Wachten op Fuchs val

Het Stedelijk Museum (een soap)

Achter de schermen is het geld voor een museum voor contemporaine kunst al bijeen gebracht. Maar is men klaar voor het idee? Het wachten is op nieuwe leiding in het Stedelijk. De stuurlui staan al opgesteld rond het kerkhof van Fuchs, trappelend om het roer over te nemen.

Nagenoeg alle grote internationale musea voor moderne kunst hebben zich de laatste tien jaar flink uitgebreid. Het Tate in Londen had daarvoor 200 miljoen euro tot zijn beschikking, het MoMa in New York 700 miljoen euro, waarvan de gemeente 100 miljoen betaalde, en het Centre Pompidou in Parijs is gerenoveerd voor 90 miljoen euro, waarvan de staat 80 miljoen betaalde. Ook trokken musea voor moderne kunst nog nooit zoveel bezoekers. In Amerika werd afgelopen jaar zelfs de magische grens van een miljard overschreden. Kortom, het gaat goed met de internationale musea voor moderne en hedendaagse kunst.

In héél de westerse wereld? Nee, in een klein land aan de noordwestkust van Europa verpieteren de belangrijkste musea voor moderne kunst. Het land dat de meeste musea per hoofd van de bevolking telt, krijgt het niet voor elkaar de allure te behouden van die paar contemporaine kunstmusea met een internationale reputatie.

Nadat de verkiezingen een kunstonvriendelijk klimaat in Rotterdam schiepen, gooide Chris Dercon, de eigenzinnige directeur van het museum Boijmans Van Beuningen, afgelopen week de handdoek in de ring. Hij vertrekt naar Duitsland, terwijl de renovatie van zijn museum nog altijd niet is voltooid. In Amsterdam besloot de gemeente het belangrijkste museum voor twintigste-eeuwse en hedendaagse kunst niet meer dan 56,7 miljoen euro te geven, net genoeg om de opgelopen exploitatiekosten te dekken en het oude gebouw uit 1895 een opknapbeurt te geven. De plannen voor nieuwbouw, zowel aan het gebouw in de Paulus Potterstraat als in Amsterdam-Noord, zijn definitief van de baan.

Aan deze beslissing ging een eindeloze bestuurssoap vooraf die dertien jaar geleden begon. Op de balans staat inmiddels negen miljoen euro weggegooid geld. Ontwikkelingskosten. Het eerste deel ging naar de Amerikaanse architect Robert Venturi, een tweede naar de wereldberoemde Portugese architect Álvaro Siza. De laatste moest de beslissing van de gemeente vernemen van de Spaanse correspondent van NRC Handelsblad. Siza reageerde verbijsterd. «Zeven jaar heb ik eraan gewerkt. Het ene ontwerp na het andere. Weet Fuchs dit al?»

Fuchs weet het, maar is niet bereikbaar voor commentaar. Hij was toen de gemeente haar beslissing nam met Mulisch’ herenclub op bezoek bij Gerrit Komrij in Portugal. Maar aan andere stemmen geen gebrek. Bijna de gehele kunstwereld beklaagt zich. Honderden mensen ondertekenden een petitie waarin de beslissing van de gemeente de «doodsteek voor Amsterdam als internationale kunstenstad» wordt genoemd. De lijst ondertekenaars vormt een ware who is who in kunstenland (zie www.supportstedelijk.tk). Een rondgang leert dat voor sommige ondertekenaars het gedoe rond het museum het levende bewijs vormt van het mislukken van de deelraden en de hele besluitvorming rond het Museumplein. Voor anderen toont de gemeentelijke beslissing vooral de zwakte van directeur Rudi Fuchs, en weer anderen leggen de nadruk op de onmogelijkheid van Amsterdamse gemeentebestuurders groots te denken. Niet de minste onder hen, Ernst Veen, directeur van de Nieuwe Kerk, stelt dat je na dertien jaar «gedoe» de vraag kunt stellen of hier geen sprake is van «onbehoorlijk bestuur».

Ook in het buitenland is geschokt gereageerd op de beslissing van de gemeente om het Stedelijk met slechts 56,7 miljoen euro op te vijzelen. Een internationale museum organisatie waarvan onder andere Tate, MoMa en Centre Pompidou lid zijn, heeft het stadsbestuur opgeroepen alsnog het gevraagde geld uit te trekken voor de voorgenomen uitbreiding, om te voorkomen dat het Stedelijk zal afglijden naar de marge van de moderne kunst.

Opvallend is dat de drie directeuren van de momenteel belangrijkste en meest succesvolle Nederlandse musea de petitie tegen de gemeente niet hebben ondertekend: Wim van Krimpen van het Haags Gemeentemuseum, Sjarl Ex van het Centraal Museum en Kees van Twist van het Groninger Museum. Ze zijn opvallend stil de laatste dagen. Ex weigert commentaar. Van Krimpen is niet bereikbaar. Van Twist: «Die petitie is veel te eenvoudig gesteld. De kunstwereld wijst bestraffend naar de gemeente, terwijl iedereen boter op zijn hoofd heeft; het rijk, de vier voorafgaande D66-wethouders, de directie van het Stedelijk. De gemeente heeft het Stedelijk bij voortduring om een goed plan gevraagd. Dan moet je op een gegeven moment hard durven zijn. Dat kun je Belliot of Dales niet kwalijk nemen. Het is natuurlijk goed bedoeld van die buitenlandse musea — het Stedelijk is toch het belangrijkste moderne kunstmuseum van Nederland — maar zij kennen niet de finesses van de bestuurlijke ellende waarin we hier zijn geraakt.» Paul Mosterd, die vier jaar en onder vier verschillende opeenvolgende wethouders van Cultuur deel uitmaakte van het managementteam van het Stedelijk, bevestigt: «Er is na dertien jaar geklooi nauwelijks meer iemand te vinden die het hele dossier kent.»

Enkele jaren geleden besefte Fuchs de noodzaak van een uiteengezette visie, een strategie of plan. Twee jaar geleden verscheen het rapport Het museum als school. Een uiterst ondoorgrondelijk plan, waarin het al mis gaat bij de titel. Met «school» bleek Fuchs niet naar een onderwijsinstelling te verwijzen maar naar een school in de zin van de school van Rubens, de school van Dibbets et cetera. Het rapport geeft allesbehalve de contouren van een integrale visie op het Stedelijk en op de plek die het zou moeten innemen in de Nederlandse en internationale kunstwereld.

De gemeente liet zich er niets aan gelegen liggen. Ze maakte inmiddels eigen plannen. In plaats van de Siza-nieuwbouw op het Museumplein beloofde ze «de mogelijkheid te onderzoeken» ergens langs de Zuidas een nieuw museum van de 21ste eeuw te laten verrijzen. In werkelijkheid liggen de plannen voor een nieuw museum er al langer. Achter de schermen is er zelfs al geld voor gevonden. Behalve uit de verkoop van grond rond de Zuidas (gemeentegeld) zal de ING Bank meebetalen. Ook de ABN Amro heeft oren naar medefinanciering. Dit hebben de banken nog niet officieel naar buiten gebracht.

In de gesprekken die de afgelopen maanden over dit nieuwe museum zijn gevoerd tussen gemeente, het Stedelijk en de Nederlandse bankwereld liep iets niet goed, waardoor wethouder Belliot zich genoodzaakt voelde een voorlopige beslissing te nemen: geen geld voor de door Fuchs voorgestelde nieuwbouw, maar wel de mogelijkheid verder na te denken over een museum van de 21ste eeuw. Dat geld wacht wel. Dales, die woedend is over de petitie en andere protesten, toonde iets van de aard van de problematiek toen hij geërgerd opmerkte: «Als ik museumdirecteur zou zijn, zou ik opgewonden raken van de komst van een nieuw museum.»

Maar niet iedereen loopt warm voor de scheiding tussen contemporaine en moderne kunst. Het probleem is, zo verklaarde Kees van Twist onlangs in een lezing te Leeuwarden, dat de discussie over zo’n scheiding in Nederland nog niet is gevoerd. Maar het treurige is vooral, zo zegt een van de ondertekenaars van de petitie, dat de directie van het museum zelf nooit met een soortgelijk plan is gekomen. Na dertien jaar wanbeleid klinkt elk plan van de gemeente ongeloofwaardig. Terwijl het idee van een apart museum voor contemporaine kunst eigenlijk helemaal niet zo gek is. Een ingewijde ondertekenaar: «Als het idee eerder was gekomen en met meer verve was uitgedragen, door een directeur met gezag bijvoorbeeld, dan was men nu absoluut enthousiast geweest. Bovendien had een directeur met meer visie, contactuele eigenschappen en gezag waarschijnlijk ook de nieuwbouw door Siza erbij kunnen krijgen.»

Directeur Fuchs heeft bij collega’s, critici en bezoekers al enkele jaren geleden zijn gezag verloren. Het begon al bij zijn aantreden, toen hij in een interview verklaarde dat het ideale museum voor hem een «stilteplek» is. Iedereen die weleens doordeweeks het museum bezoekt kan constateren dat Fuchs dit stilte-ideaal heeft gerealiseerd. Pas toen de bezoekersaantallen een bizar dieptepunt bereikten begon hij — ooit verklaard tegenstander van zogenoemde block busters of publiekstentoonstellingen — exposities te organiseren die hij «belevenissen» doopte en die hij liet samenstellen door zijn vrienden Mulisch en Komrij en later zelfs door de koningin. Hij haalde de hoon van critici op de hals door de kunstwerken van de uitgerangeerde, maar inderdaad bekende Amerikaanse acteur Dennis Hopper te exposeren. Later volgde een tentoonstelling van het middel matige schilderwerk van Kamagurka en momenteel zijn op een van de duurste tentoonstellingen die het Stedelijk de afgelopen jaren organiseerde (geen ander museum wilde de expositie overnemen) zelfs de schilderijen te zien van de onmiskenbaar tweederangs kunstenaar Colin McCahon. De onnavolgbare Fuchs beweert de Van Gogh van de twintigste eeuw te hebben ontdekt, maar elke bezoeker die meer dan eens een museum heeft bezocht ziet niemand anders dan een terecht onbekende schilder die in het begin van zijn carrière slappe kopieën maakte van grote moderne kunstenaars en zich aan het einde van zijn loopbaan volledig wijdde aan religieuze kitsch.

Op bestuurlijk vlak liep Fuchs vooral averij op met de kwestie-Audi. In het verleden had hij zich een notoir slecht cententeller en fondsenwerver getoond en tegenstander van een al te grote invloed van bedrijven op museaal beleid. Maar na herhaaldelijk aandringen van de gemeente besloot Fuchs een andere koers te varen.

Men eiste toch dat hij een sponsor vond? Dan konden ze die krijgen. Fuchs sloot een deal met Audi, een autofabrikant waar de gemeente hem op had gewezen. Het bedrijf eiste dat niet alleen de naam «Audi» aan de nieuwbouw zou worden verbonden, maar wilde ook inspraak in het artistieke beleid en verlangde de permanente aanwezigheid van een van hun auto’s achter de ramen aan de Van Baerlestraat. Toen ook nog bleek dat het niet om een gift van tien miljoen ging, maar om een lening, begreep iedereen dat Fuchs een ongekend slechte deal had gesloten met het bedrijf, dat van het museum zijn eigen showroom wenste te maken voor minder dan de gangbare huurprijs van een vestiging in het Amsterdamse centrum. Fuchs werd terug gefloten door de gemeenteraad, waarin men sprak van «Amerikaanse toestanden».

Tragisch is dat de toestanden met Audi allerminst «Amerikaans» waren. Toen de directeur Fundraising van het MoMa in New York ervan hoorde, reageerde hij geschokt. «Een auto in het MoMA? Nee, uitgesloten. Het bedrijfsleven weet dat sponsoring hier aan strikte regels is gebonden. We houden onze integriteit scherp in de gaten.»

Wellicht nog tragischer is dat anders dan aartsvijand Frans Haks, die in een eindeloze strijd met de gemeente Groningen uiteindelijk een heel nieuwe behuizing voor zijn museum heeft gerealiseerd, Fuchs helemaal niet «solistisch» of «eigenzinnig» is opge treden, zoals verscheidene gemeenteraads leden hem verweten na de zaak-Audi. Paul Mosterd benadrukt juist dat Fuchs zijn best deed als hoofd van een gemeentelijke dienst zijn oren te laten hangen naar zijn bazen. «Fuchs heeft geen andere positie dan de baas van het Havenbedrijf, de gg&gd of het GVB. Hij was juist degene die vastbesloten was alle stappen te zetten in overleg met het stadhuis. De initiatieven kwamen altijd van het stadhuis.»

Inmiddels lijken gemeente en Fuchs uit elkaar gegroeid. Anders dan Fuchs ziet de gemeente het succes van buitenlandse musea die nagenoeg louter contemporaine kunst tonen: Het Macba in Barcelona, MassMoCa in Massachussets en het beste voorbeeld is waarschijnlijk PS1, een dependance van het MoMa dat verder van Manhattan ligt dan de Zuidas van de Dam.

Een voordeel van een nieuw museum voor contemporaine kunst is dat het Stedelijk aan de Paulus Potterstraat meer van de collectie kan laten zien, in plaats van die naar Amsterdam-Noord te verplaatsen — wat beoogd was in het aanvankelijke plan van Fuchs. Natuurlijk zal er wel een betere afstemming en samenwerking moeten komen met het Van Gogh Museum (dat de meeste bezoekers trekt) en het Rijksmuseum dat in zijn laatste plan de merkwaardige, op zijn minst opvallende wens heeft laten opnemen ook twintigste-eeuwse kunst te gaan verzamelen. De gift van 220 miljoen euro aan dit museum (door de vorige regering apart gezet voor renovatie van het gebouw) toont overigens dat ook in de poldercultuur de overheid wel degelijk in staat is, mits goed bewerkt door het museum en met een verzorgde lobby in de Tweede Kamer, tot het maken van een groots museaal gebaar.

Niet de overheid of het onwelwillende bedrijfsleven, maar de directie van het Stedelijk Museum zou weleens het grootste obstakel kunnen zijn voor een groots museaal gebaar. Daarbij is het probleem niet alleen de persoonlijkheid van Fuchs, maar ook de speciale positie van de directeur van het Stedelijk. Hij is tegelijk wetenschapper, talentscout en beheerder. Bij Fuchs komen daar ook nog eens de predikaten «columnist», «schrijver» en zelfs «denker» bij. Hij geniet het prestige de hoeder te zijn van een omvangrijke Malevitch-collectie en van belangwekkende schilderijen van Matisse, Picasso en enkele abstracte expressionisten. Tegelijk wordt hij in galeries als een koning behandeld omdat hij een jonge kunstenaar eeuwige roem kan verschaffen. En soms behoort hij zich terug te trekken om zich wetenschappelijk te manifesteren.

Elk nieuw ambitieus plan doet afbreuk aan deze bizar riante positie. Bij de vorming van een nieuw museum voor contemporaine kunst beperkt de directeur ervan zich tot een bestuursfunctie en het scouten van vernieuwende of anderszins interessante kunstenaars. De achterblijvende conservatoren en de directeur in de Paulus Potterstraat richten zich op wisselende tentoonstellingen en op de presentatie van een internationaal vermaarde collectie. (Het Stedelijk noemt dit in een persbericht van maandag jongstleden onaanvaardbaar, maar het is niets anders dan het werk van elk zichzelf respecterend museum.) De kunsthistorische wetenschap wordt aan universitaire instellingen overgelaten en het bestuur van het museum is in handen van een bestuurder met visie, iemand die strategisch kan denken en handelen.

Zakelijk directeur Stein van Heusden is niet zo iemand. Hij is een ambtenaar die eerder niet voldeed op het ministerie en later mislukte bij het Boijmans. Hij voelt dat de dagen van Fuchs zijn geteld en volgens Het Parool van afgelopen zaterdag is hij een paleisrevolutie begonnen. Het is niet onbegrijpelijk en zeker niet toevallig dat nu de stoelendans rond de belangrijkste Nederlandse musea voor moderne kunst is begonnen, kandidaten als Van Twist, Ex en Van Krimpen het verdommen een petitie te ondertekenen die de schuld volledig bij de gemeente legt. Terwijl iedereen rond het sterfbed van Fuchs in klaagzangen over elkaar heen buitelt, weten zij dat er geld op hen ligt te wachten. Op één van hen, tenminste.