Het spook van de onveiligheid

Zeventig procent van de Nederlanders voelde zich in 1992 nooit onveilig. Dit opmerkelijke feit werd vorige week wereldkundig gemaakt in de Integrale Veiligheidsrapportage 1994, een rapport van een vijftal ministeries die zich ambtshalve bezighouden met een van de centrale problemen van ons land: de onveiligheid. Het rapport stapelt statistiek op statistiek, maar als het gaat om wat de Nederlanders nu voelen, dan blijken zeven van de tien mensen in het dagelijkse leven nooit ergens last van te hebben. Dus niet zo nu en dan, soms of bij tijd en wijle, nee: nooit.

Dat is voor wie zich wel eens ophoudt in de openbaarheid van het stedelijk leven een bijna ongelooflijke bevinding. In moderne steden zijn de burgers voornamelijk onbekenden van elkaar, ze clusteren samen in subculturen waar de een zich thuis voelt en de ander wordt buitengesloten. Wie de stedelijke ruimte doorkruist, herkent gelijksoortigen en voelt zich al snel unheimlich en soms zelfs bedreigd op die plekken waar zijn cultuurkring niet huishoudt. Volgens die logica valt te verwachten dat negentig procent van de bevolking in verstedelijkt Nederland met een zekere regelmaat last heeft van onveiligheidsgevoelens. Mis dus. Zeventig procent van het volk is of tolerant ten opzichte van andere cultuurkringen, of vermijdt de confrontatie ermee stelselmatig. Wat een prachtland is Nederland toch.
Maar vraag dezelfde Nederlanders wat ze het grootste probleem van dit land vinden en zes op de tien komt met de onveiligheid op de proppen. Dat staat dus in geen verhouding tot hun onveiligheidsgevoel. En al helemaal niet met enigerlei vorm van slachtofferschap van criminaliteit, waarop slechts iets meer dan twee procent van de bevolking van de grote steden zich kan beroepen.
Om deze paradox te begrijpen is het goed om een verschijnsel voor het voetlicht te halen waar ondermeer socioloog De Swaan al in 1978 een aardig boekje over schreef: de dynamiek van de protoprofessionalisering. Kort en goed komt deze sociologische wet erop neer dat zich rondom een bepaalde nood - bij De Swaan psychische problemen - een bepaalde professionele groep ontwikkelt die een taal voortbrengt die via concentrische sociale cirkels steeds verder haar weg vindt in de maatschappij, waardoor mensen hun problemen steeds vaker in de taal van deze professie gaan verwoorden. Wat vroeger niet als probleem werd benoemd, wordt met de taal van de psychotherapie plotseling ‘herkend’ als psychisch probleem.
Een vergelijkbare dynamiek is er verantwoordelijk voor dat het gilde van de veiligheidszorgers (inmiddels een heuse bedrijfstak vol politici, onderzoekers, politiefunctionarissen, preventiedeskundigen, beveiligingsondernemers en alarminstallatieinstallateurs) nu al een ruime meerderheid van de bevolking in zijn ban heeft weten te krijgen. Zij stuwen een taal over (on)veiligheid voort die niet alleen henzelf steeds meer zorgen baart, maar die in woord en daad door de bevolking wordt overgenomen. De hekwerken- en slotenmakers beleven nu al jaren hoogtijdagen, de particuliere beveiligingsdiensten kunnen het werk niet bijbenen en al die bedrijvigheid en de daaraan gekoppelde politieke en economische belangen zorgen er alleen maar voor dat het spook van de onveiligheid met de dag groter wordt. En dat terwijl er in prachtland Nederland eigenlijk maar verdomd weinig te vrezen valt.