Sylvain Ephimenco

Het sportisme

In beeld de ronddraaiende bagageband in de aankomsthal. Passagiers in trainingspakken wachten gedwee. Pathetische voice-over van Jack van Gelder: «Hier zijn dus de Oranje-koffers.» Stilte. «En ook de tassen van de atleten.» Surrealistisch en bizar: de Nederlandse televisie zond dinsdagochtend vier uur live televisie uit over de landing van een vliegtuig op Schiphol en het zoeken naar koffers. In het vliegtuig zaten sportmensen en wat medailles uit Australië. In de aankomsthal, mensen met oranje opblaasbare kapsels, Cora van Mora en veel vaste camera’s.

Dinsdagochtend. Dieptepunt voor ieder mens die nog wat gevoel voor proporties bewaart. Toppunt van debilisering. Hoogtepunt van het sportisme. Tijd dus om te constateren dat onze moderne westerse samenleving in de klauwen van het sportisme is gevallen. Voordat ik verderga, laat ik vooropstellen dat ik een gedreven sportbeoefenaar ben, het liefst in competitieverband. Al dertig jaar. Maar ik ben ook een verklaard tegenstander van het sportisme dat parasiteert op de prestaties van het lichaam en de geesten ontvankelijk maakt voor een spoeling van idioterie.

Sinds het einde van de negentiende eeuw heeft sport een royale plek in onze beschaving. In een eerste fase hebben totalitaire regimes ingezien hoeveel profijt ze konden hebben van de verheerlijking van het presterende lichaam. Nazi’s en communisten namen de sport spoedig in gijzeling. Lastige intellectuelen werden in strafkampen opgesloten terwijl sporters de velden werden ingestuurd. De geest als vijand, het gespierde lijf als bondgenoot. In sport kon het totalitarisme zijn waarden benadrukken. Discipline, hardwerken, opofferingsgezindheid, patriottisme, ontzag voor het leiderschap. Om medailles, records en dus prestige te oogsten waren alle middelen geoorloofd. Zie het krankzinnige voorbeeld van de DDR. Maar met het debacle van de ideologieën werd de weg voor het sportisme vrijgemaakt. Het sportisme is niet in dienst van een ideologie, dat is het zelf. Het is een gigantische illusie die ons de getroebleerde wereld door het prisma van een brede, vreedzame en sympathieke consensus laat zien. Geen gewapende conflicten meer, geen crises, krachs, opstanden en stakingen maar het presterende lichaam dat de bal in het doel duwt, de finish passeert. Het sportisme is van nature anti-intellectueel en werkt depolariserend. Het is kunstmatig gecreëerd door geweldige machten: commercie en (audiovisuele) media. Sponsorcontracten, reclame-inkomsten, tv-rechten en kijkcijfers zijn de steunpilaren van het sportisme. Maar om al deze belangen veilig te stellen is het noodzakelijk van het sportisme een nieuwe religie te maken. Een alomtegenwoordig geloof dat door vele dienaren aan de man wordt gebracht zodat zelfs de meest geharde sporthater een flinke kans op bekering maakt. Zonder tv zou het sportisme geen kans van slagen hebben. Niet vanwege de beperkte ruimte die stadions bieden voor miljarden toeschouwers, maar omdat het kijken naar een wedstrijd niet gelijk staat aan het absorberen van een ideologie. Daarvoor heb je dagelijks een enorme hoeveelheid uitzenduren nodig met voor- en nabeschouwingen, analyses van deskundigen, portretten, interviews, debatten. Sporters worden uit trainingskampen gehaald, of aan de rand van het sportveld gevraagd om emoties en bevindingen. Het resulteert in ongelooflijk armoedige vertoningen, omdat van het presterende lichaam geen verbale begaafdheid kan worden verwacht. En omdat sport zich niet leent voor een lange dissertatie over fysieke prestaties. Het deert het sportisme niet. Zijn doel is ruimte in de ether in beslag te nemen. Zich te vermengen met het echte nieuws, ingangen in de politiek, literatuur of kunst te vinden met de hulp van schrijvers, cabaretiers of andere bekendheden. Het sportisme trekt het algemene cultuurniveau omlaag om toegankelijk te zijn. Over tientallen jaren zal dankzij het sportisme onze vocabulaire uit nog maar een paar uitdrukkingen bestaan: wat ging er door me heen? Fantastisch, ongelooflijk. Dat het mij moet overkomen!