Niet alleen rechts ontkent de feiten

Het straatje van links

Wetenschapsontkenning is iets van rechts, klinkt het vaak. Kijk maar naar het klimaatdebat. Maar ook links heeft blinde vlekken en heilige huisjes.

Medium hh 50087910
Schoorldam, een veld met genetisch gemodificeerde spruiten wordt met plastic ingepakt door Greenpeace © Bert Verhoeff / HH

‘Climate change is real!’ ‘Science reveals reality!’ ‘Respect evidence, protect science!’ ‘We need thinkers, not deniers!’ ‘Scientific facts are not alternative facts.’

Zomaar een paar leuzen die op kartonnen borden omhoog gehouden werden tijdens de March for Science, die april vorig jaar in zeshonderd steden verspreid over de wereld plaatsvond. Officieel moest de mars het belang benadrukken van zorgvuldig en systematisch verzamelde kennis, als basis voor duurzame vrijheid en vooruitgang. Maar de onderliggende boodschap is duidelijk: wanneer een rechts-populist als Donald Trump aan de macht komt, zijn wetenschappelijke feiten niet veilig.

Donald Trump heeft inderdaad niet veel op met feiten die hem slecht uitkomen. Vandaar dat hij de term ‘alternatieve feiten’ muntte, Amerika terugtrok uit het klimaatakkoord van Parijs en de Environmental Protection Agency (epa) verregaand aan het ontmantelen is. En Trump is niet de eerste Republikeinse president met die neiging. George W. Bush, die van 2001 tot 2009 aan de macht was, kreeg als bijnaam ‘the anti-science president’, omdat hij ideologie boven wetenschappelijke feiten zou plaatsen. Zijn opvolger Barack Obama beloofde de wetenschappelijke fundering van het beleid in ere te herstellen: Speaking truth to power.

Anti-wetenschappelijk denken, zo klinkt het sinds het aantreden van Trump nog luider dan voorheen, is iets van rechts. Rechts-conservatieve opiniemakers ontkennen immers dat de aarde door toedoen van de mens opwarmt, zij weigeren in te zien dat zwaarder straffen en meer blauw op straat, zoals vrijwel alle experts stellen, de criminaliteit niet vermindert en dat meer asfalt het fileprobleem niet oplost. Daar worden verschillende verklaringen voor gegeven: conservatieven hebben meer behoefte aan zekerheid en een helder wereldbeeld, ze staan minder open voor nieuwe inzichten en ervaringen en stellen minder dan progressieven het systeem aan de kaak.

Maar ironisch genoeg plaatsen juist wetenschappers hun vraagtekens bij deze gesuggereerde tegenstelling tussen links en rechts en tussen progressief en conservatief. Uit verschillende studies blijkt dat ‘rechts’ weliswaar het hardst in de ontkenning schiet als het gaat over met name de opwarming van de aarde en dat ze daarin de afgelopen decennia verder zijn afgedreven van de wetenschappelijke consensus, maar dat iederéén geneigd is om onwelgevallige wetenschappelijke kennis te verwerpen – dus ook progressieve of linkse mensen.

Laten we het eerst even hebben over wetenschapsontkenning in het algemeen. Dat is een enigszins misleidende term. Het gaat hier namelijk niet over het verwerpen van wetenschap in het algemeen, maar om het bestrijden of ontkennen van de wetenschappelijke consensus of specifieke feiten over een bepaald onderwerp. Van een afstand bezien werkt het simpel: wat ons niet aanstaat, weigeren we te geloven. Maar meestal ligt het genuanceerder. We zijn van nature geneigd sommige feiten makkelijk aan te nemen (wetenschapsomarming) en over andere zeer sceptisch te zijn. Wanneer dat scepticisme doorslaat in een houding waarbij praktisch geen enkel bewijs voldoet om iemand te overtuigen, is er sprake van ontkenning.

Welke kennis en feiten gevoelig liggen, hangt af van onze waarden en overtuigingen, die pragmatisch, ideologisch of religieus kunnen zijn. Wie al zijn geld heeft geïnvesteerd in een bedrijf dat olie wint door middel van fracking zal de risico’s daarvan sneller bagatelliseren. Wie autonomie en zelfredzaamheid hoog in het vaandel heeft en een machtige overheid als een bedreiging daarvan ziet, is geneigd om feiten over het opwarmende klimaat of milieuvervuiling door bedrijven af te wijzen. Terwijl voor wie gelijkheid enorm belangrijk is onderzoek naar criminaliteitscijfers bij verschillende bevolkingsgroepen al snel flut is. En wie sterk hecht aan de eigen religieuze tradities zal de resultaten van medisch onderzoek naar de schadelijke gevolgen van besnijdenis sneller terzijde schuiven.

Dat selectief omgaan met feiten wordt versterkt doordat we op basis van onze waarden groepen vormen in de maatschappij. ‘Juist omdat onze standpunten en de onderliggende feiten verstrengeld zijn geraakt met onze identiteit liggen feiten die daar tegenin gaan gevoelig’, zegt Dan Kahan, hoogleraar psychologie aan Yale University in de Verenigde Staten. Hij introduceerde hiervoor de term ‘politiek gemotiveerd redeneren’ – redeneren richting het eigen gelijk. Dat gemotiveerd redeneren en ontkennen van feiten doen we het sterkst wanneer er sprake is van zogeheten ‘oplossingsaversie’: het is effectiever om de feiten te ontkennen dan om te moeten omgaan met de gevraagde oplossingen of de implicaties die eruit voortkomen.

Dat politiek gemotiveerd redeneren doen we allemaal, concludeerden Amerikaanse onderzoekers op basis van een vorig jaar verschenen artikel in het tijdschrift Social Psychological and Personality Science. Zij legden ruim duizend deelnemers resultaten voor van onderzoeken naar controversiële onderwerpen zoals migratie, het homohuwelijk, klimaatverandering en kernenergie. Van elk onderzoek kregen ze twee versies te zien: één waarbij de resultaten strookten met hun eigen overtuiging en één waarbij de resultaten daar tegenin gingen. Hun werd gevraagd om te beredeneren welk van de resultaten juist was. Vervolgens kregen ze de juiste resultaten te zien en moesten ze aangeven of ze het ermee eens waren en of ze het onderzoek betrouwbaar achtten. Wat bleek: conservatieve en progressieve deelnemers waren even sterk geneigd om resultaten te ontkennen die niet aansloten bij hun eigen overtuigingen én om onderzoek dat voor hen onwelgevallige resultaten opleverde als ongeloofwaardig aan te merken.

Wat zijn nu typische gevallen van links anti-wetenschappelijk denken? Een goed voorbeeld is vaccinatie. Traditioneel zijn het in Nederland religieuzen en antroposofen die ervoor zorgen dat de honderd procent dekkingsgraad niet wordt gehaald. Maar recentelijk is er een nieuwe groep opgestaan: de stadse hoogopgeleide ouder, die doorgaans links georiënteerd is. Het rivm meldde afgelopen jaar dat de vaccinatiegraad voor bijvoorbeeld het bof-mazelen-rodehond-vaccin (bmr) voor het eerst in decennia aan het dalen is, al blijft het met meer dan 95 procent nog steeds hoog.

Wie heeft geïnvesteerd in een bedrijf dat olie wint door fracking zal de risico’s daarvan sneller bagatelliseren

In Amerika is de beweging invloedrijker en lag ze onder andere aan de basis van een mazelenuitbraak in Californië in 2015, waar bijna 150 kinderen besmet raakten. Recent werden ook Roemenië en Servië getroffen door een mazelenepidemie. De anti-vaccinatiebeweging gebruikt een amalgaam van argumenten die de goedkeuring van de wetenschap niet kunnen wegdragen. Zo zouden vaccins autisme veroorzaken, of giftige stoffen bevatten, of in hun geheel overbodig zijn omdat de ziektes waartegen ze beschermen niet zo ernstig zijn als de autoriteiten en experts stellen.

Nog zo’n onderwerp is genetische modificatie. Links, verenigd binnen milieuorganisaties, probeert al jaren het publiek te overtuigen dat gentechgewassen een gevaar vormen voor milieu en volksgezondheid. Net als vaccins linken ze genetisch gemodificeerde gewassen aan autisme, maar ook aan kanker en auto-immuunziektes. Voor al deze beweringen is geen bewijs: de wetenschappelijke consensus, onder andere onderschreven door de Wereldgezondheidsorganisatie (who) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (knaw), stelt dat gentechgewassen geen groter risico vormen dan gewassen die met meer traditionele methoden als kruising worden vervaardigd. De verhalen van de milieubewegingen vinden echter gretig aftrek: onderzoek van het Amerikaanse Pew Research Center laat zien dat er geen groter gat tussen de overtuiging van wetenschappers en die van het publiek bestaat dan op het onderwerp gentech: waar 88 procent van de wetenschappers de seinen op groen heeft, heeft maar 37 procent van de rest van de bevolking dat.

Er zijn binnen het domein landbouw meer onderwerpen waar links moeite heeft de consensus te onderschrijven. Zo laaide afgelopen jaar het debat op over de onkruidverdelger glyfosaat, het hoofdbestanddeel van Roundup, dat vaak in koppelverkoop wordt verkocht met gentechzaden. Verschillende controlerende instanties, waaronder de European Food Safety Authority (efsa), kwamen tot de conclusie dat glyfosaat niet kankerverwekkend is, en toch blijven linkse organisaties als de lobbywaakhond Corporate Europe Observatory (ceo) en Greenpeace beweren dat het wél zo is. Ze klampen zich daarbij vast aan de bevindingen van het International Agency for Research on Cancer (iarc), onderdeel van de who. Die organisatie onderzoekt kankerverwekkendheid onafhankelijk van concentratie, en categoriseert hierdoor zo goed als alle stoffen als ‘mogelijk carcinogeen’.

Nog zo’n onderwerp waar links het niet zo nauw neemt met wetenschappelijke kennis is alternatieve geneeskunde. In Science Left Behind (2012) beschrijven de wetenschapsjournalisten Alex Berezow en Hank Campbell hoezeer vooral linkse mensen zich aangetrokken voelen tot geneeswijzen buiten het reguliere circuit. Italiaans onderzoek, gepubliceerd in het European Journal of Clinical Pharmacology, vond dat ‘de typische gebruiker van complementaire geneeswijzen als homeopathie, acupunctuur en manuele therapie, net als in andere westerse landen, vooral hoogopgeleide vrouwen zijn tussen de 35 en 44 jaar’. Dat is dezelfde demografie als de nieuwe niet-vaccineerders. De favoriete presidentskandidaten van links Amerika, Bernie Sanders en recent Oprah Winfrey, koketteren opzichtig met kwakzalvers als Dr. Oz en Dr. Mercola. Ecowinkels als Whole Foods en Ekoplaza, met name bezocht door het vooruitstrevende smaldeel van onze samenleving, liggen vol met geneeskrachtige kruiden die allerhande klachten zouden voorkomen of verhelpen.

Medium hh 20966761
Barendrecht, een grootschalige vaccinatie-prikdag van de GGD © David Rozing / HH

Een ander voorbeeld, misschien wel het meest controversiële: kernenergie. Hoewel links zich het meest druk maakt over klimaatverandering is deze CO2-arme vorm van energieopwekking in de ban gedaan door bijna alle milieuorganisaties. Hun belangrijkste argumenten zijn de slechte afbreekbaarheid van radioactief afval en het feit dat een eventuele ramp niet te overziene gevolgen zou hebben. In weerspraak met het slechte imago van de techniek laat onderzoek van onder meer de Amerikaanse evenknie van de knaw, de National Academy of Sciences, zien dat kernenergie een van de veiligste manieren is om energie op te wekken. Het aantal doden per miljard geproduceerde kilowattuur energie ligt op negentig. Ter vergelijking: steenkool gaat voor diezelfde hoeveelheid energie ten koste van honderdduizend levens, gas ten koste van vierduizend levens en zelfs zon en wind komen met respectievelijk 440 en 150 niet beter uit de bus.

Kernenergie heeft vooral last van spookverhalen rond de paar keer dat het fout ging met een kernreactor. Hoewel er volgens de United Nations Scientific Committee on the Effects of Atomic Radiation (Unscear) nul directe doden door straling zijn gevallen bij de ramp met de kernreactor in Fukushima en het aantal extra kankerpatiënten nauwelijks boven het gemiddelde uitkomt, blijven progressieve media als The Huffington Post beweren dat de ramp in Japan die van Tsjernobyl doet verbleken. Ook als het gaat om de schadelijkheid van het afval worden vaak scheve vergelijkingen gemaakt tussen kernenergie en andere bronnen.

De oplettende lezer is het overkoepelende thema van bovenstaande reeks al opgevallen: het grootkapitaal. Links is doorgaans wantrouwig ten opzichte van grote bedrijven en de controle daarop. En of het nu gaat om medicijnen, gentech of kernenergie, de winst in deze vakgebieden komt vooral toe aan grote bedrijven, zoals Monsanto, de farmaceutische industrie en de energiegiganten. Dat wringt, en leidt ertoe dat linkse mensen de wetenschap erachter gaan wantrouwen. In haar bekroonde boek On Immunity, waarin ze de weerstand tegen vaccinatie onderzoekt in haar eigen omgeving, ziet de Amerikaanse Eula Biss dit terug bij haar vriendinnen. Zij zien het niet vaccineren van hun kinderen als een antikapitalistisch statement. Ze hebben het gevoel dat de maatschappij te veel wordt bestierd door de multinationals en proberen op deze manier de controle terug te grijpen.

Natuurlijk komt dat wantrouwen van links niet volledig uit de lucht vallen. In het doorwrochte Merchants of Doubt uit 2010 tonen de wetenschapshistorici Naomi Oreskes en Erik Conway bijvoorbeeld aan dat bedrijven jarenlang de publieke opinie, en daarmee uiteindelijk ook beleidsmakers, zand in de ogen strooiden inzake de schadelijkheid van roken, de ernst van zure regen en het gat in de ozonlaag en dat de olie-industrie deze strategie overnam bij het klimaatprobleem. En ook nu nog komen er berichten naar buiten dat een bedrijf als Monsanto de feiten en opinie probeert te beïnvloeden door bijvoorbeeld als ghostwriter te fungeren bij wetenschappelijke artikelen.

Linkse critici wijzen erop dat bedrijven met hun lobby en slinkse spelletjes de wetenschap manipuleren, dat ze experts en toezichthouders in hun zak hebben en dat ze onwelgevallige resultaten weren uit de wetenschappelijke literatuur en beleidsrapporten. Dat soort dingen gebeuren inderdaad, maar het is nogal wat om hiermee al het wetenschappelijk onderzoek in deze sectoren af te serveren. Als het gaat om bijvoorbeeld vaccinaties en genetisch gemodificeerde gewassen is er zoveel onafhankelijk onderzoek gedaan dat links zich in wel heel moeilijke bochten moet wringen om de consensus te verwerpen.

Progressief-linkse mensen denken vaker in complotten, vermoedelijk omdat zij veel op systeemniveau redeneren

In aansluiting op dit wantrouwen vanwege commerciële belangen richt de linkse wetenschapskritiek zich voornamelijk op een bepaald soort wetenschappelijk onderzoek. In The War on Science (2016) beschrijft wetenschapsjournalist Shawn Otto hoe de wetenschap onder te verdelen valt in twee richtingen met elk haar eigen volgers en criticasters. Aan de ene kant is er de wetenschap van technologische vooruitgang, waar ingenieurs en moleculair biologen toe behoren, aan de andere kant staan de ecologen en de milieubeschermers, die juist de vaak destructieve invloed van de mens op zijn omgeving in kaart brengen. Rechts wantrouwt met name die laatste groep wetenschappers, stelt Otto, onder het narratief: liberal (progressieve) scientists with a socialist agenda want to control your life and limit your freedom. Links daarentegen heeft moeite met de andere richting omdat het ervan overtuigd is dat impersonal doctors, greedy corporations and mechanical scientists hide the real dangers to health, environment and spirit.

Opvallend is dat links op sommige van bovenstaande onderwerpen medestanders heeft aan de andere kant van het politieke spectrum. Wie oppervlakkig kijkt naar gentech of vaccinatie ziet helemaal geen scheiding langs politieke lijnen. Dit komt doordat verschillende (sub)groepen vanuit andere waarden moeite kunnen hebben met dezelfde wetenschap. In 2016 toonden Amerikaanse onderzoekers in Perspectives of Psychological Science aan dat veel mensen een morele weerstand voelen bij genetische modificatie. De progressieven voor wie dat gold, zien het als rommelen met de natuur. Religieuze conservatieven zien het als spelen voor God. De weerstand tegen vaccinaties kent een zelfde dynamiek. Religieus gemotiveerden zijn van mening dat God bepaalt of je wel of niet ziek wordt, politiek conservatieven vinden dat de overheid niet mag ingrijpen in de zorg voor hun kinderen en progressieven koesteren wantrouwen jegens de farmaceutische industrie.

Nog een waarde die progressief links hoog in het vaandel heeft, is sociale rechtvaardigheid of social justice. Hoe die op zichzelf prijzenswaardige waarde soms op gespannen voet kan komen te staan met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek zet medisch historica Alice Dreger uiteen in haar boek Galileo’s Middle Finger uit 2015. Daarin beschrijft ze onder meer hoe wetenschappers onder vuur kwamen te liggen nadat ze hadden geconcludeerd dat niet elk kind dat seksueel misbruikt is daardoor psychisch beschadigd raakt. Hetzelfde overkwam onderzoekers die lieten zien dat verkrachting, in tegenstelling tot wat feministen beweren, niet alleen om macht maar wel degelijk ook om lust draait. In beide gevallen kwam de weerstand vooral uit progressieve hoek: pedoseksuelen zouden het goede nieuws kunnen zien als een vrijbrief en aantrekkelijke vrouwen zouden de schuld in hun schoenen geschoven kunnen krijgen van hun eigen verkrachting.

Het feminisme en daaraan gelieerd social justice-activisme komen ook in botsing met de wetenschap in het debat over gender. Hier is iets interessants aan de hand: ook het wetenschappelijke debat zelf is gepolariseerd. Conservatieve, veelal mannelijke wetenschappers leggen de nadruk op welke verschillen er wél zijn, met name progressieve onderzoekers laten zien dat deze studies een vertekend beeld geven en relativeren of ontkennen de verschillen juist. Voor onderzoek dat verschillen benadrukt heeft de vooraanstaande feministische neurowetenschapper Cordelia Fine (onder meer auteur van de boeken Waarom we allemaal van Mars komen en Testosteron Rex, waarin ze betoogt dat testosteron veel minder invloed heeft dan verwacht) de term ‘neuroseksisme’ in de wereld geholpen, omdat dergelijk onderzoek niets anders ten doel zou hebben dan de status-quo in stand houden. Dreger kan zich erover opwinden: ‘Er zijn zat vrouwelijke wetenschappers in dit veld actief die helemaal niet biofoob zijn, niet bang zijn voor het bestaan van biologische verschillen tussen mannen en vrouwen. Je kunt de invloed van hormonen niet compleet negeren.’

Dezelfde dynamiek zien we terug in het publieke debat. Opiniemakers aan de rechterflank serveren alles af wat te maken heeft met ‘genderstudies’, waarin de nadruk ligt op de invloed van nurture oftewel de omgeving. Hun tegenpolen aan het andere eind van het spectrum moeten niets hebben van de evolutionaire psychologie, die evolutionaire verklaringen biedt voor mannelijk en vrouwelijk gedrag. Zij halen regelmatig het al lang afgeserveerde concept van het ‘onbeschreven blad’ van stal, dat stelt dat mannelijkheid en vrouwelijkheid puur worden gevormd op basis van de omgeving.

Beide kampen zijn sterk gemotiveerd om een deel van de wetenschappelijke feiten te ontkennen. Rechts hecht aan het in stand houden van hiërarchie en hekelt het gelijkheidsdenken en de grote aandacht voor minderheden, een reden waarom ze ook niks kunnen met een fenomeen als impliciet racisme. Voor links geldt het tegenovergestelde: problemen worden toegeschreven aan het systeem en diens machthebbers en gelijkheid is het hoogste goed, andere verklaringen dan onderdrukking zijn taboe. Feministen vrezen dat, zoals dat in het verleden steeds is gebeurd, eventuele verschillen tussen mannen en vrouwen misbruikt worden om vrouwen te onderdrukken. Maar hoe legitiem ook, door feiten te ontkennen los je problemen niet op, maar kun je ze soms juist in stand houden, zegt Dreger, zelf een groot voorstander van vrouwenemancipatie en gelijke behandeling. Bijvoorbeeld wanneer jongens vastlopen op school doordat er te weinig rekening wordt gehouden met het gedrag waar ze meer toe geneigd zijn. ‘Het gaat er uiteindelijk om wat je met de feiten doet.’

Vanuit diezelfde vrees voor kennismisbruik door machthebbers kampt links met wetenschapswantrouwen in bredere zin. In het verleden hebben wetenschappers allerlei resultaten geleverd die machthebbers goed van pas kwamen, zoals kernwapens, eugenetica en schedelmeten. Dat deed het imago van wetenschap bij links, terecht, geen goed. Progressieve denkers in de jaren zestig begonnen zelfs te propageren dat wetenschap een ‘Groot Verhaal’ is, dat gebruikt wordt om de witte-oude-mannen-maatschappij in stand te houden. Is de wetenschap wel zo waardevrij, of maakt het uit wie de experimenten uitvoert? zo vroegen zij zich af. Dit denken kwam tegelijk op met het sterk links georiënteerde postmodernisme, dat de objectiviteit en hardheid van wetenschappelijke waarheden begon te bekritiseren en relativeren. Volgens Otto is het postmodernisme naast de invloed van industrie en religie een van de drie belangrijkste krachten die het vertrouwen in de wetenschap schaden, en het zijn juist progressieven die de soms doorschietende postmoderne en sociale kritiek omarmen.

Kritiek die de wetenschap wat de Tilburgse hoogleraar sociologie Peter Achterberg betreft zichzelf moet aantrekken. Ook nu nog vormt de academie alles behalve een afspiegeling van de maatschappij: vrouwen en minderheden zijn bijvoorbeeld sterk ondervertegenwoordigd en wetenschap opereert meestal in dienst van de macht. Onderzoek van Achterberg laat zien dat zulke onderrepresentatie leidt tot argwaan. De ondergerepresenteerden verwerpen niet zozeer de wetenschappelijke methode, als wel de instituties die er gebruik van maken, zoals het rivm en het Voedingscentrum. Als gevolg daarvan gaan ze zelf op onderzoek: ze vertrouwen meer op hun peers, op internetbronnen en op zichzelf, precies wat Biss ook observeerde onder haar antivaccinatievriendinnen. En zo zijn we rond: het leidt ze naar wetenschappelijk ogende antivaccinatiesites, met informatie over het grootkapitaal die precies in hun straatje past.

Interessant in deze is dat uit een recente studie in PLOS One naar voren komt dat progressief-linkse mensen vaker in complotten denken, vermoedelijk omdat zij relatief veel op systeemniveau redeneren en analyseren. Dat werd bevestigd in een studie afgelopen maand in Science waarin Amerikaanse wetenschappers stelden dat de suikerindustrie in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw minder invloed op de wetenschap had dan in eerdere berichten naar buiten kwam. ‘Denk niet te snel in complottheorieën’, waarschuwen ze. Inzichten veranderen en daar hoeft niet altijd een sturende hand achter te zitten.

Zulk complotdenken maakt het praktisch onmogelijk om ontkenners met feiten te overtuigen. Ze betwijfelen immers de totstandkoming en volledigheid ervan. Bovendien is hun wantrouwen over de goede bedoelingen van geldgedreven bedrijven en publicatiegedreven onderzoekers ten dele terecht. Wat vaak helpt in discussies, is hen niet te bestoken met informatie, maar door te vragen, zodat ze zelf ontdekken waar hun eventuele kennishiaten en denkfouten zitten en waar ze vanuit hun wantrouwen het kind met het badwater dreigen weg te gooien.

Wat ook helpt is de oplossing of implicaties van onderzoek te herformuleren zodat deze aansluiten bij de waarden van de ontkenner. Dus door feministen te overtuigen dat verschillen tussen mannen en vrouwen juist gebruikt gaan worden om de emancipatie te bespoedigen, net zoals kennis over verschillen tussen mannen- en vrouwenlichamen helpt in de geneeskunde. Of door te laten zien dat genetische modificatie kan worden ingezet om het gebruik van bestrijdingsmiddelen te verminderen en de positie van kleine boeren te verbeteren.

En wie zichzelf bij de les wil houden? Die doet er goed aan in twee stappen te denken: besef allereerst dat niemand immuun is voor politiek gemotiveerd redeneren, dus ook linkse en ook gematigde denkers niet. Neem vervolgens een extra kritische houding aan ten opzichte van de feiten en experts die je geneigd bent te omarmen, en stel je juist meer open ten opzichte van feiten waarvan je haren overeind gaan staan. En wie op het punt staat er in het debat weer eens vol in te vliegen, kan even bij zichzelf te rade gaan: is alleen die ander blind voor de feiten, of hebben er twee boter op het hoofd?