TONEEL Op hoop van zegen

HET SPOOKGEZICHT VAN MEES

Herman Heijermans’ Op hoop van zegen in de nieuwe enscenering van Het Toneel Speelt (regie: Jaap Spijkers) opent visueel kaal en blijft dat ook. Bij binnenkomst kijken we naar het naakte toneelhuis. Middenvoor een rond, licht hellend podium, rechtsboven hangen drie klokken van ongelijke grootte, achterin staat een draaiorgel, rechts aan de zijkant windturbines, in werking gedurende een even simpel als effectief openingstableau. Na luttele seconden komt een zwarte, sobere toneelentourage naar omlaag: coulissen en friezen, twee zeegezichten als achtergrond. Er worden nog wat stoelen en stronken opgedragen. Verder is het aan de toneelspelers. Zeven bijrollen zijn geschrapt, wat blijft is een compact gezelschap: Kniertje, vissersweduwe; zoon Geert, oproerkraaier; zoon Barend, ‘beroepsdromer’; Jo, verloofde van Geert; Cobus, broer van Knier, zit in het ouden-van-dagen-huis. Dan zijn er nog Simon, scheepstimmerman en alcoholist, en zijn dochter Marietje, verloofd met de visser Mees (als rol geschrapt), de meervoudige vissersweduwe Truus (in wie ook het geschrapte personage Saart is opgenomen) en natuurlijk de legendarische reder Bos en zijn boekhouder Kaps.
Een toneelstuk is net een auto, hij kan er lekker uitzien maar hij moet wel rijden en daarna moet-ie bekwaam in de val van een ongeluk knallen. In die zin was Heijermans een ambachtsman eerste klas. In het eerste bedrijf toont hij de hele machinerie, met de bewoners en het onderliggend gekrakeel. In het tweede bedrijf monteert de auteur daar een joekel van een tijdbom onder: de vissersschuit de Hoop van Zegen, die op punt van uitvaren staat, met de twee zoons van Kniertje onder de bemanning, is een ‘drijvende doodkist’ en Kniertje’s jongste zoon Barend wil bij nader inzien niet mee, de veldwachters en Knier moeten hem als het ware van de deurpost krabben. De klap die de ondergang van ‘de Hoop’ teweegbrengt komt hard aan. Maar dat is pas in het vierde bedrijf. In het derde bedrijf doet Heijermans een meesterzet. Terwijl het buiten stormt en we kunnen raden wat zich ondertussen op zee afspeelt met de Hoop, zitten de vissersvrouwen bij elkaar en doen iets wat ze beter niet kunnen doen: vertellen over de doden.
Op hoop van zegen was een van de eerste toneelstukken die ik zag, op tv weliswaar, direct vanuit een schouwburg uitgezonden. Ik was heel jong, maar ik leerde meteen een van mijn eerste lessen over toneel: als de toneelspelers geloven in wat ze spelen, dan geloof jij het als kijker ook, en berg je dan maar! Eén keer gezien en gehoord hoe de jonge Marietje vertelt over dat ze haar verloofde Mees zag in de ruiten van haar huisje, het spookbeeld van een spookgezicht, en dat ze ging kijken buiten en ‘er was niks… niks als wind…’, dat vergeet je je hele leven niet meer. Ik weet het, de vissers verzuipen niet meer op die manier, en de kouwe-koteletten-bijstandszorg is vervangen door de voedselbank (een enorme vooruitgang!).
Maar de meerwaarde van deze ogenschijnlijk simplistische één-op-één-vertelling zit in de superieure wijze waarop ze wordt gebracht. En daar is hier – dank Heijermans – niets mee mis. Marisa van Eyle houdt het deksel zorgvuldig op de pot van haar Knier, de ene uithaal die overschiet gaat door merg en been. De als een nog niet gekaakte haring spartelende Maarten Heijmans in de rol van Barend toont een talent waar we nog veel plezier van gaan beleven. En Bart Klever schuurt wat kleine rollen op tot toneeldiamantjes en fungeert klokkenluidend ook als stille verteller. Ze zijn deel van een bijna ouderwets ambachtelijk spelend toneelspelersensemble. En voor ik het vergeet: ophouden met dat gezeur dat Heijermans zo weinig wordt gespeeld. Ten eerste valt dat enorm mee in de loop der jaren. En zo verschrikkelijk goed is dat volledige werk nou ook weer niet!

Tournee t/m 2 april. www.hettoneelspeelt.nl