kern.

Zondag 14 december 2003, de dag van de arrestatie van Saddam Hoessein, is een cruciale dag geweest. Die zou een optimistisch stemmende ommekeer kunnen betekenen, een doorbraak in de vicieuze cirkel van angst. Hoe minder machthebbers tamboereren op een vijand ter rechtvaardiging van hun eigen daden, des te democratischer is immers de maatschappij waarin ze macht uitoefenen. En dat geldt niet alleen voor het verre buitenland maar ook voor het binnenland. Het omgekeerde is echter ook mogelijk. Naarmate de publieke meningsvorming meer wordt gedomineerd door angst voor al dan niet reële vijanden neemt het vrije gehalte ervan af. Die variant is nog lang niet afgesneden. Want ondanks het optimisme over de arrestatie en komende berechting van de grootste dictator van deze tijd zijn de op verlichte leest geschoeide, democratische maatschappij- en omgangsvormen helemaal niet onstuitbaar aan de winnende hand. Ze zijn juist in het defensief.

In opmars is een samenleving waarin mensen achterom kijken, uit angst voor een mes in de rug. In opmars is een versplinterde wereld zonder frontlijnen, een wereldorde die zo weinig cohesie heeft dat francs-tireurs het er voor het zeggen kunnen krijgen. In opmars is de burger die oplossingen wil voor al zijn ongerief, en wel hier en nu.

Een keuze dringt zich op. Een keuze tegen angstpolitiek, een keuze voor een recht statelijke houding. Onbevreesd maar niet onbekommerd.