HUGO CLAUS 1929-2008 (I)

Het spreidt mij

Niet bang voor poëzie zijn, was ook bij het schrijven van proza het credo van Hugo Claus. En: ‘Ik schrijf mijn eigen taal, de taal die ik maak.’ Een stelregel die geleid heeft tot een uniek, onvergelijkbaar oeuvre dat over honderd jaar nog even gretig gelezen en bestudeerd zal worden als bij des schrijvers leven. Op de volgende bladzijden een voorschot hierop, met een beschouwing over zijn proza en zijn poëzie. Want hij mag dan wel zogenaamd gestorven zijn, klaar met Claus zijn we nooit.

Wie eenmaal dankzij hem de magische drempel is overgestoken van lectuur naar literatuur zal Hugo Claus nooit meer los kunnen laten.

Achteraf bezien, natuurlijk, altijd achteraf, maakte Hugo Claus zijn schrijverschap wonderbaarlijk rond met de publicatie van de novelle die hij in 2000 in opdracht van De Bijenkorf schreef. Toen al was het bijna vervreemdend, zo’n mooie novelle waarin iedere zin fonkelde, zo achteloos uitgegeven met het keurmerk van een modemagazijn erop. Maar nu, met de wetenschap dat de schrijver wie weet al hoe lang bang was dat de woorden aan hem zouden ontglippen, krijgt wat zijn laatste prozawerk zou zijn een navrante lading.
And yet the beauties that I loved/ Are in my memory, citeerde hij Yeats als motto voor deze novelle, geti-teld Een slaapwandeling. Hierin laat Claus zijn protagonist dwalen door de lange gangen van diens fa-lend geheugen. Man komt thuis bij zijn vrouw en verhaalt van twee hoogtepunten op zijn dag: een bot-sing met ‘een demente fietser’ en het weerzien met een oude vriend. Vooral dat laatste is aanleiding voor hem even te gaan liggen, met een valiumtabletje achter de kiezen. Het is het begin van een hallu-cinerende halfslaap, tijdens welke hij opeens, met een schok klaarwakker, beseft dat de vrouw aan wie hij die middag is voorgesteld door de oude vriend, twee jaar lang zijn grote liefde is geweest. Er was al iets raars gebeurd toen hij haar de hand drukte die middag. Zij praatte tegen hem, maar hij kon haar niet verstaan. Erger nog, hij werd doodsbang en kon zelf de woorden niet meer goed krijgen. ‘Nee, opa wil niet witten. Ik bedoel zitten.’ Alleen het laatste wat ze hem toevoegde, verstond hij: ‘Je bent altijd een klootzak geweest.’ Vlak daarvoor, toen zij hem maar bleef aankijken alsof hij haar pijn deed, had hij nog gestameld: ‘Het spreidt mij.’
Volgt een sprong uit bed, regenjas over pyjama, blote voeten in schoenen. En waar loopt zijn koortsach-tige zoektocht naar een verloren geliefde op uit? Op schimmige toestanden, een kotsende kat en veel versprekingen. Op grote inzichten, bijvoorbeeld ‘dat wij overgeleverd zijn aan taal en toeval en dat dit herkennen het enige is dat ons rest’. En ‘dat alleen willen weinig is, dat je om iets te bereiken moet be-geren’.
Begeren kon Claus als geen ander, en bereiken idem. Als negentienjarige denderde hij de literaire we-reld binnen met een novelle die een mythische allure had en waarin de hele Claus onmiddellijk aanwe-zig was: de vrije omgang met de taal allereerst, maar ook de context van het Vlaamse platteland, de zieke familieverhoudingen en het mysterie. Berucht is de zuinige reactie op Claus’ debuut van Elsschot, die het lezen van dit boek een opgave vond. Jaren na dato kon Claus, die toch al graag zijn critici op een mestkar door de straten had zien trekken, zich hier nog over opwinden. Wat nou eenvoud? Wat nou realisme? ‘De dingen van deze wereld zijn niet eenvoudig. Wie het realisme huldigt zou dat moeten er-kennen. Maar elke poging om aan de verwarring vorm te geven, wordt afgedaan met: hij verzandt in een woordenbrij.’
Een allemansschrijver, zoals Wolkers en Reve meer waren, is Claus nooit geworden. Daarvoor is zijn werk, om het maar even simpel te zeggen, te moeilijk, en om het iets ingewikkelder te formuleren: te idi-osyncratisch. Kritiek heeft hij dan ook altijd gekregen, ook op het inmiddels heiligverklaarde Het verdriet van België. Het is een taal die Vlaams aandoet, maar het niet is, werd met name door de Vlaamse critici gemord. Claus’ reactie: ‘Per definitie is het allemaal één groot artificieel knutselwerk wat wij denken te noteren als taal. En ik vind het ook de kracht en de charme van goede boeken dat je geconfronteerd wordt met een taal die geconcipieerd is door de auteur. Dat geldt voor om het even welke grote auteur. Door te schrijven concretiseert hij een taal die je in de werkelijkheid nooit hoort.’
Deze compromisloze poëtica is precies de reden dat Claus – of hij nu tot de grote drie, vier of zes gere-kend moet worden – én de meest internationale schrijver is gebleken én degene die waarschijnlijk het langst gelezen zal blijven worden. Zoals hij in Een slaapwandeling voor het laatst liet zien, was hij in staat te berichten van het raadselachtige gebied tussen hallucinatie en werkelijkheid, waarin een andere logica geldt en de dingen meer kloppen dan in het echte leven. Wie eenmaal dankzij De Metsiers, Om-trent Deedee en De geruchten de magische drempel is overgestoken van lectuur naar literatuur zal Claus nooit meer helemaal los kunnen laten. ‘Mijn ziel stottert, mijn woorden niet meer. “Tsjip, tsjip, tsjip,” zeg ik’ luidden zijn laatste woorden in Een slaapwandeling. ‘“Ik ben de kanarie die nieuwe neuro-nen gekregen heeft en veel nieuwe lieve liedjes zal kennen.”’ Het is zacht gezegd spijtig dat wij die nieuwe liedjes niet meer zullen kunnen horen.