THEATER

Het subversieve lachen/huilen

Jürgen Gosch & Pina Bausch

In 1988 werd Jürgen Gosch (45 toen) directeur van de Schaubühne in Berlijn, opvolger van toneellegendes, een stilerend schrijnwerker in de slagschaduw van de verdreven publiekslieveling (Stein) en de gevluchte monnik (Grüber) – geen schijn van kans dus. Gosch’ eerste regie aan de Kurfürstendamm werd zijn enige daar, een zich drieënhalf uur voortslepende versie van Macbeth. Hij heeft zich voor die regie naar eigen zeggen doodgeschaamd, zich drie jaar weggeschminkt in de anonimiteit van contemplatie en lesgeven. Daarna hield hij het bij één regie per jaar, zo ver mogelijk weg van Berlijn. Gerardjan Rijnders haalde hem naar Toneelgroep Amsterdam, waar Gosch in de jaren negentig drie keer regisseerde, Hebbel, Tsjechov en Euripides. Thuis in Berlijn maakte hij ondertussen veel tijd vrij voor zijn jonge kinderen uit een tweede huwelijk. Hij observeerde hun spel met ‘die Augen der Liebe’ en dat veranderde zijn houding tegenover toneelspelers radicaal. Gosch: ‘Ik liet acteurs losspielen, de neiging om in te grijpen werd minder en minder, de herontdekking van de liefde voor mijn kinderen bezorgde me een nieuwe liefde voor toneelspelers, ik kon beter incasseren wat ze op de repetitievloer aan voorstellen deden, kijken met een geduldig oog.’
Vergelijkbaar dus met Pina Bausch’ nieuwsgierigheid, niet naar hoe dansers bewegen maar naar wat hen beweegt. In een toneelcultuur waarin zelfstandig denken van acteurs – ook de allerbeste, want daar werkte Gosch mee – niet de meest gevraagde kwaliteit is, werkte dat geduld als een impuls die kleine aardverschuivingen veroorzaakte. Hoe schaamteloos en naakt (ook in letterlijke zin) kan een toneelspeler op een kaalgeruimde speelvloer zijn?
Aan zijn ontwerper Johannes Schütz had de regisseur een goeie partner. Hij bouwde voor Gosch lege toneelhuizen, met alleen een schommel, of het zich langzaam openende uitzicht op een omgevallen boom, of alleen een bank tegen de achterwand. Het toneel is open, de toneelspelers hebben geen mouwen meer om trucs in te verbergen. Gosch was weliswaar ex-DDR, maar hij omarmde zijn Brecht!
Wat mentaliteit betreft werd Jürgen Gosch de jongste van alle Duitse toneelmakers. Vanaf 2004, in de vijf jaar die hem nog gegeven bleken, maakte hij twintig voorstellingen, en voorzover ik Gosch heb kunnen bijhouden zat daar geen confectietroep of inwisselbaar assemblagewerk tussen, het waren toneelgebeurtenissen van een hoge concentratie, fris gehouden doordat de toneelspelers elkaar steeds opnieuw bevraagden en uittestten, daardoor lang houdbaar. Alleen al bij het Deutsches Theater in Berlijn staan vanaf het komend najaar, vier maanden na zijn dood, zes Gosch-ensceneringen op het repertoire die in de afgelopen vijf jaar zijn ontstaan, waaronder een gruwelijk precieze Wie is bang van Virginia Woolf?, een ijzersterke Oom Wanja, een onwaarschijnlijk kale Meeuw. Heiner Müller in een tekst die voor Bausch werd geschreven maar die ook op Gosch betrekking heeft: ‘Het lachen is bevroren in ogenschijnlijke stereotypen, de vasthoudendheid van de herhaling ontmaskert de verveling: de pijn is haar gezicht; de greep onder de drempel van het bewustzijn, waar de wensen en angsten huizen, maakt het lachen zowel als het huilen subversief.’ Jürgen Gosch en Pina Bausch – de speelvloeren van de grote toneelhuizen waarin zij thuis waren en die ze zo vaak hebben leeggeruimd en bevrijd van overdaad en conventies; ze zijn na hun dood onverbiddelijk en meedogenloos kaler geworden.

Lees op bladzijde 32 het uitgebreide In Memoriam van Pina Bausch door Eva van Schaik