Het sterfbed in de verkiezingsstrijd

De dood als verkiezingsthema, ik kan me niet herinneren dat ik dat eerder heb meegemaakt. Het is ook niet het meest naar voren geschoven thema in de interviews en opgewonden debatten van dit moment. Maar het was er. Twee keer waardig en een keer banaal.

Ik was onder de indruk van Alexander Pechtold. Eerst in De tafel van Tijs in een gedachtenwisseling met Gert-Jan Segers van de ChristenUnie.

Tijs van den Brink: ‘U heeft een voorstel gelanceerd dat voltooid leven mogelijk kan maken, dat je dan met behulp van stervensbegeleiding er een eind aan kunt maken. De ChristenUnie is daarop met een reactie gekomen: met een plan “Volwaardig oud worden”. Wat vindt u van dat plan, eigenlijk?’

Pechtold: ‘Fantastisch. Ik heb ernaar gekeken: het zijn tien punten. En de eerste negen daarvan kon ik zelf al zien, nou, betere woonvormen, betere begeleiding: prachtig. Bij de tiende had ik even de vraag: “Klopt dit?” En toen zei Pia Dijkstra, die bij ons een deel van de zorgportefeuille doet: nee hoor, zijn we het ook mee eens.’

Van den Brink: ‘Dan zou u uw handtekening eronder kunnen zetten.’

Segers: ‘Mooi moment.’

Dat is de Nederlandse polder op zijn best.

Het tweede optreden hebben denk ik meer mensen gezien. Het plan van D66 stelt de leeftijdsgrens voor hulp bij zelfdoding op 75 jaar. Daarmee maakt het plan kans op voldoende acceptatie. Maar in Nieuwsuur werd Pechtold overrompeld door de confrontatie met de 57-jarige Martin Kock: ‘Ik moet achttien jaar wachten. En ik heb geen zin meer om achttien jaar te wachten. Ik wil nu.’ Het tweede optreden hebben denk ik meer mensen gezien. Het plan van D66 stelt de leeftijdsgrens voor hulp bij zelfdoding op 75 jaar. Daarmee maakt het plan kans op voldoende acceptatie.

Pechtold: ‘Dat is heftig. En… Ik wist niet dat u hier met deze vraag zou zitten. Dit is mijn persoonlijke mening, dat ik vind dat in een beschaving denken over de dood iets is wat het individu aangaat. Je hebt niet gevraagd om op de wereld gezet te worden. En als je vol verstand zegt “het is genoeg”, het is mijn persoonlijke mening.’ Waarna hij uitlegde dat die leeftijdsgrens er wat hem persoonlijk betreft niet zou hoeven te zijn.

Tussen Kocks ‘Ik wil nu’ en Pechtolds ‘Dat is heftig’ was het vier seconden stil. Op de televisie duren vier seconden lang. Ik vond het een verademing, die vier seconden.

Wat een verschil met het gehaaste door elkaar spreken in al die andere debatten. En al die onzin over onze identiteit. Ook over het sterven werd onzin verkocht. Tunahan Kuzu beweerde op grond van verhalen die hij had gehoord dat artsen bij oudere patiënten met een migratieachtergrond eerder ‘de stekker eruit trekken’. Drie Turks-Nederlandse artsen maakten per ingezonden brief in de Volkskrant duidelijk dat de bewering ongefundeerd is en schadelijk voor het vertrouwen. In de NRC reageerde een verpleegkundige, Maria Bakker:

‘Sterven is een zeer persoonlijke aangelegenheid en het respect dat wij als medisch personeel tonen door ons aan te passen aan de persoonlijke visie en wensen van patiënten gaat ver, voor patiënten van elke cultuur of persoonlijkheid. In uw cultuur betekent dit dat er in de laatste fase 24 uur per dag soms wel 25 mensen in en uit de kamer van de patiënt lopen. Elke handeling van ons wordt met grote interesse en door vele wakende ogen geobserveerd. Je moet van goeden huize komen, meneer Kuzu, om in zo’n ruimte ergens een stekker uit te trekken.’

Het beeld van 25 mensen bij het sterfbed herinnerde me aan Erasmus. Hij beschrijft ook zo'n overvolle sterfkamer: in Het lijck, Of D’onghelijcke uyt-vaert. Een doodzieke legerkapitein laat twaalf artsen komen. Die besluiten niet tot een eensluidende diagnose, en laten hem weer alleen. Meteen daarop komen er vertegenwoordigers van alle bedelorden en daarna een parochiepriester om de man de biecht af te nemen en de sacramenten toe te dienen. Daarna volgen er onderhandelingen over de erfenis en de organisatie van de begrafenis. Dan wordt de biecht herhaald, de kapitein wordt met wijwater besprenkeld, de omstanders mompelen psalmen en twee bedelmonniken schreeuwen hem nog een paar garanties voor het heil van zijn ziel in beide oren. Terwijl hij overlijdt spreekt een van de monniken nog snel de absolutie uit.

Erasmus pleitte tegen deze praktijk, die tot in de achttiende eeuw bestond. Maar in humanistische kringen ontwikkelde zich het intieme karakter van het sterven waar wij aan gewend zijn geraakt. De angst voor de hel veranderde in de vreugde een goed en zinvol leven te kunnen leiden.

Bert Keizer reageerde in Trouw op Kuzu. Hij verraste mij met zijn uitleg over de pijnbestrijding: ‘Mocht de benodigde pijnstilling ertoe leiden dat de zieke het bewustzijn verliest, of dat hij wat eerder doodgaat, dan nemen we dat allemaal voor lief. Het devies is: als ze maar niet lijden, dan gaat het goed. Het moslimsterfbed gaat heel anders. Het idee dat je de dood binnenvraagt of versnelt is hen een gruwel.’

Tegen zijn gevoel in heeft Keizer daarom vaak moeten afzien van pijnbestrijding: ‘De bijwerking van morfine is dat iemand slaperig wordt, of zelfs het bewustzijn verliest, waarop de meeste mensen zouden zeggen: mooi werk. Maar niet aldus in de ervaring van een moslim die zo bewust mogelijk biddend wil sterven.’

Het is op z’n minst interessant dat het sterfbed waar Erasmus tegen pleitte weer terug is. Maar het is wel heel treurig dat Kuzu nu een nieuwe angst probeert toe te voegen aan de angst voor wat er na de dood gebeurt: de angst dat, in zijn banale woorden, de stekker er te vroeg uit wordt gehaald.

Het sterfbed in de verkiezingsstrijd: terwijl de een stemmen wint met een beschaafde gedachtenwisseling wint de ander ze door angst te verspreiden.