Edmund Burke, Een filosofisch onderzoek

Het sublieme en het schone

Edmund Burke
Een filosofisch onderzoek naar de oorsprong van onze denkbeelden over het sublieme en het schone
Vertaald, van aantekeningen voorzien en ingeleid door Wessel Krul
Historische Uitgeverij, 250 blz., € 24,95

Begin jaren negentig kwamen de zieltogende Centrum-Democraten in de problemen toen ze de subsidie voor hun «wetenschappelijk bureau», dat helemaal niets had uitgevoerd, moesten terugbetalen. Hierop richtten ze een nieuw bureau op, dat ze de Thomas Hobbes Stichting noemden. Dit joeg Bart Tromp, om met prins Bernhard te spreken, «hoog in de klapperboom». De grote politiek filosoof en een van de grondleggers van de idee van de rechtsstaat als intellectueel uithangbord van een stelletje Neanderthalers! Het was een gotspe!
Hoewel de nieuwe conservatieven in Nederland zich met heel wat meer recht de Edmund Burke Stichting hebben genoemd, is het niet denkbeeldig dat het beeld van hun intellectuele held enigszins wordt vertekend. Tegenwoordig staat Burke vooral bekend als de auteur van de Reflections on the Revolution in France, waaraan hij zijn reputatie als aartsvader van het conservatisme te danken heeft. Toch was hij wel wat meer dan de achttiende-eeuwse voorloper van de hedendaagse tegenstanders van de verzorgingsstaat, euthanasie, legale prostitutie, het homohuwelijk en paaldansen. Niet alleen nam hij in het Engeland van George III vrij vooruitstrevende standpunten in – zo was hij pleit bezorger van de onafhankelijkheid van Noord-Amerika en de gelijkberechtiging van de Ieren en andere katholieken, sprak hij zich uit voor de afschaffing van de doodstraf voor homoseksuelen en ging hij tekeer tegen het leegplunderen van de kolo niën – ook heeft hij nog een ander invloedrijk boek op zijn naam staan: A Philosophical Inquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and the Beautiful.
Dit uit 1757 daterende jeugdwerk vormde een belangrijke bijdrage aan de moderne kunsttheorie. Er werd in de achttiende eeuw uitvoerig over esthetica gedebatteerd en bovendien was het begrip «schoonheid» nauw verbonden met opvattingen over moraal, wel levendheid, status, stijl en identiteit. In zijn uitgebreide en zeer informatieve inleiding beschrijft vertaler Wessel Krul dit debat en Burke’s positie daarin. Centraal stonden vragen als: bestaat er een onmiddellijk verband tussen het goede en het schone? Komt schoonheid voort uit een mathematisch te bepalen systeem van proporties? En zo ja, liggen die verhoudingen vast in de natuur of in de eigenschappen van de menselijke waarneming? Waarderen we schoonheid op basis van het verstand of van de emoties? Zijn de gevoelens die ons het sterkst raken wel te omschrijven met het begrip schoonheid?
In tegenstelling tot veel tijdgenoten, die sterk waren beïnvloed door het classicisme, ontkende Burke dat er een rechtstreeks verband bestond tussen het schone en het goede. Schoonheid heeft te maken met het aangename, het plezierige, maar het leven heeft ook veel minder aangename kanten. Ons gedrag wordt in hoge mate bepaald door plicht, arbeid en gezag, en wij laten ons hierbij leiden door emoties als angst, schrik en ontzetting. Deze emoties maken deel uit van de esthetische categorie van het «sublieme».
Heel lang was het sublieme gezien als de overtreffende trap van het schone. In de ogen van Burke is het echter iets wat fundamenteel anders is. Subliem is alles wat ons intimideert, bedreigt en ontzag inboezemt. Burke: «Wanneer pijn en gevaar te dichtbij komen, zijn zij niet in staat ons enig genot te verschaffen; maar op een zekere afstand, en met enige aanpassing, kunnen zij ons genot brengen, en dat doen zij ook, zoals wij dagelijks ondervinden.» Wie zich in een ziedende storm midden op zee aan een stuk wrakhout vastklampt geniet daar niet van, maar staande op een duin kan het gadeslaan van zo’n storm een prettige huiver veroorzaken, wat helemaal geldt als een dergelijke storm door een talentvol schilder op doek is gezet.
Het sublieme betekent ook de verstoring van de door het classicisme heilig verklaarde regelmaat en de zuivere verhoudingen. Juist het grillige, het niet door de mens beheerste kent een eigen, intense schoonheid. Overweldigende landschappen waarin de mens zich nietig voelt, bloeddorstige taferelen, heftige emoties als doodsangst en verlatenheid – het waren geliefde thema’s van de aan het einde van de achttiende eeuw opkomende Romantiek. Burke wordt dan vaak ook gezien als een van de wegbereiders der Roman tici. Maar terwijl zijn esthetica grote invloed uitoefende op Verlichtingsdenkers als Lessing, Kant en Mendelsohn wilden Romantische kunstenaars als Coleridge en Blake niets van hem weten. In hun ogen was Burke nog te veel een kind van de Verlichting en wilde hij grote gevoelens terugbrengen tot een systeem van mechanische reacties. Zijn benadering van de kunst was hen niet geëxalteerd genoeg. Krul wijst erop dat er inderdaad een verband is tussen Burke’s esthetica en zijn politiek conservatisme. Hij verzette zich immers tegen het scepticisme van Hume en zocht naar regels voor het menselijk gedrag en de menselijke gevoelens. De wereld wordt door vaste wetten geregeerd, niet door de subjectieve wil. Dat was ook de reden waarom hij zich zo fel tegen de Franse Revolutie keerde.