Het strijdplan van de Republikeinse Partij

New York - Eens in de zoveel tijd presteren de Republikeinen in het Amerikaanse Congres het om standpunten in te nemen waarvan de kritische volger zich afvraagt: daar komen ze toch niet echt mee weg in de publieke opinie?

Voorbeelden daarvan zijn het stelselmatig ontkennen dat klimaatopwarming ook maar iets te maken heeft met menselijk handelen, of het tegenhouden van strakkere regulering van de financiële sector na de financiële crisis. Ook bewonderenswaardig: blijven beweren dat belastingverlagingen voor de rijken hoe dan ook en altijd goed zijn voor iedereen, vanwege het door geen serieuze econoom meer verdedigde ‘trickle-down’-effect. Oké, nog eentje: het afschaffen van subsidies aan de grote oliebedrijven is onredelijk, omdat de gewone man daarvan de rekening aan de pomp krijgt gepresenteerd.
Daar komt de Republikeinse Partij dus wel mee weg, getuige alleen al de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden die ze tijdens de tussentijdse verkiezingen van november 2010 veroverde. Dat is volgens commentator Chris Hedges het gevolg van de ‘objectiviteitsziekte’ in de Amerikaanse media, zoals hij in een recent essay over de nieuwsjournalistiek schreef. In naam van de objectiviteit presenteren journalisten coûte que coûte ‘beide kanten van het verhaal’, ongeacht de geldigheid van de argumenten of de mate waarin die steun ondervinden van het publiek. In de Amerikaanse politieke context betekent dit dat Democratische en Republikeinse argumenten altijd gelijkwaardig behandeld worden, of ze dit nu verdienen of niet.
Republikeinen lijken handiger in het exploiteren hiervan. Dat bleek afgelopen week weer, toen Republikeinse parlementsleden het gerucht hadden opgevangen dat president Obama bedrijven die zaken doen met de overheid wil verplichten om openbaar te maken aan welke partij en politici ze politieke donaties doen. Alleszins redelijk, zou je zeggen, maar de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden namen meteen een wet aan die de overheid verbiedt om campagnedonaties van de bedrijven openbaar te maken. Hoe verkoop je dat nu aan een electoraat dat toch al geen enkel vertrouwen meer heeft in ‘de politiek’?
Het antwoord: door vol in de aanval te gaan. Zo noemde Sean Parnel van het conservatieve Center for Competitive Politics (prachtige naam natuurlijk) de wet een ‘stevige berisping van de uitvoerende macht die het federale aanbestedingsproces wil politiseren middels een Nixon-achtige vijandenlijst’. Maar het briljantste moet nog komen: de nieuwe wet heet de ‘Keeping Politics Out of Federal Contracting Act of 2011’. Je moet het niet alleen maar durven. Je moet er maar opkomen.