Het stinkt achter de dijken

Tjonge, minister De Boer chanteert de Nederlandse politiek! De minister van Milieubeheer heeft voor de tweede keer in korte tijd verklaard niet mee te willen doen aan een nieuw kabinet als dat niet een strenger milieubeleid gaat voeren. De eerste keer was in maart in het tv-programma Buitenhof, toen zij het begrip factor 4 lanceerde: de economie moet bij gelijkblijvende produktie viermaal milieuvriendelijker worden.

De tweede maal was anderhalve week geleden bij het uitkomen van de jaarlijkse Milieuverkenningen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Dit rapport stelt vast dat het Nederlandse milieu niet schoner maar juist vuiler wordt. De economische groei doet het effect van de milieumaatregelen teniet. De energie-intensieve industrie, de mobiliteit en de intensieve veeteelt en landbouw zorgen voor een niet te stuiten vervuiling van lucht, atmosfeer, water en bodem. ‘De kwaliteit van de leefomgeving’, zo constateert het RIVM in ambtenarenproza, 'neemt hierdoor af.’
Een ernstige zaak, want we willen natuurlijk allemaal dat het goed toeven blijft in Nederland. De Boer neemt, gezien haar dreigement op termijn af te treden, de waarschuwing van het RIVM serieus. Maar er is iets mis met haar fermheid.
Toen De Boer haar dreigement voor het eerst uitte, riep dat vooral meewarigheid op: gaat de minister er nog van uit dat ze mag terugkeren? Nu ze haar dreigement heeft herhaald, rijst vooral de vraag waarom ze niet dreigt met onmiddellijk aftreden. Als het huidige milieubeleid niet goed genoeg is voor een volgend kabinet, waarom dan wel voor dit kabinet? Nu zit ze nog aan tafel, straks niet meer. Waarom eist De Boer niet meteen een beter beleid?
In de tijd tussen de twee uitspraken heeft De Boer minstens één prachtige kans op verscherping van het beleid laten liggen. Begin juni kwam de nota Milieu en Economie uit waar De Boer samen met haar collega Wijers dit voorjaar aan heeft geschreven. In de nota proberen de ministers drie procent economische groei te verzoenen met een schoner milieu. Volgens het RIVM kan dit alleen met een economie die minder leunt op de zware en energie-intensieve industrie, transport en landbouw en zich meer richt op een kennisintensieve dienstverlening. Daarvoor zijn nodig een prijsbeleid (een heffing van vijftig procent op de energieprijs is een begin) en een volumebeleid (verkleining van de veestapel). Dit zijn politiek impopulaire maatregelen en de nota zwijgt hierover. Ze staat bol van de goede bedoelingen, maar bevat geen enkele aanzet tot een ander beleid. Een volgend kabinet dat groen genoeg is voor De Boer zal haar eigen nota subiet naar de prullenbak verwijzen.
Maar die nota is als gezegd niet alleen van De Boer. Ook Wijers zou zich na de conclusies van het RIVM moeten verantwoorden. Het RIVM maakt niet voor het eerst duidelijk dat de milieuproblemen in de economie zitten en de oplossingen dus van Wijers’ ministerie moeten komen. Het is voor een groot deel Wijers aan te rekenen dat het milieubeleid tekortschiet. Hij speelt De Boer steeds alle kaarten uit handen. Het poldermodel is een succes, economisch hebben we droge voeten, maar het begint wel te stinken achter de dijken.