Het Syrisch isolement

Bijna drie jaar na het begin van de burgeroorlog in Syrië heeft deze uitzichtloze ramp in Nederland de gedaante van een gironummer gekregen. Ja, met de regelmaat van een voetbalwedstrijd zien we op de televisie gruwelijk verminkte slachtoffers, vluchtelingen, verwoeste steden.

Tot dusver hebben ongeveer 120.000 mensen het niet overleefd. De buurlanden Turkije en Libanon hebben een ernstig vluchtelingenprobleem. Pogingen tot internationale inmenging van de Verenigde Naties, Moskou en Washington zijn op niets uitgelopen. Nederland is niet het enige land dat zich tot liefdadige onverschilligheid bepaalt. Een groeiend deel van de internationale gemeenschap neemt min of meer dezelfde houding aan.

Maar dit permanente bloedbad is geen gruwelijk statisch gegeven. Deze burgeroorlog internationaliseert. Volgens door de Amerikanen (de NSA? Prism? CIA?) opgevangen berichten zou Ayman al-Zawahiri, de leider van al-Qaeda in Pakistan, de ontwikkelingen in Syrië veelbelovend vinden. De toestand aan het front, als je daarvan nog kunt spreken, wordt ingewikkelder. Regeringstroepen bestrijden het Vrije Syrische Leger, maar daarnaast zijn allerlei zelfstandige strijdgroepen actief. In mei van dit jaar kondigde president Obama het einde van de oorlog tegen de terreur af. Die conclusie is achterhaald. Het front in Syrië wordt steeds verder geïnternationaliseerd. Uit tal van West-Europese landen, waaronder Nederland, komen vrijwilligers, jihadisten, de partij van al-Qaeda versterken. Dat geldt ook voor Mali, Libië en Jemen. En het is niet uitgesloten dat ze later, na gedane zaken in Syrië, terugkeren naar Europa om hun ervaringen verder in de praktijk te brengen.

De verhoudingen in Syrië zijn aan het veranderen, misschien op langere termijn in het voordeel van de jihadisten. Maar de toestand is veel te verward om nu op korte termijn te besluiten Assad met militaire ingrepen tegen de jihadisten te steunen. Het is trouwens de vraag of de publieke opinie in het Westen dat zou begrijpen nadat hij zich de afgelopen jaren als een internationale schurk heeft gedragen. Op het ogenblik kost het de grootste moeite zijn voorraad gifgas op te ruimen, nadat hij daar al een deel van had gebruikt. Bovendien zou zo’n radicale verandering van beleid door menige bondgenoot niet worden begrepen. En afgezien van dit alles blijft het de vraag hoe we ons een gewapende ingreep moeten voorstellen, na de driekwart ramp in Afghanistan en de totale mislukking in Irak.

‘Wat hebben we aan training? We willen echte hulp’

Op 22 januari zal in Genève een grote internationale conferentie over Syrië beginnen. Ter voorbereiding zijn vorige week op Nederlandse uitnodiging zeventien leden van de internationaal erkende Syrische oppositie in Den Haag geweest om zich in Instituut Clingendael te bekwamen in internationale onderhandelingen. Bath Jamous, de tweede man van de delegatie, is geïnterviewd door NRC Handelsblad. Hij heeft geen illusies. ‘Alle westerse landen willen ons onderwijzen. We kunnen permanent op cursus met dit soort aanbiedingen van onze internationale vrienden. Maar wat hebben we eraan? We hebben ambassades nodig om onze zaak te bepleiten. We hebben geld nodig om mensen te helpen die nu bij ons sterven. We hebben de druk van onze vrienden nodig om Assad weg te krijgen. Wat hebben we aan training? We willen echte hulp.’

Het nieuwe Syrische gevaar bestaat volgens de zich snel verbreidende mening in het Westen uit de jihadisten die in de burgeroorlog hun vak leren en het dan hier in praktijk brengen. Zo’n wonder is dat niet. Hun bedrijfskapitaal van onze angst is definitief gelegd met de verwoesting van de Twin Towers en is daarna met tientallen aanslagen in westerse landen krachtig bevestigd. Volgens Jamous hoort het tot de strategie van Assad om deze zienswijze aan te moedigen en dan de mening te vestigen dat zijn regering de enige kracht is die een effectief tegenwicht kan bieden. Jamous beschouwt dit als onzin. ‘Wat hebben we aan training? Echte hulp hebben we nodig!’

Zo dreigen degenen die het Syrische vraagstuk willen oplossen de volgende fase van verwarring te bereiken. Het is vrijwel zeker dat geen land zich aan gewapende inmenging zal wagen. Hier geldt de oude militaire wijsheid (zoals ook in Afghanistan, Irak en misschien straks Mali). Een oorlog beginnen is gemakkelijk genoeg, maar tenslotte gaat het erom de strijd tot een goed einde te brengen. Hoe dat in Syrië in zijn werk zou moeten gaan weet niemand. Maar wat dan? In dat geval hebben we alleen onze gironummers, het liefdadig isolement.