Stephan Sanders versus Arie Boomsma

‘Het spel van verleiding is er altijd’

‘Seks is een grote versneller om met een rotvaart in elkaars leven te denderen’, zegt schrijver/essayist Stephan Sanders. ‘Ik geloof dat seks van God komt’, zegt tv-programmamaker Arie Boomsma. Een gesprek tussen een libertijnse homo en een monogame hetero.

WIE KENT ARIE BOOMSMA nog niet? De commotie naar aanleiding van een fotoserie in het eenmalig verschenen tijdschrift L’Homo, gemaakt door het magazine Linda, zette in maart de spotlights op de persoon achter de presentator van de Evangelische Omroep. Daar stond hij, op de cover oprijzend uit water onder de titel En God schiep Arie en binnen in met een ontblote gespierde torso, in een tot het randje afgezakte spijkerbroek, zijn getatoeëerde armen horizontaal gespreid. Als een Jezus Christus zonder kruis, in een special voor homo’s. De leiding van de EO was not amused. Straf en boete vielen hem ten deel. Na ‘een goed gesprek’ werd hij drie maanden geschorst.
Boomsma lacht ietwat wrang om het woord ‘boetedoening’. Zelf kijkt hij er positief op terug. De schorsing werd onbedoeld binnen zijn drukke werk voor onder meer het programma 40 dagen zonder seks een welkome periode van reflectie op zijn positie en rol als (bekende) man.
Arie Boomsma: ‘De reacties, vanuit alle hoeken, hebben me enorm verrast. Het was een geloofsconflict: een christen mag zich niet seksueel uitdagend presenteren. Het was een hetero-homoconflict: kun je als hetero wel in een blad voor homo’s staan? Van collega’s kreeg ik ook allerlei commentaar, doorgaans aardig maar ook over journalistieke geloofwaardigheid. Vooral de context van het blad heeft geleid tot ergernis. Ik had het niet overlegd. Dat deed ik overigens heel bewust. Ik was nieuwsgierig naar de grenzen en wist dat het iets zou losmaken. Maar niet zó.’
In die rustperiode ontstond het plan om hierover een boek te schrijven. Boomsma ontmoette Stephan Sanders voor een interview in het radioprogramma Met het oog op morgen. Napratend besloten ze het project samen te gaan doen. Gesprekken met mannen over hun lichaam in al zijn facetten – een actueel boek daarover bestaat niet. Mannen zijn de laatste decennia op de vleugels van de vrouwenemancipatie bijna ongemerkt mee veranderd. Ze mogen ijdel zijn en besteden veel aandacht aan hun uiterlijk. Sommige mannen zijn onzeker geworden, over hun verschijning, hun rol als minnaar en als vader.
Boomsma: ‘Op het mannelijke lichaam rust, anders dan bij vrouwen, een taboe. Het lichaam bestaat eigenlijk niet en hangt er als het ware maar wat bij. Tegelijk zie je het tegenovergestelde: een fixatie op gezondheid, scheren, kappen, kleding en spieren kweken. Het adoniscomplex. Ook dat willen we uiteenrafelen in ons boek.’
Stephan Sanders: ‘Het is sowieso ingewikkeld om tot man op te groeien. Als jongetje moet je niet zoals je moeder worden en je spiegelt je aan je vader. Mijn vader was een nette middenklasseman, heel formeel. Ik heb hem alleen in pak gezien. Het lichaam is altijd meer een obsessie van vrouwen geweest. Haar representatie ging via de man. En omdat hij zijn status ontleende aan zijn baan, zijn auto en zijn huis kon hij zijn lichaam negeren. Dat was geen teken van zwakte, het was gewoon niet nodig om het lichaam op peil te houden. Dat verschil is door de vrouwenemancipatie redelijk verdampt. In de jaren zeventig kwam de bodycultuur voor mannen overwaaien uit Californië. Homo’s namen dat over, en de winst van nu is dat het voor alle mannen niet meer verdacht is om armspieren te hebben. Het is in feite de homoseksualisering van de heteroman.’

ARIE BOOMSMA (1974) en Stephan Sanders (1961) zitten gebroederlijk aan de thee en de Madeleine-koekjes. Ze vertegenwoordigen twee verschillende generaties. Sanders groeide op na de seksuele revolutie en vlak voordat safe seks opkwam in het aidstijdperk. Boomsma puberde in de jaren tachtig als zoon van een gereformeerde dominee. Ze staan totaal verschillend in het leven. Sanders is homo, leidde jarenlang een bruisend promiscue seksleven, is seculier en libertair. Hij leeft vanuit de overtuiging dat ieder individu vrijheden heeft om zijn eigen leven zonder bemoeienis van instanties in te richten. Boomsma gelooft in God en predikt als hetero monogamie. Zelf vrijt hij met slechts één vrouw, zijn aanstaande bruid, die hem heeft ontmaagd. Ze vinden beiden: tolerantie is incasseren, juist wanneer je het niet met iemand eens bent. En ze delen met elkaar een nieuwsgierige blik op mannelijke lichamelijkheid en seksualiteit.
Sanders: ‘Ik heb mijn lichaam pas ontdekt op latere leeftijd. Het uiterlijk deed er niet toe voor je identiteit. Ja, ik was lichtbruin en had een afrokapsel. In mijn jeugd was het raar om naar de sportschool te gaan. Iets voor zeelieden en bouwvakkers, maar niet voor denkers. Je was of dom of lelijk en dan wilde je daar iets tegenover stellen om toch iets in de aanbieding te hebben. In mijn wereld las je boeken, spieren trainen was tijdverlies. Ik was een groot hoofd met een rank lichaam. Toen ik in Amsterdam politicologie en filosofie ging studeren, heb ik mijn jeugd ingehaald en ben met apparaten mijn spieren gaan trainen. Ik was iemand tegengekomen die me vroeg: “Hoe heb je eigenlijk seks, als je lichaam er niet toe doet?” Een vriend van mij, de filosoof en Azië-kenner Frits Staal, is in dat opzicht ook belangrijk voor me geweest. Toen ik hem een keer thuis opzocht in Californië zag ik naast zijn enorme boekenkast een halterset staan. Hij legde me uit dat de scheiding tussen geest en lichaam terug te voeren is op Plato en Augustinus. Voor de seksuele theorievorming ging ik ook te rade bij de Franse filosoof Michel Foucault. Met dat hermetische postmoderne denken heb ik eind jaren tachtig gebroken. Maar nog steeds ervaar ik hoofd en lichaam als gescheiden.’
Boomsma: ‘Ik herken het niet uit mijn jeugd. Je ontwikkelt vanzelfsprekend naast je geest ook je lichaam. Voor de klassieke homo universalis gaat dat hand in hand. In Amerika, waar ik als fervent basketballer psychologie en communicatie studeerde, wisselde ik studeren af met sporten. Dat was daar ook onder professoren doodnormaal.’

SANDERS STELT dat zijn houding ook te maken had met de gepolitiseerde tijd waarin hij opgroeide: ‘Intellectuele mensen kijken met dédain naar het lichaam. Links in het bijzonder heeft een problematische relatie met het fysieke. Het communisme wist het lichaam alleen in te zetten als strijdmachine, en de sociaal-democratie streefde er van oudsher naar om van de lichaamsman een hoofdman te maken; de arbeiders zouden beter, schoner werk krijgen en witte boorden gaan dragen. Sport en lichaamscultuur waren twijfelachtige bezigheden, zeker na de jaren zestig toen ze ideologisch werden weggezet als bijna fascistoïde. In de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig werd het lichaam seksueel bevrijd, maar gek genoeg betekende dat tevens dat je het verder maar links moest laten liggen. Beter was het om het te laten verkommeren, want slank, strak, gebruind en gespierd zijn was je onderwerpen aan burgerlijke conventies. Het lijf – want dat was het woord dat je moest gebruiken – had een eigen entiteit en moest zo veel mogelijk worden vergeven. Het is niet van jou alleen, want het staat in dienst van de maakbare maatschappij. In dat vreselijke woord “lijf” zat alles vertaald, zoals het hele taalgebruik in die tijd een politieke lading had.’
Boomsma: ‘Kenmerkend voor die tijd vind ik dat de strijd niet alleen ging over de bevrijding van de vrouw, maar dat seksualiteit onderdeel werd van de consumptiecultuur. Seks werd ik-georiënteerd. En er vond een standaardisering plaats.’
Vooral over het laatste windt Boomsma zich op: ‘Een hele generatie groeit op met lege instant-beelden en dat leidt tot kopieergedrag. Ik merk dat bij gesprekken met jongeren voor mijn programma. Ze vertellen dat ze de standjes uit pornofilms nadoen. Een vijftienjarige jongen hoorde ik tegen zijn vrienden zeggen dat hij over de borsten van een meisje ging spuiten. In mijn tijd waren er nauwelijks blote beelden voorhanden. Wij gluurden na de gymles door het sleutelgat van de kleedkamers – de verboden vrucht; alles wat verboden is, is prikkelend. Nu alles zo openlijk is, slaat de eigen fantasie dood. In mijn programma’s probeer ik jongeren niet seks af te raden, maar benadruk ik de eigenheid en de diversiteit. Ik vertel ze: seks gaat over liefde tussen twee mensen. Het is mooi om dat te bewaren voor een speciaal iemand.’
Sanders fronst als we spreken over hét thema waarover velen zich nu zo druk maken: de geseksualiseerde samenleving. Ageren tegen pornobeelden, hij is het er niet mee eens: ‘Je probeert iets tegen te gaan wat gewoon bij deze tijd hoort. Volgens mij weten jongeren donders goed het verschil tussen die soms hilarische pornoseks en hun eigen gestuntel. Natuurlijk, er is een overkill aan pornobeelden. Vroeger had je de literatuur, je hoofd en de fantasie. In mijn jeugd was er in heel Denekamp geen seksboekje te vinden. Maar ik hoefde het niet te hebben van geloer naar douchende meisjes. Ik zat comfortabel in mijn jongenskleedkamer. Ik vind eerder iets anders een probleem. Er zijn steeds meer singles en de boodschap is: seks is lekker. Maar het punt is juist dat al die singles de seks niet, of niet genoeg, of niet intiem genoeg kunnen vinden. Het oude schuldgevoel “ik doe aan seks” heeft plaatsgemaakt voor het schuldgevoel “ik doe niet genoeg aan seks, niemand valt op me”.’
Boomsma onderbreekt hem: ‘Maar dat benadrukt toch de doorgeslagen seksualiteitscultuur waarin mensen zo veel mogelijk bevestiging zoeken door het zoveel mogelijk te doen. Anders ben je een loser.’
Sanders: ‘Wat mij nou ergert is die stelling dat seks weer haute couture moet worden. Een paar van die quasi-feministische dames die zichzelf de derde golf noemen hebben gekozen voor een buitengewoon ongelukkige metafoor. Alsof het om prêt-à-porter gaat versus unieke maatmode. Je krijgt dan de impliciete eis dat seks à la Kenzo moet zijn, à la Prada of Chanel. Dat gaat dus weer over voorgeschotelde stereotiepe beelden. Nu moet seks ultieme esthetiek zijn. Maar seks is rafelig en lastig. Wat er daarna komt is minstens zo ingewikkeld: gedoe over emoties. De voorstelling dat seks gewoon lekker is, is eenvoudigweg niet waar.’

SANDERS WIST AL JONG dat hij op jongens viel, maar veel voorbeelden waren er in Twente niet. Ja, zijn moeder had een vaste bloemist waarvan hij wist dat die man ánders was. Of de man van de klerenwinkel die in het pashokje wel heel graag meehielp met het aantrekken van de nieuwe corduroybroek. ‘Ik richtte rond 1976 op de middelbare school een kring op, “bi is beter”, aangevuld met wat hippe hetero’s. Dat klinkt moediger dan het was. Ik zat gewoon op hockey en bezocht een klein gymnasiumklasje met vier jongens die volgens mij eigenlijk allemaal homo waren. Ik had al wat seksuele ervaring met een jongen. We werden een keer betrapt door zijn moeder. Zij was niet boos en wilde er met ons over praten. Ze was zo’n alternatieve vrouw. Maar als puber wil je natuurlijk niet met een volwassene praten over je prille seksleven. En al helemaal niet met de moeder van je vriendje.’
Boomsma beaamt dat: ‘Voorlichting moet vooral niet door de ouders worden gegeven, maar van anderen komen. Vroeger was dat een technisch, uitleggend verhaal. Nu gaat het meer over emoties en dilemma’s. Het is meer dan ooit nodig. Wel moeten ouders thuis een open sfeer scheppen, zodat een kind nooit het gevoel heeft niet te mogen praten over seks.’
Boomsma is een laatbloeier, zegt hij trots. Pas op zijn 24ste had hij voor het eerst seks: ‘Dat wil zeggen, penetratie. Al het andere, oraal en zo, beschouw ik niet als echte seks.’
‘Kom, méén je dat nou?’ roept Sanders.
Terwijl de laatste Madeleine in zijn mond verdwijnt zegt Boomsma: ‘Ja, bij penetratie ligt de grens. Dan is er echte verbinding met elkaar. Ik had vroeger wel eens verkering maar na twee weken kreeg ik er genoeg van. Voor mij is een meisje dat makkelijk met mannen naar bed gaat niet aantrekkelijk. Een vrouw moet iets mysterieus hebben en ik vind haar mooi als ze het niet nodig heeft om bevestiging te krijgen van allerlei mannen. Eigenwaarde is: doe maar moeite voor mij. Dat vind ik eerder vrijgevochten dan het omgekeerde. Samen de eerste schreden zetten op het pad is mooi. Maar wat is seks dan voor jou?’
Sanders: ‘Seks is een grote versneller om met een rotvaart in elkaars leven te denderen. Wat anders een half jaartje duurt, gebeurt nu in een nacht. Vroeger heb ik veel one-night stands gehad. Maar het was altijd een beetje katterig. Meestal ging ik vóór het ontbijt het huis uit.’
Boomsma, nog eens: ‘Wat betekent seks dan voor jou?’
Sanders grijnst: ‘Een excuus waarmee je mag binnenkomen.’ Dan, bloedeerlijk: ‘Ik heb een problematische relatie met seks. Ik zat begin jaren tachtig een tijdje bij het rode-flikkergroepje en speelde dwarsfluit bij de band de Softies. Dat leek allemaal heel ludiek, maar het was tamelijk dwingend. Een van de spelers zei dan met zijn agenda in de hand: “Kom eens hier jij”, en prikte een datum voor seks. Ik wilde niet kleinburgerlijk doen, geen tut lijken. Anti-oedipale, anale seks, dat was het helemáál. Ik riep hard om me heen dat je met heel veel mensen naar bed moest gaan, dat anale seks je ware was, er moest een keten aan relaties ontstaan, met vertakkingen als een yoghurtboom, dat was de metafoor. Eigenlijk realiseer ik me nu pas dat ik niet weet hoe een yoghurtboom eruitziet. Maar je kwam elkaar later weer tegen in de wachtkamer van de medische post op de Groenburgwal voor een anti-druiperkuurtje en daar kwamen weer afspraakjes uit voort. Het was zes dagen per week uitgaan, een hele dagtaak. Maar ik verkondigde iets wat ik zelf niet fijn vond. Ik gebruikte altijd condooms, terwijl iedereen het in die tijd losjes deed. Er was nog geen aids. Maar ik ben van mezelf behoorlijk preuts en vind het moeilijk om seksueel intimiteit te ervaren. Dat gebrek overschreeuwde ik met enorme theorieën.’
Boomsma: ‘Dat is het juk van de rationele man. Plus de sociale druk dat je moet zijn zoals de groep. Deze cultuur is nu overgewaaid naar de hetero-scene. Van vrienden hoor ik wel eens dat een avondje stappen pas geslaagd is als het eindigt met een nummertje. Andermans lichaam is de bekroning van de avond.’
Is Arie Boomsma nou echt nóóit gevoelig voor de verleiding van het onbekende? De twee meter lange, gespierde man met parelwitte tanden én bekende tv-persoonlijkheid zal het niet ontbreken aan aandacht van vrouwelijk schoon. ‘Ja, ja’, zegt hij laconiek, ‘dat spel van verleiding is er altijd. Ik kom meisjes tegen waarmee je het spel van spanning aangaat. Dat zit vol suggestie, maar ik heb altijd een grens. Dan zit ik in mijn hoofd en denk ik: wat is het me waard? En die tv-wereld? Hé, ik zit wél bij de EO, hoor.’
Sanders: ‘Jij bent zo iemand die onproblematisch zijn T-shirt uittrekt. Jij bent opgegroeid met een jaloersmakend sportverleden. Jij hoeft niks te bewijzen.’
‘Dat is waar’, zegt Boomsma. ‘En op een gegeven moment word je een verboden vrucht voor anderen. Ik heb het gevoel dat ik meer benaderd word dan vroeger. Maar ik kies altijd voor mijn vriendin. Voor haar moet ik moeite doen en we zijn nooit verveeld. Zij verveelt mij nooit. De basis van mijn leven is het geloof en daar vloeit de overtuiging automatisch uit voort dat het goed is om seks met één iemand te hebben. Ik geloof dat seks van God komt. Maar het christendom is óók de oorsprong van het grote taboe op seks. In zekere zin is seksualiteit gebaat bij een licht taboe, als een beschermlaagje. Maar het onderwerp wordt vaak te veel bevroren. Je doet het niet voor het huwelijk en dus praten we er niet over, basta. Ondertussen is er wel drang en wil je weten wat het is. Het is een verkeerd idee dat je je tegenover de kerk en andere christenen of andere mensen zou moeten verantwoorden over je seksualiteit. Daar moet je juist vrij in zijn, maar wel binnen die ene relatie. Dat geldt natuurlijk ook voor homoseksuele relaties.’
Sanders: ‘Word je belemmerd in je seksualiteit door het geloof?’
Boomsma: ‘God biedt structuur. Het is een hoopvolle gedachte dat aan het begin en aan het einde God er is. Dat maakt me sterk, anders zou ik misschien losslaan. Maar ik strijd tegen de diepgewortelde overtuiging dat seks zondig is. Dat maakt mensen stiekem en veel liefde gaat eraan kapot.’

DE TWEE MANNEN zijn erg verschillend maar ze respecteren elkaars opvattingen als goede vrienden. Beiden vertellen dat ze zijn veranderd door de ontmoeting met elkaar.
Sanders: ‘Ik had een clichébeeld van hem, een opgewekte christen op slippers. Een ijdele tv-jongen. Iemand die te good looking is en dan lelijke jongeren veertig dagen geheelonthouding oplegt. Toen ik hem interviewde voor de radio ervoer ik hem als een waarachtige man. Open van geest, écht nieuwsgierig. Mijn vooroordeel viel in scherven. Ik ken heel wat mensen die veel dogmatischer zijn dan Arie en zich moreel superieur opstellen in een gesprek – linkse mensen doen dat eigenlijk altijd. Bovendien, Arie steekt zijn nek uit voor homo’s die orthodox gelovig zijn. Hij hoeft dat niet te doen, hij is hetero, dat maakt het des te roerender. Terwijl het CDA op dat punt al lang een enorme emancipatie heeft doorgemaakt, die het op zichzelf heeft bevochten, begint dat proces nu bij de SGP en de ChristenUnie. Arie draagt daar op zijn manier aan bij.’
Boomsma: ‘Stephan kan het persoonlijke heel snel analyseren. Dát mis ik wel eens bij christenen. Zelfreflectie op de hele mens, inclusief de vleselijke lusten.’