Kameraden in Europa

Het splijtmes van Maastricht

In heel Europa worden sociaal-democratische partijen die de Europese bezuinigingspolitiek steunen bedreigd door (nieuwe) linkse bewegingen. Het ‘Roemer-effect’ is niet typisch Nederlands.

De afgelopen maanden vormde de SP voor het eerst een serieuze bedreiging voor de electorale positie van de pvda. Het ‘Roemer-effect’ is niet typisch Nederlands en het is zeker niet gebonden aan de personen van de lijsttrekkers. Om het te begrijpen moeten we een kleine twintig jaar in de tijd teruggaan.

We schrijven de zomer van 1993, een jaar na het Verdrag van Maastricht. Een klein zaaltje in de bibliotheek van Chartres stroomt vol met plaatselijke sociaal-democraten en aanverwante linksen. De spreker van vanavond is een tengere maar strijdlustige vijftiger. Met zijn ellebogen op tafel geplant en zijn handen onder zijn kin gevouwen wacht hij ongeduldig tot hij mag beginnen. De socialist Jean-Pierre Chevènement heeft een missie. Visionair mag je hem misschien niet noemen, maar zijn boodschap zal twintig jaar later weerklank krijgen in zijn eigen land en in heel Europa. ‘De Socialistische Partij is klinisch dood, beste vrienden’, zegt hij. ‘Hij was al stervensziek sinds 1983 toen president Mitterrand een liberale koers ging varen. Daarom ben ik destijds als minister van Wetenschap opgestapt. Toen mijn partijgenoot en premier Michel Rocard ook nog de franc aan de mark koppelde zodat ons land geen eigen monetair beleid meer kan voeren, werd een kritische grens overschreden. Daarom heb ik besloten een nieuwe beweging op te richten.’

Zijn besluit was ingeslagen als een bom. Chevènement was in 1971 medeoprichter van de Socialistische Partij (PS) geweest. Hij fungeerde jarenlang als voornaamste ideoloog van de beweging. Desondanks was hij er nu uit­gestapt. Uit de partij van François Mitterrand, de grote vriend van de Duitse bondskanselier Helmut Kohl, de partij van de enthousiaste eurofiel Rocard, de alomtegenwoordige Europese-Commissievoorzitter Jacques Delors en tal van andere Franse socialistische kopstukken die de Europese eenwording vorm gaven.

De luisteraars willen weten of Chevènement ‘afscheid van Europa’ heeft genomen. ‘Niet van een socialistisch Europa’, zegt hij. ‘Wel van het Europa van Maastricht, van de vrije markt en de opgave van onze nationale soevereiniteit.’ De zaal werpt tegen dat hij een kleine minderheid aanvoert en dat hij niet kan opboksen tegen de partijmachine van de PS. ‘Dat weet ik’, zegt Chevènement. ‘Maar iemand moet de eerste zijn om deze ontwikkeling een halt toe te roepen. Maastricht is het couteau diviseur, het splijtmes voor links. De republiek is de hoogste uitdrukking van de volkswil. En de volkswil behoort de toekomst van dit land te bepalen. Als we die nationale beslissingsbevoegdheid opgeven, graven we als socialisten ons eigen graf. Ik zeg jullie dat we hier spijt van gaan krijgen.’

Zijn nieuwe partij heette Mouvement Des Citoyens, later omgedoopt tot Mouvement Républicain et Citoyen. De mrc werd in de media ‘links-gaullistisch’ of zelfs ‘linksnationalistisch’ genoemd, alsof Chevènement en de zijnen een ongemakkelijke spagaat maakten tussen enerzijds klassieke linkse idealen en anderzijds het ‘volkse’, anti-Europese identiteitsdenken van rechts. Maar voor Chevènement speelden begrippen als etnische of culturele identiteit geen rol. Voor hem stond de republiek centraal, het politieke project dat Frankrijk heet. Iedereen die het wilde, kon daarbij horen ongeacht zijn afkomst. Het symbool van zijn beweging was de kers, een verwijzing naar het strijdlustige liefdeslied Le temps des cerises van Jean-­Baptiste Clément, aanhanger van de Parijse Commune (1872) en de Eerste Internationale.

Chevènements beweging was de eerste op Europees grondgebied die zowel democratisch links als tegen de politieke dominantie van ‘Europa’ gekant was. Chevènement zelf zou voortaan niet meer dan een marginale rol spelen in de landspolitiek, al had zijn mrc een flink aandeel in de Franse afwijzing van de Europese grondwet in 2005. Maar het splijtmes bleef zijn werk doen en uiteindelijk heeft de PS gecapituleerd voor het toenemende wantrouwen van de Fransen tegen het Europa van de euro, de vrije markt en het monetaristisch primaat. Bij de presidentsverkiezing van 2007 steunde Chevènement al weer de socialistische kandidate Ségolène Royal omdat zij pleitte voor een socia­ler Europa. Sinds 2008 is het soevereiniteitsverlies extra voelbaar geworden onder invloed van de mondiale financiële crisis en zie, de pas gekozen socialistische president François Hollande verkondigt nu standpunten die de bejaarde Chevènement hem had kunnen influisteren.

Een soortgelijke verschuiving vindt ook in andere Europese landen plaats, voornamelijk als gevolg van de crisis en van het zichtbare onvermogen van de Europese leiders en instellingen om die het hoofd te bieden. Sociaal-democratische partijen die de Europese bezuinigingspolitiek steunen, raken kiezers kwijt aan (doorgaans nieuwe) linkse bewegingen. In Griekenland is het verband zonneklaar; daar behaalde de radicaal-linkse lijstverbinding Siryza bij de laatste verkiezingen meer zetels dan de traditionele sociaal-democratische partij pasok die – zij het met tegenzin – het bezuinigingsbeleid van de trojka van Europese Commissie, Wereldbank en Monetair Fonds had aanvaard.

Maar dezelfde tendens is waarneembaar in Duitsland, in veel opzichten de economische tegenpool van Griekenland en nog altijd de economische motor van Europa. Daar zijn de laatste jaren nogal wat linkse kiezers over­gelopen van de sociaal-democratische spd naar Die Linke, een verbond van voormalige Oost- en West-Duitse communisten en radicalen die een broertje dood hebben aan het Europa van de bankiers en de industriële lobby’s. In 2009 kreeg de pas twee jaar oude partij bijna twaalf procent van de stemmen en 76 van de 622 zetels in de Bondsdag.

De neergang van de Zweedse sociaal-democratie houdt zelfs rechtstreeks verband met het lidmaatschap van de Europese Unie. In 1994 vormde de Arbeiderspartij na drie jaar in de oppositie te hebben gezeten een minderheidsregering die het land met steun van politiek rechts de Europese Unie binnen rommelde. Die overvaltactiek werkte averechts. Het splijtmes sloeg toe, de partij zelf raakte al net zo verdeeld als haar traditionele electoraat en bij de verkiezingen van 2006 werd de regering weggestemd. In 2010 bereikte de partij een nieuw historisch dieptepunt door slechts dertig procent van de stemmen te halen. In het Zweedse geval zijn de linkse alternatieven, te weten de Groenen en de ex-communistische Vänsterpartiet (Linkse Partij), echter te radicaal en amateuristisch om de vrijkomende stemmen binnen te halen; die gaan bijna allemaal naar middenpartijen.

Dat het ook anders kan bewijst Denemarken dat in veel opzichten vergelijkbaar is met Duitsland of met ons land. Denemarken kent sinds 1989 het linksradicale verbond Enhedslisten, ook wel Rood-Groenen genoemd, samengesteld uit groeperingen die tot dan toe nooit de kiesdrempel haalden. Dankzij de financiële crisis behaalde Enhedslisten in 2011 opeens twaalf van de 179 parlementszetels. Het had wat voeten in de aarde, maar ten slotte was Enheds­listen bereid gedoogsteun te geven aan een minderheidsregering van de sociaal-democratische premier Helle Thorning-Schmidt. Een andere gedoogpartner van de Deense sociaal-democraten is de Socialistisk Folkeparti, een verbond van ex-communisten dat de laatste jaren eveneens verrassend goed scoorde met zijn linkse kritiek op de huidige vorm van Europese integratie. Door steun te zoeken bij deze partijen en niet over rechts te regeren, hebben de Deense sociaal-democraten de electorale schade beperkt.

In Noorwegen en Groot-Brittannië doet zich geen ‘Roemer-effect’ voor, waarschijnlijk omdat die landen geen lid van de eurozone zijn (Noorwegen zelfs niet van de EU). In het Britse geval komt daar nog een temperende factor bij, namelijk het kiesstelsel dat sterk in het nadeel werkt van (radicale) minderheden. Noorwegen heeft niettemin een krachtige linkse partij, de Linkse-Socialistische Partij, die naar Deens voorbeeld essentiële gedoogsteun biedt aan de Arbeiderspartij.

In Italië en Spanje is de situatie onvergelijkbaar met die van Nederland, Duitsland of Zweden vanwege de volstrekt andere culturele context en politieke voorgeschiedenis. In Spanje bijvoorbeeld komt de vrees voor soevereiniteitsverlies veelal tot uiting in steun aan de bewegingen voor lokale autonomie in Catalonië, Baskenland en andere provincies. De traditionele Italiaanse sociaal-democraten zijn als sneeuw voor de zon verdwenen tijdens het grote steekpenningenschandaal van de jaren negentig. Hun opvolgers, aangevoerd door voormalige communisten die zich sociaal-democraten en aanhangers van de Derde Weg noemden, hebben nooit een vuist kunnen maken. Hun onderlinge twisten zijn bijna even vermakelijk als de bijtende parodieën van Beppe Grillo, de populaire komiek en antipoliticus, met dit verschil dat Grillo meent wat hij zegt en zij dat niet doen. Grillo behaalde met zijn campagne tegen de regering van premier Mario Monti en zijn hondentrouw aan Brussel een opmerkelijk resultaat bij de lokale verkiezingen van mei dit jaar.

De Duitse sociaal-democraten leren langzaam van hun fouten. De hardste klap die ze kregen was de verkiezingsnederlaag van 2009, volgend op hun deelname aan de ‘grote coalitie’ met de dominante conservatieve partijcombinatie cdu/csu. De spd behaalde haar slechtste resultaat sinds het begin van de Bondsrepubliek. Ze was in tien jaar tijd van veertig naar 23 procent van het electoraat gezakt. Het grootste deel van dat verlies werd opgeslokt door Die Linke. De hoop van de spd is nu gevestigd op Hannelore Kraft, de succesvolle socialistische premier van Noordrijn-Westfalen die in mei de verkiezing in haar deelstaat overtuigend won van Angela Merkels cdu. Kraft heeft de weg naar links weer gevonden en bestuurt nu al weer haar tweede minderheidsregering met gedoogsteun van Die Linke.

‘De financiële crisis heeft veel vraagstukken in Duitsland op scherp gezet’, zegt een woordvoerder van de spd in Westfalen. ‘Weliswaar zijn de reële gevolgen in veel huishoudens nog niet echt voelbaar, maar de morele verontwaardiging over de scheve verdeling van de lasten is enorm. Verontwaardiging is nog geen politiek programma, maar we laten ons graag wakker schudden en wakker houden door Die Linke.’ Er is zelfs al sprake van dat Kraft komend jaar de spd zou kunnen gaan aanvoeren in de landelijke verkiezingen. Ze ontkent vooralsnog dat ze die ambitie heeft, maar uit peilingen blijkt dat zij in een rechtstreeks duel met de bondskanselier 43 procent van de stemmen zou krijgen en Merkel slechts 34 procent. ‘Ze zou een gevaarlijke tegenstander voor cdu/csu zijn’, zegt de woordvoerder. ‘En ze zou een coalitie met Die Linke niet op voorhand uitsluiten.’