Het stofjaar 1877

VOOR DE GROTEN der Aarde was 1877 een verloren jaar. De uitgeputte Karl Marx sloeg de tijd stuk in het kuuroord Neuenahr in het Rijnland. Hij correspondeerde met Engels over de Turks-Russische oorlog van toen en calculeerde dat ‘de nederlaag van de Russen in Europees Turkije direct zal leiden tot een revolutie in Rusland’. Maar de Russen wonnen. En dat was dat.

In een Nietzsche-biografie wordt 1877 weinig heroïsch geboekt als ‘het verlofjaar’; evenals Marx kuurde de kwakkelende Nietzsche wat. Hij maakte reisjes, hoopte te trouwen en schreef aan zijn Menschliches, Allzumenschliches.
August Strindberg deed heel 1877 niet veel anders dan wachten op zijn geliefde, zou dat wachten pas in 1901 verwoorden in Een droomspel, maar trouwde nog net op 30 december 1877 met de door hem aanbeden actrice Siri von Essen. Een gelukkig huwelijk zou het niet worden.
Geen snipper tekening is er bekend van Vincent van Gogh uit het jaar 1877. In de eerste helft van het jaar mislukte hij als boekverkoper, in de tweede helft begon hij een rampzalige studie voor dominee. Aan zijn broer Theo schreef hij dat jaar: 'Mijn hoofd is soms dof en dikwijls gloeit het en is mijn gedachte verward - hoe ik al die moeilijke en uitvoerige studie erin moet krijgen, ik weet het niet - om na die veelbewogen jaren nog aan een eenvoudig geregeld werken te wennen en erin te volharden, is niet altijd gemakkelijk.’
De eerste spoorweg tussen Oost en West legt de Verenigde Staten open en het Suezkanaal wordt geopend: 1869. Het Franse keizerrijk komt ten val na de oorlog met Duitsland verloren te hebben: 1870. De Commune van Parijs komt op en gaat bloedig ten onder: 1871. De Britse journalist Stanley heeft midden in Afrika eindelijk die beroemde, verloren gewaande ontdekkingsreiziger gevonden: 1871. De beroemde tentoonstelling van de impressionisten in Parijs: 1874. Het Nederlandse kinderwetje van Van Houten: 1874. Bell vindt de telefoon uit: 1876. Het Noordzeekanaal wordt geopend: 1876. De eerste elektrische straatverlichting: 1879. Dostojevski en Billy the Kid sterven: 1881.
Er gebeurde wel wat in 1877 natuurlijk. Het eerste tennistoernooi op Wimbledon. De Engelse koningin Victoria wordt ook keizerin van India. Edison vindt de fonograaf uit. In Japan vindt de samoerai-opstand plaats. Er is de Russisch-Turkse oorlog. Hayes, die een van de onbekendste presidenten van Amerika zal zijn, wordt geïnaugureerd. De twee satellieten van Mars worden ontdekt. De oud-president Adolphe Thiers, die de Commune van Parijs onderdrukte, overlijdt, evenals de schilder Courbet, die nog had deelgenomen aan de Commune. Men begint aan de bouw van het Rijksmuseum. Maar dat was het wel zo'n beetje.
HET JAAR 1877 begint in Nederland met een stapje verder richting regulering. Een bericht uit de Haarlemsche Courant: 'Zandvoort, 1 januarij. De commissie alhier, wier streven het is, het nieuwjaar wenschen langs de huizen tegen te gaan, mogt zich ook dit jaar verheugen in een vrij algemeene medewerking der ingezetenen. Langzamerhand komt zij het beoogde doel nabij. De nieuwsjaarswenschers worden met ieder jaar geringer in aantal en beginnen zich al vrij goed te beperken tot hen, die in zeker opzigt regt hebben op eene nieuwjaarsfooi. Trots den hevigen storm, die wolken zand voor zich uitdreef, hadden zich hedennamiddag op den bepaalde tijd honderden kinderen op de uitdeelingsplaats verenigd en ieder hunner ontving daar een tiencents-broodje.’
Regels. En van regels naar kalmte. Tot het af en toe ergens heel erg misgaat. Uit de Haarlemsche Courant van 10 januari: 'Zondag-avond heeft zich eene dienstmeid te Gouda zoo kwaad gemaakt, omdat harer vrijer, welken zij stil binnen had gelaten, niet bij haar in de keuken mogt blijven, dat zij een hevig toeval, gepaard met zware neusbloeding, kreeg en spoedig daarna is overleden, niettegenstaande er dadelijk geneeskundige hulp is geboden.’ Zo gaat dat als je je niet aan de regels houdt.
In de gezellige rubriek Nieuwtjes van den dag en allerlei van De Hollandsche Illustratie op 16 maart werd nog eens gewezen op de regels die men in acht diende te nemen bij het schouwburgbezoek. Het liep werkelijk de spuigaten uit. De chaos lag op de loer. Dames droegen hoge hoeden in de zaal. Men kwam te laat, ging te vroeg weg, dit alles met veel kabaal. 'Door het toejuichen echter midden in het bedrijf van een drama en vooral van een treurspel wordt de hinderlijkste stoornis te weeg gebracht; de aandachtig luisterende toehoorder wordt uit zijn illusie gerukt; hij wordt boos en maant door gesis tot stil-zijn aan; de akteur weet niet of dat sissen de verstoorders van de orde geldt of hem, en geraakt in de war.’
Alles kan ieder moment misgaan. Daarom moet je heel kalm, heel langzaam…
Je kijkt naar foto’s uit de jaren zeventig van de negentiende eeuw en je ziet niemand gevangen in beweging - iedereen stond al stil. Met een hoge hoed op starend in het apenhuis. Een pijpje rokend op de brug. Een man versteend op een boot. Een vrouw heeft de handen, moe voor altijd, in de zij gezet. Lege straten. Een mager paard sleurt stapvoets zijn tram. Huizen van twee, drie eeuwen oud.
In de journalistiek groeit een klein beetje opstand tegen het algehele inkakken. Zo opende Tubantia, Volkscourant voor Twenthe, op 13 januari 1877 bozig: 'Er heerscht op het oogenblik eene doodsche kalmte in de politiek. De leden der Tweede Kamer zullen, tot groote ergernis van niet weinigen, vacantie houden tot den 12den Februari, terwijl inmiddels de Eerste Kamer de begrootingen zal behandelen, die, volgens grondwettelijk voorschrift, reeds vóór 1 Januari hadden behandeld moeten zijn.’
OUDE FOTO’S. WAT zie je? Twee gezette mannen, een kalend, in een witte jas, de ander in het zwart, een pet, een snor, ze maken rustig, handen op de rug, een praatje op de hoek Utrechtsestraat-Kerkstraat. Misschien bespreken ze wel de actie van een concurrent in de herenkledingbranche, die wakker was waar zij dat niet waren en met een toverlantaarn een manier van adverteren had bedacht waarmee hij de kranten haalde. Uit de Haarlemsche Courant van 23 april: 'Een nieuwe manier van adverteren, door middel van lichtbeelden, is donderdag-avond te Amsterdam in toepassing gebragt voor een magazijn van heeren-kleedingstukken in de Kalverstraat. Een tooverlantaarn, onderaan van eene lens voorzien, was aan het balcon bevestigd en projecteerde den naam Oostmeijer in flinke lichtletters in een halven cirkel op het trottoir. Dat deze nieuwigheid gedurende den geheelen avond een aantal nieuwsgierigen trok laat zich denken.’
Die twee op de hoek zullen het wel niet over ruimtelijke ordening gehad hebben. Dat was wèl het onderwerp van discussie tussen de heren P.N. Muller en S. Vissering in De Gids van 1877. Muller schreef uitgebreid en bezorgd over Amsterdam, te beginnen met een rondwandeling waarin hij zich uitputte in beschrijving. Over de Kalverstraat: 'Nooit is de straat doodsch, nooit verkwikt daar de stilte. Aan elk der beide uiteinden verkondigt klokkespel luide tot zelfs de kwartieren van elk uur, en in het midden verscheurt de krijschende muziek van een danshuis op onbarmhartige wijze de ooren van den eenzamen voorbijganger, terwijl tal van draaiorgels en harmonica’s begeleid worden door zingende solisten en slenterende groepen van mannen en vrouwen wier taal te minder hoogen dunk geeft van den beschavende invloed van het volksonderwijs, omdat ze die gedrukte schandliederen blijkbaar kunnen lezen.’
Muller maakte zich zorgen over de toekomst van Amsterdam, dat na de aanleg van het Noordzeekanaal wel eens zou kunnen wegkwijnen vanwege een opbloeiende havenstad bij IJmuiden, vanwaaruit men tenslotte zo op zee is. Vissering pleit juist voor een westwaartse ontwikkeling van Amsterdam (die pas een eeuw daarna werkelijk zou plaatsvinden) in zijn stuk 'De toekomst van IJmuiden’. Vissering blijkt een vroege denker over ruimtelijke ordening, wat een opkomend punt van zorg geweest moet zijn in die tijd, ook al omdat men zich, getuige ingezonden brieven in kranten, al flink druk begon te maken over de bevolkingsexplosie.
En met recht: binnen een eeuw ging Nederland van twee naar drie miljoen inwoners. Vissering, zijn tijd ver vooruit, wist al dat je eerst naar draagvlak voor je ideeën moest zoeken. Over IJmuiden: 'Het is bestemd, niet alleen om Amsterdam’s zeehaven, maar ook om Amsterdam’s lustplaats te worden. Dit is zóó waar, dat in de gemeenzame gesprekken, die men in koffiehuizen en spoorwagens kan afluisteren, deze bestemming bijkans als de belangrijkste op de voorgrond treedt. En in waarheid, ik kan mij gemakkelijk voorstellen, dat een ingezete der stad, wien de dagelijkse plichten van beroep en bedrijf niet vergunnen, in het buitenleven te Bloemendaal of in het Gooi of op de Veluwe verademing te zoeken, of van het zeebad van Zandvoort of Scheveningen verfrissing te vragen, of reistoertjes langs Rijn en Moezel en Maas te ondernemen, opgewonden wordt met het denkbeeld van een lekkeren zomeravond, na den roezigen dag aan zee bij IJmuiden genoten.’
VERADEMING ZOEKEN. Verfrissing vragen. Het was hard nodig ter overleving in een wereld van stress en ontregeling. Neem nu het allochtonenprobleem. Uit het Zondagsblad van De Standaard, op 22 april: 'Het laat zich begrijpen dat velen met afkeuring getuigen zijn geweest van het concert der Negerzangers in de Westerkerk, waar zelfs het Ned. Bijbelgenootschap zijne vergadering niet mocht houden. Dat het zoover kon komen in eene gemeente als die van Amsterdam is, wat moeielijker begrepen wordt. Evenwel, de Negerzangers zijn vreemdelingen, en de ziekelijke zucht voor den vreemde, die bij sommige menschen tot eene werkelijke manie overslaat, maakt vele dingen duidelijk.’
Bij De Hollandsche Illustratie dacht men overigens heel anders over de kennelijk al enige tijd door Nederland trekkende negerzangers, want al op vrijdag 9 maart 1877 viel daar te lezen: 'De neger-zangers toch zingen voortreffelijk, niet als onze opera-artisten, maar als kinderen der natuur, die op de meest dichterlijke wijze weten wat in hun ziel omgaat. Nu eens ruischt hun lied melancholiek daarheen en is hoorbaar in slavernij geboren gelijk de zanger zelf, dan weêr klinkt en jubelt ons de juichtoon tegen van den vrij geworden, van zich-voelende mensch. Kortom de zangrijke kleurlingen verheugen zich overal en te recht in den meesten bijval.’
DE KRANTEN stonden in 1877 vol van vooral drie dingen: de Russisch-Turkse oorlog, het overlijden van koningin Sophie en de Atjeh-oorlog.
Dat de informatiehonger over de Russisch-Turks oorlog groot was, mag blijken uit een veelheid van advertenties, met schaamteloze koppen als 'Oorlog! Oorlog!’, waarin bijvoorbeeld kaarten werden aangeboden van het oorlogsgebied aan de Zwarte Zee. Er werd nog nauwelijks gevochten of je kon al inschrijven op uit te komen geïllustreerde boekwerken. Maar de berichtgeving over de Atjeh-oorlog, ook de Achin- of Atsjin-oorlog genoemd, sloeg alles. Hele voorpagina’s gingen op aan de meest gedetailleerde (en subjectieve) berichten van militairen ter plekke. Ook eindeloze lijsten met gesneuvelden en gewonden, waarbij men zich tot in de ongelukkigste details uitputte: 'F. Van Wassenhove, geb te Aeltre (België) door als schildwacht binnen de versterking Lambaroe afgelost wordende, op het banket uit te glijden, te vallen en bij het grijpen van zijn geweer dit aan de tromp te vatte, 12 april id, schot aan wijs- en middenvinger der regter hand.’
Een algemener overzicht trof je slechts bij uitzondering in de kranten. Bijvoorbeeld op 26 mei in de Haarlemsche Courant: 'De toestand in het onderworpen gedeelte van Groot-Achin zou dus naar omstandigheden zeer bevredigend zijn, indien niet nog een groot deel daarvan, ten gevolge van het verwoesten van de kampongs door onze troepen en het vlugten der bevolking, onbewoond en om zoo te zeggen verwilderd was.’
Hoe de inlanders eronder te krijgen? Met knoet of met zachte dwang? De heer W.A. van Rees ergerde zich, getuige zijn artikel 'De Atjeh-zaak’ aan het slappe gedrag van de Nederlanders ter plekke: 'Ongetwijfeld ware het veel aangenamer, kreeg onze rol van overheerscher een veel zachter tint, als de Atjeher zich zonder verzet had onderworpen: maar nu hij zijn vrijheid met hand en tand verdedigt, nu hij, ofschoon reeds dikwijls getuchtigd, onze souvereiniteit blijft weigeren, die evenwel voor ons koloniale bestaan onmisbaar is, - nu blijft er niets anders over dan hem tot onzen wil te dwingen. De vergelijking moge minder vleiend zijn, maar het gaat met Indische volken, die op een lagen trap van ontwikkeling staan, als met jonge honden. Hoe strenger de kastijding in den beginne geweest is, des te getrouwer zij later blijken te zijn.’
Hoezeer de inboorlingen enkel ingeschat worden op economisch belang, bleek ook uit een observatie in een reisverslag uit Nieuw-Guinea, afgedrukt in de Haarlemsche Courant van 18 april: 'Al de inwoners die Goddie gezien heeft, waren van een krachtigen lichaamsbouw, geschikt om met groote snelheid 5 à 6 mijlen ver zware lasten te dragen.’
EN DAN WAS er nog de begrafenis van Sophie, moeder des vaderlands. Omdat het volk er nog niet via tv van kon genieten, brachten de kranten speciale edities uit, waarin men zich uitputte in zo compleet mogelijke beschrijvingen. Uit het Bulletin van Het Vaderland op 20 juni 1877: 'Toen de heeren, die het lijk in den rouwwagen zouden plaatsen, zich daartoe gereedmaakten, was ’t alsof de dames die ’t omringden, er niet van konden scheiden. Het waren heete tranen van liefde en trouw, die op dat oogenblik werden geweend, en de bloemen- en immortellenkransen, die door haar op de lijkbaar waren gelegd, bleken nog te zwakke tolken van de smart van de edele vrouwen, in wier herinnering voorzeker een Vorstelijke Meesteres als Koningin Sophia was, dankbaar en onvergankelijk zal blijven voort leven.
Bijna alle woningen in de straten, die de lijkstoet passeerde, waren beneden gesloten of de winkelhuizen van rouwuitstallingen voorzien. Van vele huizen was een oranje- of nationale vlag, halfstok en met zwarte wimpel of rouwvloers bedekt, uitgestoken, terwijl overigens aan alle vensters, gelijk langs de pleinen en straten, voor den tocht aangewezen, een menigte stedelingen, maar vooral vreemdelingen, hadden post gevat, om met weemoedigen blik en veelal met een betraand oog het stoffelijk overschot van de beweende koningin grafwaarts te zien brengen.’
Dat was nog eens verdriet. Maar wel volgens de regels.