Populair en toch kwetsbaar

Het succes van ontwikkelingshulp

Op de VVD en PVV na zijn alle zittende partijen voor meer ontwikkelingshulp. Of dat ook gebeurt, is maar de vraag: de VVD en Wilders zetten de aanval in met feitelijke en morele argumenten.

Afgelopen zomer werden in twee weken tijd álle tien miljoen bewoners van de Congolese hoofdstad Kinshasa gevaccineerd tegen gele koorts. Dat is een ziekte, verspreid door muggen, waar vier op de tien patiënten aan overlijden. Gele koorts brak in december uit in Angola en verspreidde zich snel naar buurland Congo. Duizenden mensen werden ziek, honderden stierven. De regeringen van beide landen voorzagen een ramp met miljoenen doden. In The Economist meende de invloedrijke gezondheidswetenschapper Peter Piot dat de epidemie over kon slaan naar Azië en dan tot honderd miljoen doden kon eisen. Nu moest worden gehandeld. En snel bovendien, want in Congo breekt in september de regentijd aan en daarmee de tijd van de muggen. Wanneer de epidemie niet voor de regentijd was bezworen, zou ze onbedwingbaar zijn.

Medium cee2014213d44d66a28f6a7d462c207c 0
Een lid van het team van Artsen zonder Grenzen probeert in Yolo Sud een buurt van Kinshasa, Congo, muggen uit te roken omdat deze gele koorts kunnen verspreiden. © 22 juli 2016-AP Photo/Jerome Delay

Beide regeringen en vijftig ontwikkelingsorganisaties sloegen de handen in elkaar. De Wereldbank en GAVI, een fonds voor vaccinaties, doneerden 32 miljoen dollar. Experts, miljoenen vaccins en injectienaalden werden ingevlogen. Op de grond in Congo en Angola werden veertigduizend gezondheidswerkers getraind en achtduizend vaccinatiecentra ingericht. In april en mei werden 22 miljoen mensen geïmmuniseerd, in een gebied groter dan Duitsland. Vervolgens was het de beurt aan de acht miljoen inwoners van Kinshasa, een metropool groter dan Berlijn, Parijs en Wenen samen. Binnen tien dagen was ook deze klus geklaard. Dertig miljoen mensen kregen de prik. Sindsdien is er in Angola en Congo niet één geval van gele koorts meer opgedoken.
Het is één voorbeeld van de slagkracht en effectiviteit van moderne ontwikkelingshulp. Dit is een ander: onlangs becijferde Unicef dat tussen 2000 en 2015 de dood van maar liefst 48 miljoen baby’s en peuters werd voorkomen. Dat gebeurde omdat, met ontwikkelingsgeld, jaarlijks zo’n honderd miljoen kinderen worden ingeënt tegen dodelijke ziektes als difterie, kinkhoest, tetanus en polio. Maar ook omdat de afgelopen decennia 2,6 miljard mensen beschikking kregen over schoon water en omdat de kwaliteit van gezondheidszorg in Azië, Latijns-Amerika en Afrika fors omhoog werd gebracht.
Al even goed nieuws komt van het Nederlandse Ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking. Eind vorig jaar liet het ministerie weten dat het in 2015 via de Verenigde Naties maar liefst 780 duizend mensen in vluchtelingenkampen wist te helpen. Dankzij Nederlandse ontwikkelingsgelden vonden 191 duizend mensen werk, kregen 1,9 miljoen mensen toegang tot duurzame energie en 1,6 miljoen mensen tot schoon water. Twee miljoen vierkante meter voormalig oorlogsgebied werd ontdaan van landmijnen, 1,3 miljoen moeders ontvingen moeder- en kindzorg, twee miljoen mensen met een hiv-infectie kregen aidsremmers, 1,7 miljoen kleine boeren verhoogden hun productiviteit en daarmee hun inkomen.
Het is niet alleen het Ministerie dat veel werk verzet, dat doen ook ontwikkelingsorganisaties als Simavi, Cordaid of The Hunger Project. In de herfst van 2015 presenteerde Partos, de branchevereniging voor ontwikkelingssamenwerking, een achtduizend pagina’s dik onafhankelijk onderzoek naar hun werk. Een onderzoeksteam van tweehonderd wetenschappers, geleid door de Maastrichtse hoogleraar Wiebe Bijker, constateerde dat het werk van de ontwikkelingsclubs ‘effectief en efficiënt’ was. Het geld dat ze uitgaven bleek ‘uitstekend besteed’. De onderzoekers complimenteerden de organisaties omdat hun projecten, bedoeld om armoede fors terug te dringen, kinderen naar de basisschool te laten gaan en de gezondheidszorg te verbeteren, ‘behoorlijk goed’ in elkaar staken. ‘Het is duidelijk dat de Nederlandse ngo’s en hun counterparts in de zuidelijke landen weten wat ze doen. En in grote lijnen doen ze dat goed.’

Ontwikkelingssamenwerking is niet onbetwist. Kritiek is er al sinds rijke landen een klein deel van hun belastinggeld eraan begonnen uit te geven. Toen, in 1961, gaven de rijkste landen 38 miljard dollar aan hulp. In 2000 was het tachtig miljard dollar. En in 2015 148 miljard. Rijke landen gaven nog nooit zoveel uit aan ontwikkelingshulp. Ook Nederland besteedt nog steeds een mooi bedrag aan ontwikkelingssamenwerking. Hoewel het eerste kabinet Rutte – VVD, CDA en PVV – al eens achthonderd miljoen snoeide, gaf ons land in 2015 toch weer 0,76 procent van het BNP uit aan hulp. Dat is ruim vijf miljard euro en daarmee behoort Nederland nog steeds bij de meest betrokken landen.
Maar die cijfers zijn geflatteerd. Zo haalde Nederland geld ‘naar voren’ uit de begroting van 2017 en 2018. En volgens onderzoek van Oxfam Novib en de Algemene Rekenkamer blijft naar schatting een derde van alle hulpgelden in Nederland. Dat is rond de 1,6 miljard euro. Zo ging in 2015 maar liefst 1,2 miljard euro uit het ontwikkelingsbudget naar de opvang van asielzoekers in Nederland. Bovendien vloeide vorig jaar 420 miljoen euro aan ontwikkelingsgelden naar Nederlandse bedrijven die iets doen in arme landen. Feitelijk zit ons ontwikkelingsbudget ruim onder de 0,5 procent van het BNP. En dat is ongeveer 3,4 miljard euro.
Een van de kritieken is dat ontwikkelingshulp in de ontvangende landen een gemakkelijke prooi is voor kwaadwillende leiders. Dit bezwaar komt bijvoorbeeld van de Zambiaans-Amerikaanse econome Dambisa Moyo in haar veelbesproken boek Dead Aid. Ontwikkelingshulp, zo betoogt Moyo, bevordert corruptie. Met ontwikkelingsgelden kunnen incompetente of zelfs gevaarlijke autocraten in het zadel worden gehouden. Buitenlandse hulp maakt leiders lui en onverantwoordelijk voor hun volk. Moyo verwijst daarbij vooral naar het tijdperk van de Koude Oorlog, toen Afrikaanse leiders op grote schaal steun ontvingen van westerse landen om ze in het kapitalistische dan wel communistische kamp te houden.
Een ander bezwaar tegen ontwikkelingshulp is dat het de onderliggende oorzaken van armoede niet aanpakt, zoals de scheve machtsverhoudingen in de wereld. Dat geluid horen we bijvoorbeeld van de Congolees-Nederlandse publicist Alphonse Muambi. In diverse artikelen en opiniestukken kritiseerde hij de afgelopen jaren de rol van het Westen: hulp aan ontwikkelingslanden heeft weinig zin, zolang westerse multinationals er tegelijkertijd grondstoffen plunderen, wapens leveren en lokale vissers het brood uit de mond stoten.
Een derde terugkerend kritiekpunt is dat hulp te weinig effect heeft, of zelfs helemaal geen effect. In zijn boek The White Man’s Burden vraagt William Easterly zich af hoe het mogelijk is dat de Westerse wereld vele miljarden uitgaf aan ontwikkelingshulp en dat in Afrika nog steeds niet iedereen over een muskietennet beschikt. Bovendien, becijferde Easterly, is nooit bewezen dat ontwikkelingshulp de economische groei in arme landen aanjaagt. En zonder groei komt een land niet vooruit.
Moyo, Muambi en Easterly brengen belangrijke thema’s ter sprake. Kwaadwillenden kúnnen inderdaad misbruik maken van hulp. Ontwikkelingssamenwerking richt maar weinig uit tegen ongelijke machtsverhoudingen. En met hulp alleen jaag je geen sterke economische groei aan. Het klopt allemaal. En tegelijk overschatten de critici grotelijks wat ontwikkelingshulp überhaupt vermag. Niemand in de ontwikkelingssector meent dat je met louter ontwikkelingsgeld honger en armoede kunt opheffen, machtsverhoudingen kunt veranderen of een land rijk kunt maken. Hulp kan deze processen wel versterken.
Dat de ambitie zo bescheiden is, is vooral een kwestie van geld. De 148 miljard die de 29 rijkste landen ter wereld nu uitgeven aan uit aan ontwikkelingssamenwerking is weliswaar veel geld, maar ook niet meer dan 0,003 euro van elke euro die in de OESO-landen wordt verdiend. Wanneer we ervan uitgaan dat wereldwijd drie miljard arme mensen van die 148 miljard profiteren, dan komt dit bedrag neer op 49 dollar per individu per jaar of 0,13 dollar per individu per dag. Daar zet je geen grote veranderingen mee door, laat staan dat je er een stevige economische groei mee aanzwengelt.

Je moet de effectiviteit van hulp dan ook niet beoordelen met maatstaven uit een ideale wereld waarin iedereen gezond, vrij en welvarend is. Je moet die effectiviteit afmeten aan de problemen die met ontwikkelingshulp zijn opgelost. Dan blijkt dat je met hulp veel kunt bereiken. Zo raapt de gezaghebbende Deense ontwikkelingseconoom Finn Tarp al jarenlang alle onderzoek naar de effectiviteit van hulp bij elkaar. Telkens weer concludeert hij dat ontwikkelingshulp armoede terugdringt, de uitbreiding van moderne industrie bevordert, investeringen van bedrijven rendabeler maakt en de uitgaven van overheden effectiever laat zijn.
Een andere grote naam is de Amerikaanse econoom Steve Radelet. ‘Hulp is geen zilveren kogel en niet alle hulp pakt even goed uit’, zo schrijft hij in zijn recente boek The Great Surge. The Ascent of the Developing World. Maar ‘de meeste hulp leidde wel tot het redden van talloze levens, het bouwen van scholen, het verbeteren van de gezondheidszorg, het bestrijden van ziektes, het verzachten van de gevolgen van natuurrampen en de wederopbouw van landen na een oorlog. Hulpprogramma’s redden miljoenen mensen door de strijd tegen malaria, tbc, hiv-aids, en diarree.’ Ontwikkelingssamenwerking kan een land niet uit de armoede tillen, constateert ook Radelet. Maar ontwikkelingssamenwerking kan mensen wel een stuk gezonder, veiliger en slimmer maken waardoor zij zelf in staat zijn om die klus te klaren.
Terecht staan de meeste Nederlandse politieke partijen dan ook ronduit positief tegenover ontwikkelingssamenwerking. Zo schrijven PvdA, ChristenUnie en 50Plus in hun verkiezingsprogramma dat ze het budget weer willen verhogen naar 0,7% van het BNP. Van GroenLinks mag het zelfs stijgen naar 1 procent. Het CDA noemt geen percentage, maar vindt wel dat er de afgelopen jaren te veel op ontwikkelingssamenwerking is bezuinigd. Half november nam een meerderheid in de kamer zelfs een motie aan van GroenLinks om het budget weer op te schroeven naar 0,7 procent van het BNP.
De linkse- en middenpartijen zijn het bovendien eens over de besteding van de Nederlandse hulpgelden. Zo vinden ze dat Nederland moet doorgaan met het versterken van rechtsstaten in fragiele landen. We moeten bovendien doorgaan met hulp bieden op de terreinen waar we als Nederland goed in zijn: water, voedsel en rechten van vrouwen en meisjes. Daarnaast vinden de partijen dat er geld moet komen om de armsten te beschermen tegen de gevolgen van de klimaatverandering. Opvallend is ook de eensgezinde aandacht voor de gevolgen van de westerse invloed op ontwikkelingslanden. GroenLinks, ChristenUnie, PvdA, D66 en de SP noemen ‘eerlijke handel’ en het aanpakken van belastingvlucht expliciet in hun programma’s.
Haaks daarop staan de programma’s van de VVD en PVV. Wilders heeft aangekondigd dat er geen cent meer naar ontwikkelingshulp gaat. Wat hem betreft wordt het domein helemaal wegbezuinigd. VVD gaat ogenschijnlijk minder ver. Afschaffen hoeft niet, maar wel moet er 2,7 miljard worden bezuinigd. Op een totaalbudget van 3,4 miljard komt die bezuiniging echter wel degelijk neer op een afschaffing van de hulp. Wat dan nog over is, moet vooral onze eigen veiligheid en handelsbelangen dienen. VVD wil het geld inzetten voor het subsidiëren van Nederlandse bedrijven in ontwikkelingslanden, voor het indammen van migratiestromen, voor de opvang van vluchtelingen in de regio en voor militaire operaties – die nu nog uit het budget van defensie worden betaald. Voor ontwikkelingsprogramma’s gericht op de levensomstandigheden van de armsten blijft daarmee weinig tot niets meer over.

Dat een liberale partij als de VVD de facto een einde wil maken aan ontwikkelingshulp is uniek. In vrijwel alle andere westerse landen zijn socialisten, confessionelen en liberalen het met elkaar eens dat ontwikkelingshulp vanzelfsprekend en noodzakelijk is.* ‘Aid spent well works miracles’* zei de voormalig Britse minister Andrew Mitchell toen hij in 2010 namens zijn conservatieve partij aankondigde om de Britse ontwikkelingshulp op te trekken tot 0,7 procent van het nationaal inkomen. De Tory’s hielden woord en onder David Cameron schoot de hulp omhoog van zeven naar twintig miljard. In het Duitsland van Merkel’s CDU ging het de afgelopen jaren van 9 naar 21 miljard. En wanneer het aan Merkel ligt, gaat dat bedrag de komende jaren nog verder omhoog.
Volledige afwijzing was tot nu toe voorbehouden aan onversneden populisten, waaronder Donald Trump, het Britse UKIP en onze eigen PVV. De meeste populistische partijen waaronder de Duitse AfD, de Oostenrijkse FPÖ en de Deense Folkeparti willen de hulp gewoon overeind houden. Al was het maar omdat je door het bestrijden van armoede en ellende ook overbevolking en vluchtelingenstromen in kunt dammen.
Met de PVV neemt de VVD dus het meest radicale standpunt in. Dat is niet zonder betekenis. Wie wel eens blik werpt in de Telegraaf of de vele extremistische websites die Nederland nu kent, weet hoe het gemene volk over de ‘zakkenvullende’ en ‘corrupte’ ontwikkelingssector denkt. Dat de traditionele partijen het expliciet opnemen voor de hulp is goed nieuws, maar de strijd voor het behoud van ontwikkelingshulp is daarmee nog lang niet gestreden.
Nu zeggen ook de VVD en de PVV niet dat honger en armoede hen niet interesseren. Uit recent onderzoek blijkt dat acht op de tien Nederlanders het een ‘morele plicht’ vindt om mensen in arme landen te helpen. Wilders snapt dan ook maar al te goed dat het niet willen helpen van mensen in abjecte armoede als immoreel kan worden opgevat.

Hoe pak je het als politicus dan aan wanneer je inderdaad die halve eurocent terug wil halen uit Afghanistan, Burundi of Zuid-Sudan, zonder jezelf te profileren als een onmens?
Een eerste variant horen we bij PVV’er Martin Bosma. ‘Er is geen enkele aanwijzing dat ontwikkelingshulp helpt’, zegt Bosma tijdens een interview op de website van het Vlaams Belang. ‘Het geld gaat vrolijk naar Zwitserse bankrekeningen van corrupte en doorgaans Afrikaanse leiders. Het Rode Kruis heeft een half miljard dollar ingezameld om huizen te bouwen in Haïti, en er zijn er zes gebouwd. De rest van het geld is verdwenen. Economische groei is niet het gevolg van ontwikkelingshulp. Landen als Botswana en Zuid-Korea waren in de jaren zestig even arm. Vandaag hangt Botswana nog altijd aan het subsidie-infuus. Zuid-Korea heeft echter nooit ontwikkelingshulp gekregen en is nu net zo rijk als het Westen. Het heeft met mentaliteit en cultuur te maken.’
Wat de PVV’er hier beweert, is ronduit flauwekul. Na de aardebeving op Haïti in 2010 hielp het Rode Kruis aan de reparatie van 22 ziekenhuizen en klinieken. Het bouwde woningen voor meer dan 135 duizend mensen en herstelde negenduizend latrines. De ontwikkelingshulp aan Botswana ligt al jaren onder de twee procent van het nationale inkomen en van een hulpinfuus is dus geen sprake. Anderzijds kregen maar weinig landen zoveel ontwikkelingshulp als Zuid-Korea. De snelle ontwikkeling van juist dit land wordt vandaag gezien als het ultieme voorbeeld dat ontwikkelingssamenwerking wel degelijk economische groei kan bevorderen, mits je er maar voldoende geld in pompt. Daarbij verzwijgt Bosma dat de levensverwachting in Afrika met vijftien jaar steeg, dat nu acht op de tien kinderen naar school gaan en dat hongersnoden steeds minder voorkomen.
Deze opeenstapeling van verzwijgingen en onwaarheden maakt het betoog van Bosma nog niet oninteressant. Hij wijst ontwikkelingshulp immers niet zomaar af. Hij doet dat op feitelijke en morele gronden, hoe betwistbaar die ook zijn. Bosma voert niet alleen redenen op, het zijn bovendien redenen waar de voorstanders van ontwikkelingssamenwerking gevoelig voor zijn. Ontwikkelingshulp, suggereert Bosma, schaadt juist de mensen voor wie we op willen komen. Het schaadt de Haïtianen en het schaadt de inwoners van Botswana. Ontwikkelingshulp leidt tot alles wat de voorstanders juist wilden vermijden of bestrijden.
Een tweede variant komt van Geert Wilders zelf. De PVV-leider zegt ontwikkelingssamenwerking af te willen schaffen om het daarmee bespaarde geld in te zetten voor de ouderenzorg in Nederland. Tweet: ‘Onze ouderen verpieteren terwijl er miljarden euro’s naar asielzoekers en ontwikkelingshulp gaan. Schandalig!!’
Ook dit frame is interessant. Feitelijk spreekt ook Wilders zich niet uit tegen het hélpen van mensen in Afrika en Azië. Integendeel. Hij wenst enkel te kiezen voor de armsten in Nederland. Waarom moeten we zo nodig de gezondheidszorg in Mali regelen, terwijl de eigen gezondheidszorg naar de haaien gaat? Daarbij verzwijgt hij natuurlijk dat armoede in Venlo nogal verschilt van armoede in Bangui. Het maakt nogal wat uit of mensen mogen verwachten 81 jaar te worden, zoals in Nederland, of vijftig zoals in de Centraal-Afrikaanse Republiek.
Net als Bosma speelt Wilders hier de feitelijke en de morele kaart. Hij weet dat juist de voorstanders van ontwikkelingshulp gevoelig zijn voor de redenering dat onze ouderen niet de verzorging krijgen die ze verdienen. En Wilders verschaft hen maar één keuze: wanneer wij die halve eurocent uit blijven geven aan ontwikkelingshulp, dan gaat die ten koste van opa in het verzorgingstehuis. Dat daar ook geld voor kan worden gevonden in de overige 99,5 procent van ons nationaal inkomen, vermeldt hij wijselijk niet.
De derde variant werd geïntroduceerd door de VVD-Kamerleden Ingrid de Caluwé en Stef Blok. ‘Ontwikkelingshulp is geen kerntaak van de Nederlandse overheid’, opinieerden beiden in de Volkskrant. ‘Als liberalen voelen wij zeker een morele plicht tegenover medemensen die het minder hebben. Maar waarom zouden we die willen afkopen via de overheid? Niets houdt mensen tegen die een financiële bijdrage willen geven aan zinvolle ontwikkelingsprojecten. De rekeningnummers van Oxfam Novib en Artsen zonder Grenzen staan gewoon op hun websites.’
Ook de retoriek van De Caluwe en Zijlstra is opmerkelijk. Want net als Bosma en Wilders nemen ook beide VVD’ers een feitelijk en moreel standpunt in. Ze spreken zich niet uit tégen het helpen van mensen, maar tegen de onvrijwilligheid die daarmee gepaard gaat. Waarom zouden we gedwongen moeten worden mensen te helpen, wanneer we dat, net als de goedgeefse VVD’ers, ook vrijwillig kunnen doen? Hoe kunnen we in hemelsnaam de vrijheid in Afrika bevorderen, wanneer we hem in Nederland wegnemen?
Wat beiden niet melden, is dat we tal van morele plichten afkopen via de overheid. Via de overheid dwingen we kinderlozen om mee te betalen aan de opvang van kinderen, we dwingen stadsbewoners om te dokken voor het leefbaar houden van het platteland en gezonden om mee te betalen voor zieken. Waarom zouden we ook ontwikkelingssamenwerking niet regelen via de overheid?

De drie varianten hebben één ding gemeen: de VVD noch de PVV zegt dat armoede en onrecht hen geen bal kan schelen. Integendeel. Bosma neemt het expliciet op voor de slachtoffers van de hulp. Wilders trekt zich het lot aan van de zwaksten in onze eigen samenleving. En Blok en De Caluwe willen Nederlanders bevrijden van de tirannie tot helpen.
Met hun feitelijke en morele argumentatie raken ze een gevoelige snaar. Door onrecht, onvrijheid en armoede in ontwikkelingslanden met argumenten af te zetten tegen onrecht, onvrijheid en armoede in Nederland en in ontwikkelingslanden zelf, begonnen ook traditionele voorstanders van ontwikkelingssamenwerking te twijfelen.
Sommigen aarzelen zelfs om de VVD en de PVV tegen te spreken. Want ze weten dat ze dan niet alleen het verwijt krijgen dat ze geen oog hebben voor de belangen van het eigen volk, maar dat ze ook mensen in ontwikkelingslanden schade toebrengen. Deze aarzeling is begrijpelijk, maar ze zouden voorstanders niet moeten beletten om de hulp in verdediging te nemen. Juist het feit dat beide rechtse partijen feitelijk en moreel argumenteren, is ook een uitgelezen kans om hen op dezelfde wijze tegemoet te treden. Juist wanneer het om feiten en morele argumenten gaat, hebben voorstanders van ontwikkelingshulp een sterke positie.
Op de eerste plaats moeten voorstanders er niet omheen draaien dat het belang van ontwikkelingssamenwerking nog steeds dáár ligt. Niet bij óns in Nederland, maar dáár, in Afrika en Azië, zijn nog achthonderd miljoen mensen extreem arm. Dáár gaan nog zestig miljoen kinderen niet naar school. Dáár sterven nog acht keer meer kinderen voor hun vijfde levensjaar dan in Europa. Wanneer ook Nederland van ontwikkelingshulp profiteert, is dat mooi meegenomen. Dit is de volgorde waarin de boodschap moet worden gebracht.
Op de tweede plaats zouden voorstanders veel krachtiger moeten laten horen dat ontwikkelingssamenwerking effect heeft. Dat ze landen weliswaar niet uit de armoede kan halen of hun economieën kan laten groeien, maar dat de ellende wel fors op zijn retour is. In 1990 leefden nog 1,9 miljard mensen in honger en extreme armoede, vandaag zijn het er achthonderd miljoen en waarom zou het niet lukken om ook die laatste achthonderd miljoen een zetje in de goede richting te geven? Wereldwijd halveerde het aantal kinderen dat sterft voor het vijfde jaar en dit gebeurde ook met het aantal moeders dat overlijdt op het kraambed. De besnijdenis van meisjes neemt fors af, het aantal doden door tbc, malaria en hiv-aids daalde met tientallen procenten. En ontwikkelingssamenwerking leverde daar een substantiële bijdrage aan.
Op de derde, en belangrijkste plaats moeten voorstanders van ontwikkelingssamenwerking er niet voor terugdeinzen om zélf een heldere morele positie in te nemen. Of je het nu naastenliefde, internationale solidariteit of sociaal investeren noemt: ontwikkelingssamenwerking helpt mensen wereldwijd om gezonder, veiliger, slimmer, weerbaarder en actiever te zijn, zodat ze hun leven voluit in kunnen zetten voor hun eigen dromen en voor de dromen van anderen.
Moreel denken moet je niet overlaten aan Martin Bosma. En juist ontwikkelingssamenwerking gaat over moraal. Ontwikkelingshulp gaat over de vraag: hoe zorgen we ervoor dat zoveel mogelijk mensen wereldwijd een waardig leven kunnen leiden? Pas daarna gaat het over het vaccineren van mensen tegen gele koorts, het opruimen van landmijnen of het regelen van schoon water.
Deze inzet voor ontwikkelingshulp is intrinsiek goed, of je het nu beargumenteert vanuit de bijbel of de koran, vanuit Jan Pronk of Martha Nussbaum. Hoewel de opkomst van Trump en Wilders anders doet vermoeden, zijn steeds meer burgers gevoelig voor een stevige morele argumentatie. Steeds meer mensen breken met het paradigma dat alles draait om winstmaximalisatie en het complimenteren van het dikke ik. Nú kapitaliseren alleen de populisten op dit sentiment. Ontwikkelingsorganisaties en hun voorsprekers in de politiek en media zouden hetzelfde kunnen doen.

Wat voorstanders van hulp in elk geval niet moeten doen, is schermen met argumenten van eigenbelang. Die verleiding ligt voor de hand om het belang van de hulp voor Nederland te benadrukken in de hoop dat rechts en extreemrechts het ontwikkelingsbudget dan met rust zullen laten. Het resultaat zal averechts uitpakken: wanneer het toch om Nederland draait, dan kan het geld ook maar beter in Nederland blijven. Dat is wat gebeurde bij de verkiezingen van 2012. Toen startten een aantal ontwikkelingsorganisaties de protestactie ‘Je krijgt wat je geeft’. Dat was geen handige manoeuvre. Want de actie suggereerde immers dat Nederland niet aan ontwikkelingshulp moet doen om ánderen uit de penarie te helpen maar om er zélf beter van te worden. ‘Door zware bezuinigingen op ontwikkelingshulp dreigt Nederland haar internationale positie te verspelen’, schreven zij toen. ‘Hoe meer we ons van de wereld afkeren, hoe hoger de kosten in de toekomst zullen zijn: minder kansen voor onze bedrijven, meer crises die kostbare ingrepen vragen en meer onveiligheid wereldwijd.’
Ongetwijfeld was dit helemaal waar. Maar het was niet de waarheid waar ontwikkelingsorganisaties van leven. Zij worden niet gedreven door het verlangen om de interesses van het Nederlandse bedrijfsleven te behartigen. Ontwikkelingswerkers worden gedreven door het verlangen naar een rechtvaardige wereld. Jammer genoeg was dat niet wat ze uitdroegen. Ze speelden de kaart van het eigenbelang.
Voor de VVD en de PVV was dit verweer een steuntje in de rug. Wanneer zelfs ontwikkelingswerkers het belang van Nederland voorop stellen, dan is het alleen nog maar een kwestie van bepalen hoe je die 3,4 miljard daar dan het meest effectief voor inzet. En dan zouden de Nederlandse defensie, ouderenzorg of lastenverlichting wel eens veel interessantere opties kunnen zijn.