De strijd om het lijsttrekkerschap is al lang begonnen

Het splijtende ‹nee› van D66

De officiële campagne om het lijsttrekkerschap van D66 moet nog beginnen, maar in de coulissen is de strijd tussen de kandidaten Lousewies van der Laan en Alexander Pechtold al lang bezig. De Afghaanse provincie Uruzgan speelt daarin een grote rol.

Welke overeenkomsten zijn er tussen vvd en d66? Alle twee afficheren ze zich als liberale partij, ze zitten beide in de huidige regering en bij elk van de partijen mogen de leden dit voorjaar hun lijsttrekker kiezen. Maar er is nog een overeenkomst: ze kampen alle twee al geruime tijd met een gebrek aan interne cohesie.

Bij de vvd ontstond het vacuüm langzaam. Gerrit Zalm, in 2003 nog de lijsttrekker, bleek geen leiderschapskwaliteiten te hebben en ging na een kort intermezzo als fractievoorzitter terug naar zijn ministerie van Financiën. Zijn opvolger Jozias van Aartsen wist de lege leidersplek niet stilzwijgend en vanzelfsprekend in te nemen, ook niet toen hij in het najaar van 2004 zijn partij nadrukkelijk om het leiderschap vroeg. Vanaf deze week zal blijken of het met die inmiddels jarenlange regieloosheid bij de vvd is gedaan en er met de uitslag van de interne verkiezingen ook daadwerkelijk een leider is aangewezen. Niet iedereen in de partij heeft er vertrouwen in dat de strijd om de macht dan echt zal zijn afgelopen.

Bij d66 komt op 24 juni duidelijkheid over de persoon van de lijsttrekker. Bij de sociaal-liberalen moet de officiële campagne nog beginnen. In de coulissen is de strijd tussen de meest in het oog springende kandidaten, fractievoorzitter Lousewies van der Laan en minister Alexander Pechtold van Bestuurlijke Vernieuwing, echter al lang bezig. De Afghaanse provincie Uruzgan speelt daarin een grote rol.

De regieloosheid begint niet bij het debat over de Uruzgan-missie. Het totaal misgelopen optreden van de partij is juist het opvallendste gevolg daarvan. Het begint allemaal een klein jaar eerder, in de nacht dat senator Ed van Thijn in het voorjaar van 2005 namens de pvda-fractie in de Eerste Kamer de gekozen burgemeester afschiet.

Het wetsvoorstel voor de gekozen burgemeester was het politieke troetelkindje van toenmalig d66-minister, vice-premier en partijleider Thom de Graaf. Het nee van de Eerste Kamer betekent het einde van De Graafs politieke carrière. Niet zozeer omdat de pvda zijn wetsvoorstel blokkeert, als wel omdat zijn eigen d66-fractie in de Tweede Kamer zich vervolgens niet hard wil maken voor een ander punt op De Graafs agenda voor bestuurlijke vernieuwing: een nieuw kiesstelsel. Dat De Graaf zich hierdoor verraden voelt door de fractie onder leiding van Boris Dittrich laat zich aan minstens één gegeven aflezen: die twee praten sinds maart vorig jaar niet meer met elkaar.

Net als bij de vvd is ook bij d66 na het vertrek van De Graaf niet een natuurlijk nieuw leiderschap ontstaan. Dittrich ambieerde het partijleiderschap, wist het echter niet op eigen gezag af te dwingen en overspeelde vervolgens zijn hand compleet in het Uruzgan-debat. Nog voordat dat debat was beëindigd, werd al beweerd dat Dittrich met zijn onwrikbare nee tegen de Uruzgan-missie naar buiten kwam om Pechtold vóór te zijn in de publicitaire aandacht die dit standpunt zou krijgen. Het verhaal doet nog steeds de ronde. Anderen zeggen juist dat Dittrich naar buiten trad op verzoek van diezelfde Pechtold, omdat deze d66-minister binnen het kabinet wilde laten zien dat zijn nee tegen de missie werd gesteund door de fractie.

Dat dan juist Pechtold nu door prominente en gewone leden wordt aangeprezen als nieuwe leider omdat hij een buitenstaander zou zijn geweest in het Uruzgan-debat zit deze laatste partijleden dwars. Het legt de schuld voor het fiasco in hun ogen te eenzijdig bij de fractie. Daarmee verminderen de kansen van hun kandidaat Lousewies van der Laan. Die zat toen immers ook in de fractie. Dat beeld van medeschuldige wordt elke keer uitgedragen als Pechtold door een partijlid als de buitenstaander wordt neergezet. Het zal Van der Laan niet lukken dat beeld te wijzigen, ook al blijft ze herhalen dat de politiek-strategische koers, oftewel het ongebruikelijke moment waarop het onwrikbare nee naar buiten kwam, puur en alleen de verantwoordelijkheid van Dittrich was.

Dat «Uruzgan» een etterende wond is binnen de partij blijkt ook uit het volgende. Het dreigement van de fractie om uit het kabinet te stappen, zou uiteindelijk alleen zijn ingetrokken omdat prominente partijleden dreigden met een scheuring in de partij en het openlijk opzeggen van hun lidmaatschap. De fractie zou dit de partij niet hebben willen aandoen.

Partijvoorzitter Frank Dales reageert met de opmerking dit verhaal slechts te kunnen duiden als een poging één van de lijsttrekkerskandidaten te beschadigen. In dit geval Pechtold: «Ik vind het jammer dat leden deze verhalen de wereld insturen. Ik ben zelf bij het laatste, interne debat over Uruzgan geweest. Daar is het woord scheuring niet gevallen. Het was ook geen emotionele vergadering. Ik haal dat overleg tegenwoordig juist aan als een positief voorbeeld van hoe een overleg tussen allerlei gremia in de partij moet verlopen.» Waarmee Dales indirect bevestigt dat het aan goed overleg tussen fractie, bewindslieden, senatoren en europarlementariër had ontbroken. «Sindsdien is het overleg inderdaad beter, de regie heeft meer aandacht gekregen.» Op de vraag of Pechtold aanvankelijk steun had gezocht bij de fractie voor zijn manoeuvreren richting een nee zegt Dales dat «niet te kunnen ontkennen, noch te kunnen bevestigen». Het is volgens hem ook helemaal niet relevant: «Mijn inschatting is dat Pechtolds eventuele aanzet tot een nee geen doorslaggevende rol heeft gespeeld in het oordeel van de fractie.»

In de ogen van anderen is het echter wel relevant. Zij vinden het van weinig ruggengraat getuigen dat Pechtold zich uiteindelijk achter het ja van het kabinet schaarde, juist omdat hij de fractie aanvankelijk om steun voor een nee zou hebben gevraagd. In dat ja tegen de missie konden zich overigens ook minister Laurens-Jan Brinkhorst van Economische Zaken en de Eerste-Kamerfractie van d66 vinden. Daarmee komt het verhaal over een eventuele scheuring in de partij toch weer in beeld: als een gechargeerde versie van een reëel probleem dat in januari heeft gespeeld. Het woord scheuring mag dan volgens de partijvoorzitter niet zijn gevallen, grote interne hommeles in de partij dreigde er wel degelijk als de fractie de eigen bewindspersonen samen met het kabinet zou hebben laten vallen. Ze waren het inhoudelijk niet eens over de Uruzgan-missie. Ze hadden niet louter mot over het politiek manoeuvreren.

Formeel wordt dat laatste beeld echter nog steeds uitgedragen. De ergernis concentreert zich op de onwrikbaarheid van het nee, naar buiten gebracht door toenmalig fractievoorzitter Dittrich op een moment dat nog gedebatteerd moest worden met het kabinet. Dat onbespreekbare nee wordt neergezet als niet passend bij de mentaliteit van de partij, als een grote fout tegen de politieke mores, als het stomste wat Dittrich had kunnen doen, als het bij voorbaat weggeven van de machtspositie die de kleinste regeringspartij wel degelijk had kunnen innemen. Velen in de partij menen dat niet alleen Dittrich daarvoor verantwoordelijk is. Uit die hoek komen dan ook de verhalen dat Van der Laan een van de hardste nee-roepers was in de fractie.

Gaat dit allemaal nog wel over imago, koers en richting van d66 of wordt de strijd om het lijsttrekkerschap gewoon een ordinaire eindafrekening van het Uruzgan-debacle? Beide. Of Pechtold dan wel Van der Laan wint, mensen uit hun beider «fanclub» zullen het altijd zien als de eindoverwinning in de interne strijd om de Uruzgan-missie, of de kandidaten en de partijtop dat nu leuk en terecht vinden of niet. Gewone én prominente partijleden, gevraagd naar hun voorkeurskandidaat en argumentatie daarvoor, verwijzen net iets te vaak naar juist die discussie.

Maar daarachter gaat wel degelijk ook een strijd schuil over dat wat d66 veertig jaar na haar oprichting is of zou moeten zijn. Het nee tegen Uruzgan, voordat er door Kamer en kabinet over was gedebatteerd, druist volgens velen in de partij in tegen de waarlijk democratische houding die juist d66’ers eigen moet zijn. Oftewel: dit was niet zomaar een foutje, maar een wezenlijke misstap die in hun ogen ook Van der Laan heeft gemaakt. De partij terugbrengen tot een beweging met maar één doel, het realiseren van directere democratie, is volgens deze stroming een truc van degenen die vinden dat d66 zich moet vernieuwen en daarvoor naarstig op zoek gaan naar moderne thema’s.

Daarmee is de strijd ook weer terug bij Pechtold en Van der Laan. Want Pechtold hoort meer bij de traditionele stroming en Van der Laan is van de nieuwe thema’s. Voorstanders van Pechtold moeten niets hebben van de «puntjes» waarop Van der Laan wil scoren, zoals het afschaffen van artikel 23 van de grondwet, waarmee in Nederland de vrijheid van onderwijs is geregeld en dus het bestaan van door de staat gesubsidieerde islamitische scholen. Van der Laan vindt dit voorstel passen binnen haar streven taboes te doorbreken. In de toespraak waarmee ze zich kandideerde, zei ze: «De partij moet veranderen. En dan niet een beetje voor de vorm, maar daadwerkelijk.»

Zo’n opmerking doet pijn bij partijleden die al lang meelopen. Pechtold zegt desgevraagd weliswaar geen taboes te kennen, maar artikel 23 staat niet bovenaan de lijst: «Als d66’er vind ik dat mensen juist zelf vorm en inhoud moeten kunnen geven aan hun leven. Daarnaast heb ik ook een heel praktisch bezwaar. Vanuit mijn portefeuille als minister weet ik dat als je ook maar een komma aan de grondwet wilt veranderen je daar minimaal acht jaar mee bezig bent en het je een bak frustratie oplevert. Die tijd en energie kunnen we beter gebruiken.»

Daarmee lijkt Pechtold de pragmaticus en Van der Laan de idealiste. Zoals ook Pechtold degene is die inschat na de verkiezingen van 2007 met de fractie in één personenauto het hele land door te kunnen toeren en Van der Laan oproept daarmee geen genoegen te nemen. Die tweedeling brak d66 ook op in de discussie over Uruzgan: pragmatisme tegenover idealisme. Het was Pechtold die ervoor koos zich te voegen naar het kabinet toen duidelijk werd dat een grote kamermeerderheid de missie zou steunen. Van der Laan daarentegen bleef bij een nee, omdat ze ervan overtuigd was dat die missie een onmogelijke is.

De strijd tussen beide vleugels zal, net als bij de vvd, een harde zijn. Nog weer een punt van overeenkomst tussen de twee partijen.