China: de toekomst van een grootmacht

Het systeem kraakt

China’s successen zijn de leiders naar het hoofd gestegen. De groei stokt, het land is vervuild en de bevolking kan zich elk moment gaan roeren, maar de leiders bewaken angstvallig hun posities en hun geld. Hervormingen laten op zich wachten.

De toekomst van de wereld zal in grote mate afhangen van de vraag hoe China te voorschijn gaat komen uit een dubbele crisis: het spaak lopen van het eigen groeimodel en de stagnatie van de wereldeconomie. Zal de rest van de wereld naar China’s pijpen gaan dansen? Zal de Volksrepubliek de macht met zijn grote Amerikaanse tegenspeler moeten delen? Of zal het Hemelse Rijk bezwijken onder zijn ­overweldigende ­binnenlandse problemen nu het Chinese economische wonder begint te verbleken?

De problemen waarmee ’s werelds op één na grootste economie worstelt zijn overduidelijk. Om er een paar te noemen: de groei van de export loopt terug, het milieu is grondig verziekt, tussen rijk en arm gaapt een diepe kloof, een schuldencrisis dreigt, de bouwbubbel kan elk moment barsten, de eenkindpolitiek heeft geleid tot inkrimping van de arbeidsmarkt en een snelle vergrijzing van de bevolking. Landjepik, voedselschandalen, censuur, politieke intolerantie en corruptie op alle niveaus ondermijnen het vertrouwen in de communistische partij en illustreren de afwezigheid van een rechtsstaat. Ondanks, of misschien juist vanwege die problemen spreken de leiders het Chinese nationalisme stevig aan om oude en nieuwe ­territoriale aanspraken kracht bij te zetten, ook militair.

Zo duidelijk als de diagnose van de problemen is, zo onzeker is de toekomst. Die onzekerheid tekent de diepe crisis van dit transitiemoment. Transitie naar wat? Er zijn grofweg drie scenario’s, die elkaar geheel of gedeeltelijk uitsluiten en toch alle drie met zeer plausibele argumenten te verdedigen zijn.

Scenario 1: Wereldleider. Een stabiel, welvarend China zal vanwege zijn omvang en inwonertal vrijwel automatisch wereldleider worden. Om stabiliteit en welvaart te bereiken zullen de leiders ingrijpende politieke en economische hervormingen doorvoeren. Als de binnenlandse basis eenmaal gezond is, houdt niets meer de transformatie van China tot nieuwe supermacht tegen. Van de rest van de wereld verwacht China respect en economische samenwerking. Het land heeft echter geen last van ideologische of militaire zendingsdrang.

Scenario 2: Medeleider. Dankzij enige hervormingen zullen de autoriteiten de binnenlandse problemen onder controle kunnen houden. Daar hebben ze hun handen zo vol aan dat China niet de absolute wereldleider zal worden, maar wel de grootmacht van de regio. Tegelijk zal de macht van de VS zo afkalven dat ze hun status van wereldleider zullen verliezen. De wereldmacht zal worden gedeeld door Amerika, China en wellicht ook andere brics-landen (‘Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika’). Deze landen zullen zo op elkaar zijn aangewezen dat oorlog geen optie is.

Scenario 3: Zieke man. China’s groeimodel loopt stuk op zichzelf en op de wereldcrisis. De introductie van een nieuw groeimodel, gebaseerd op duurzaamheid en ontwikkeling van de binnenlandse markt, blijkt onmogelijk. De economie is immers te ver scheefgegroeid en de schadelijke effecten van de wildgroei zijn te ver doorgewoekerd. Bovendien blokkeert de elite politieke hervormingen. Een oorlog kan dienen als nationalistische bliksemafleider, maar de afloop kan voor de communistische partij rampzalig zijn. Chaos in China kan een destabiliserend effect hebben op de hele wereld.

Dit artikel gaat over het worst case scenario.

Sinds Mao is de implosie van het Chinese communistische regime al vaak aangekondigd, maar de partij is nog altijd aan de macht. Argwaan tegenover de Cassandra’s is op z’n plaats. En toch is het onheilsscenario sinds de Tiananmen-revolte nooit zo realistisch geweest als nu.

Partijbazen roepen al jaren dat er hervormingen moeten komen. De economie moet groen en duurzaam worden, de investeringen moeten dalen en de consumptie moet stijgen. Maar om politieke redenen zullen die hervormingen er niet komen. Ze zouden immers een aderlating betekenen van de macht van de economische elite, die samenvalt of nauw verweven is met de politieke elite. Maar die prachtige Wereldbank-blauwdruk China 2030 dan, vol marktgerichte hervormingen? Dit rapport heeft zichzelf, de steun van de nieuwe premier Li Keqiang ten spijt, onbruikbaar gemaakt doordat het de crux van elke hervorming, de inperking van de macht van de partij, zorgvuldig omzeilt – terwijl de uitvoering van alle belangrijke aanbevelingen zonder die inperking onmogelijk is.

Hoe weinig er tot nu toe van de vaak beloofde ombuiging naar een duurzaam groeimodel terecht is gekomen blijkt uit de belangrijkste indicatoren. De investeringen in vastgoed nemen niet af, de consumptieve bestedingen dalen, de groei van de dienstensector blijft achter, de industriële productie loopt achteruit en de vervuiling neemt nog toe. Daarmee heeft China zichzelf veroordeeld tot voortmodderen, permanente crisis en misschien zelfs teloorgang. Als de perikelen zich zouden beperken tot één groot probleem, de instorting van de woningmarkt bijvoorbeeld, dan zou er weliswaar reden zijn tot bezorgdheid, maar niet tot paniek. Worden er twee grote problemen tegelijk acuut, de huizenzeepbel en de schuldencrisis bijvoorbeeld, dan wordt een oplossing heel lastig. Maar als daar nog andere kritieke kwesties bij komen, zoals de krimpende arbeidsmarkt, teruglopende productiviteitsgroei, onbetaalbare pensioenen of een milieucatastrofe, dan worden de problemen samen niet meer te behappen.

Voeg daarbij de crisis in de EU en de VS, China’s grootste handelspartners, en de conclusie dringt zich op: alleen een wonder kan een implosie voorkomen. Bovendien kondigen zich in Amerika twee productierevoluties aan: schalie-olie voor de fabricage van plastic materialen en 3D-printing voor de fabricage van alles. Beide zullen zorgen voor nieuw elan in de Amerikaanse maakindustrie. Dat betekent dat uit China veel minder geïmporteerd hoeft te worden.

Er is weinig tijd meer om de meest bedreigende crisis de baas te worden: de milieuonttakeling, veroorzaakt door de economische wildgroei. Iedereen zegt dat wildgroei moet wijken voor duurzaamheid, en toch wil die overgang maar niet lukken. Allicht niet: onder het tien­jarig bewind van Hu Jintao was de macht in handen van de ‘prinsenkinderen’ (nakomelingen van roemruchte partijleiders) en andere groepen die dankzij het nu achterhaalde model fortuinen hebben vergaard. Die groepen laten zich ook onder de nieuwe leider Xi Jinping gelden. Xi zelf is een prinsenkind.

De vervuilingseconomie zit te diep in het systeem ingebed om nog omgevormd te kunnen worden. Verreweg de grootste vervuilers zijn de staatsbedrijven en de plattelandsindustrieën. Ze genereren belastinginkomsten en werkgelegenheid waar de lokale besturen niet buiten kunnen. De vervuilingsindustrie is almachtig. Zo slaagde ze er kort geleden in het verbod op de verkoop van schuimplastic etensbakjes te laten opheffen. Het gaat om miljarden bakjes per jaar, die na gebruik op straat of uit de trein worden gegooid. De grootste energiebedrijven leggen consequent de instructies over beperking van de co2-uitstoot van kolengestookte centrales naast zich neer, en de staatsoliemaatschappijen weigeren de olie beter te raffineren, want dat kost geld. Volgens economen van de Deutsche Bank zal tegen 2025 de luchtvervuiling in China met nog eens zeventig procent zijn toegenomen.

China kan kiezen: de al dan niet bijgestuurde economie blijven stimuleren en ten onder gaan aan een totaalvergiftiging, of het energiegebruik drastisch afremmen en daardoor een economische, sociale en politieke chaos riskeren. Of zou er nog een tussenweg zijn, met een halve vergiftiging en een halve chaos? Heel illustratief was het resultaat van een publieke enquête over de vraag waar men het liefst zijn kind zou willen laten opgroeien als dat geboren was op een van de (onbewoonde) eilandjes die China en Japan elkaar betwisten. De meeste mensen willen dat hun kind wel de Chinese nationaliteit krijgt, maar dat het beter kan opgroeien in Japan, Zuid-Korea of Taiwan, want daar is de lucht aanmerkelijk schoner en het leven aangenamer.

Alle beleidsmakers zijn het er onderhand over eens dat de 260 miljoen binnenlandse migranten – bouwvakkers, arbeiders, ateliermeisjes, horecapersoneel – uit hun marginale positie moeten worden gehaald, zodat ze consumenten worden en de economie een nieuwe impuls geven. Zoals zo vaak zit het probleem in de uitvoering. De metamorfose van een migrant in een volwaardig burger met recht op onderwijs, gezondheidszorg, een gesubsidieerde woning en sociale voorzieningen is becijferd op 12.500 euro. Vermenigvuldig dat met zo’n zeshonderd miljoen – het aantal huidige en te verwachten migranten – en de vraag is gewettigd: waar moet dat zelfs voor China onwaarschijnlijke bedrag vandaan komen?

Zelfs al wordt de officiële discriminatie tegen migranten verzacht, de niet-officiële zal veel lastiger zijn uit te bannen. ‘Echte’ stadsbewoners hebben vaak een diep dédain voor de haveloze nieuwkomers met hun gebrekkige opleiding en onverstaanbaar dialect. In een samenleving waarin het respect dat iemand geniet recht evenredig is aan de hoogte van zijn inkomen, de prijs van zijn auto en het aantal vierkante meters van zijn woning, zal het lang duren voordat de migranten de stad waar ze wonen ook werkelijk als hun huis ervaren. Bovendien, de door premier Li Keqiang gepredikte urbanisering is niet alleen een kwestie van bouwen. Het is ook zorgen voor onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid, openbaar vervoer, sociale voorzieningen, ontspanning, alles wat een stad leefbaar maakt. Chinese steden staan niet bekend om hun leefbaarheid.

Er is geen enkele aanwijzing dat de bouwkoorts zal verminderen, laat staan dat de prijzen van onroerend goed zullen terugkeren naar een normaal niveau. De vaak gemaakte vergelijking met de instorting van de Amerikaanse huizenmarkt in 2008 gaat niet op omdat het in China geen hypotheek- maar een speculatiecrisis is. Maar het effect kan even verwoestend zijn, of erger.

In westerse landen wordt vaak zenuwachtig gedaan over de razende vaart waarin China een kennis- en innovatie-economie zou worden. Innovatie neemt in het nieuwe Chinese ontwikkelingsmodel een centrale plaats in. De Chinese overname van de wereldeconomie zou slechts een kwestie van aftellen zijn. Maar waarschijnlijk zal het zo’n vaart niet lopen. Zelfs is het mogelijk dat het China nooit zal lukken om de sprong van de werkplaats naar het laboratorium te maken zolang de communistische partij aan de macht blijft.

China wil zich gaan toeleggen op het maken van hoogwaardige producten. De benodigde technologie kan het importeren, namaken, overnemen, stelen of zelf ontwikkelen. De goedkoopste methodes zijn namaak of rechtstreekse diefstal, de laatste jaren bij voorkeur door computerinbraken. Deze praktijken, die niet wezenlijk verschillen van de manier waarop de Amerikanen in de negentiende eeuw hun industriële know-how bij elkaar hebben gestolen, worden door de Chinezen vaak vergoelijkt als een stille wraak voor de vernederingen die hun in het verleden door het Westen zijn aangedaan.

Over het algemeen zijn de enorme bedragen die de regering in research development steekt niet echt goed besteed. Er gaat te veel zitten in development en te weinig in research, en wat er aan nieuws wordt ontdekt heeft vaak grote moeite met de overgang van het laboratorium naar de markt.

Dankzij gulle overheidssubsidies worden sinds 2011 in China meer octrooien geregistreerd dan waar ook, maar ze zijn vaak van dubieus kaliber en de meeste zijn geen uitvindingen maar gebruikstoepassingen. De zware hand van de overheid werkt op innovatie vaak eerder remmend dan stimulerend. De staat bevoordeelt haar eigen bedrijven en knijpt creatieve particuliere bedrijven af. Voor het stimuleren van creativiteit is het Chinese onderwijssysteem met zijn nadruk op het reproduceren van aangeleerde kennis niet erg geschikt. Plagiaat is zeer geliefd bij zowel studenten als docenten. Over het hele onderwijs hangt de zware schaduw van de partij. Als er één speler is die innovatie in de weg staat, dan is het de partij zelf.

Om minstens vier redenen is het regime niet in staat zich wezenlijk te hervormen: de meeste partijleiders hebben te grote belangen bij de status-quo, ze zijn bang voor hervormingen, ze zijn het onder elkaar niet eens en ze kunnen niet radicaal breken met het partijverleden uit angst voor het Chroesjtsjov-effect. De door sovjetleider Chroesjtsjov begonnen destalinisatie luidde immers volgens China het begin van het einde van de Sovjet-Unie in. China kan zijn strafkampen en de eenkindpolitiek opheffen, de schendingen van de mensenrechten beperken, de meest in het oog lopende uitwassen van de corruptie bestrijden, de teugel van de censuur vieren, maar een echte oplossing is er alleen als de problemen bij de wortel worden aangepakt: het systeem zelf.

Deng Xiaoping heeft eens gezegd dat economische hervormingen zonder politieke hervormingen geen zin hebben. De eerste kwamen er, en hoe. De laatste bleven uit, en toen ze in 1989 tijdens de vreedzame Tiananmen-opstand voor de deur leken te staan liet Deng zelf ze in bloed smoren. Bij het aantreden in 2003 van het tandem Hu Jintao-Wen Jiabao was er veel hoop op een frisse wind, maar hun woorden bleven geduldig en de werkelijkheid weerbarstig. Hoe zal het deze keer gaan?

De topleiding, het zeven man sterke Vaste Comité van het Politbureau, bestaat merendeels uit volgelingen van Jiang Zemin, de hoogbejaarde oud-partijleider die geheel vergroeid is met het oude ontwikkelingsmodel. Xi Jinping wil net als Deng wel economische hervormingen, maar geen politieke. Zelfs als hij die zou willen, dan nog zou hij niet ver komen, want hij is slechts de primus inter pares. En zelfs als Xi zijn collega’s zou meekrijgen, dan nog moeten de provinciale en plaatselijke leiders meewerken, en die hebben vaak hun eigen agenda.

China’s nieuwe leiders zijn, door hun ouders of hun eigen carrière, kinderen van het systeem. Ze hebben er alleen maar van geprofiteerd. Waarom zouden ze het dan veranderen? Xi heeft weliswaar gezegd dat de grondwet moet worden gerespecteerd, maar de censoren houden niet van pleidooien voor de grondwet. Op een nieuwe lijst van verboden onderwerpen staan: universele waarden, maatschappelijk middenveld, burgerrechten, de historische vergissingen van de communistische partij, de partijbourgeoisie, vrijheid van meningsuiting en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De laatste twee waarden zijn constitutioneel vastgelegd. Xi zelf spreekt niet meer over de grondwet. Hij heeft het alleen nog maar over zijn Chinese Droom, wat die ook mag inhouden.

Xi’s politieke hervormingen zullen niet verder gaan dan een lossere stijl, minder verspilling en enkele cosmetische ingrepen. De meest elementaire maatregel om de partij te redden en het vertrouwen van de bevolking te herwinnen is het aanpakken van de corruptie. Maar daarvoor zijn wel ingrediënten nodig waarover het systeem niet beschikt: transparantie, de heerschappij van de wet en onafhankelijke democratische controle. Van geen van de drie is in Xi’s Chinese Droom sprake.

Een effectieve maatregel, de verplichting voor hooggeplaatsten om opening van zaken te geven over hun vermogen, blijkt ook onder Xi onmogelijk. Een voorstel om zo’n verplichting in te voeren werd op een bijeenkomst in februari van het hoogste partijorgaan voor de corruptie­bestrijding unaniem verworpen. ‘De publieke opinie’, zei een bestrijder, ‘zou het niet tolereren als de omvang van onze rijkdom bekend zou worden.’ Acties voor een verplichte openbaarmaking van het vermogen van functionarissen worden niet op prijs gesteld. In april en mei 2013 werden minstens tien activisten daarom opgepakt. Een van hen is beschuldigd van het ‘aanzetten tot omverwerping van de staatsmacht’.

De stroom van onthullingen op Weibo (de Chinese versie van Twitter) over veile partij­bazen heeft hun soortgenoten nerveus gemaakt. Sommigen hebben zelfmoord gepleegd, anderen zijn met buit en al gevlucht. In verschillende steden hebben de autoriteiten een verbod uitgevaardigd om naar eigendomsgegevens over huizen te speuren, dit ter wille van de ‘privacy’ – lees: straffeloosheid – van de corrupte eigenaren. En in korte tijd is de controle op de sociale media zo aangescherpt en zijn de ideologische duimschroeven weer zo strak aangehaald dat de Weibo-onthullingen sterk zijn afgenomen.

De corruptie is te diep geworteld in de Chinese cultuur om nog te kunnen worden uitgeroeid. Rechten worden opgevat als gunsten, guanxi (connecties) kunnen alles voor elkaar krijgen wat wetten en regels verbieden en de machthebbers laten geen transparantie toe en wanen zich boven de wet. Zolang er geen vrije pers en onafhankelijke onderzoeksinstanties zijn en de pakkans minimaal is, zolang bedrijven en particulieren het gewoon blijven vinden om de gunsten van functionarissen met geld of cadeaus te kopen, zo lang zal de omkoperij welig blijven tieren. Corruptiebestrijding zal niet meer dan een cynische pantomime zijn, slechts bedoeld om het morrende publiek even af te leiden.

De bewering dat de partij de corruptie niet alleen accepteert maar zelfs aanmoedigt, is misschien niet eens zo gek als ze mag lijken. Niemand wordt meer partijlid uit communistische overtuiging. Wel vanwege de voordelen: een goede baan, carrièrekansen, connecties met invloedrijke lieden. Partijkaders worden geworven en gemotiveerd gehouden doordat ze een speciaal voorrecht krijgen: volop gelegenheid om zich te verrijken. Daarmee verzekeren de partijbazen zich van de loyaliteit van de kaders en verruimen ze ook hun eigen corruptie-inkomsten. Ze laten zich graag omkopen en geven daarvoor gunsten terug: investeringsprojecten, orders, vergunningen, ruime budgets, mooie banen, promotie, straffeloosheid voor illegale daden. De partijleden en hun familie, samen een paar honderd miljoen mensen, hebben bij corruptie dus alleen maar belang.

Functionarissen hebben meestal een bescheiden salaris. Maar als ze overal het geld voor het grijpen zien liggen, is het lastig de verleiding te weerstaan. Volgens officiële gegevens van oktober 2012 waren in de voorafgaande vijf jaar meer dan 660.000 partijkaders gestraft wegens corrupte praktijken. Dat astronomische aantal is slechts het ijsbergtopje. Als je corruptie definieert als het verschil tussen salaris en bezit is volgens politiek expert Bo Zhiyue 99,95 procent van alle functionarissen van hoog tot laag corrupt. Omvangrijke corruptie is te tolereren zolang de economie tomeloos groeit. Maar als de groei afneemt, zoals nu het geval is, wordt ze onduldbaar. Als de partij de corruptie werkelijk bij de wortel zou aanpakken, zou ze waarschijnlijk zichzelf vernietigen.

De hervormingen mogen nog zo urgent zijn, de partij kan ze niet uitvoeren omdat ze noodzakelijkerwijs de almacht van de partij inperken en daarom voor haar onaanvaardbaar zijn. Bovendien wordt ze verlamd door de angst dat hervormingen tot sociale instabiliteit leiden. ‘Stabiliteit is een eerste vereiste voor hervormingen’, heeft Xi Jinping tegen het Politbureau gezegd. Die obsessie verhindert de oplossing van sociale conflicten, die daardoor slechts scherper worden.

Het gebrek aan vertrouwen in de partij zal door het uitblijven van hervormingen nog verder worden aangetast, tot de bom barst. Er is een groep die op dat moment al vooruit is gelopen: de rijken zelf. Ze worden geobsedeerd door de gedachte dat ze hun bezit van de ene dag op de andere door een revolutie of een ommezwaai van het regime kwijt zullen raken, en daar willen ze niet op wachten. Een derde van de 63.500 Chinese ondernemers met meer dan zestien miljoen dollar is al vertrokken – vooral naar de VS, Australië, Canada en Nieuw-Zeeland – en ruim de helft van de rest heeft plannen in die richting. Deze motie van wantrouwen in het land dat hen rijk heeft gemaakt is ook ondertekend door 1,2 miljoen ‘naakte functionarissen’. Dat zijn partijkaders die hun geld en hun familie al in het buitenland in veiligheid hebben gebracht en wachten op het moment waarop ze zich bij hen kunnen voegen. In 2011 hadden de rijken gezamenlijk 446 miljard dollar naar het buitenland gesluisd. Dat was drie procent van het bbp.

Wanneer een keizer zijn hemels mandaat verloor, kreeg het geweld de vrije loop, en vaak viel dan het rijk uiteen. De laatste keer dat dat gebeurde was toen de hemel in 1911 het mandaat van de laatste keizer introk. China kan opnieuw uiteenvallen. Dat lijkt ondenkbaar, maar dat was China’s razendsnelle economische opbloei nog niet zo lang geleden ook. Het allergrootste schrikbeeld van de partij kan opnieuw werkelijkheid worden: revolutie en chaos. Maar het is evengoed mogelijk dat het anachronistisch geworden regime op een natuurlijke manier aan zijn eind komt, zoals destijds in de Sovjet-Unie. Er kan een Chinese Gorbatsjov opstaan, of er kan een nieuwe Tiananmen-beweging van de grond komen. Dezelfde communistische partij die China op zijn grondvesten heeft doen schudden zal aan haar eigen onmacht om zich te hervormen ten onder kunnen gaan.

China’s successen zijn de leiders naar het hoofd gestegen. Ze dachten dat het moment was gekomen om door te stoten naar de status van supermacht, terwijl ze hun eigen huis nog lang niet op orde hadden. Maar ze zitten te vast in het oude systeem om nog de hoogstnoodzakelijke hervormingen te kunnen uitvoeren. Dit leidt tot verdere verstarring, en deze weer tot toenemend verzet. Het antwoord daarop kan slechts grotere repressie zijn, eventueel met inzet van het leger zoals in 1989. Maar bij gebrek aan hervormingen zal het verzet toch weer de kop opsteken. Om zo’n infernale neerwaartse spiraal te voorkomen heeft de partij een bliksemafleider nodig.

Het is een bekende reflex van leiders in nood: stook het nationalistische vuur op en zoek een zondebok om de aandacht af te leiden en de bevolking weer achter je te krijgen. Als binnenlandse zondebokken kunnen de veronderstelde handlangers van buitenlandse ‘vijandige krachten’ fungeren. Vertegenwoordigers van internationale bedrijven en organisaties bijvoorbeeld. zoals Apple. Andere zondebokkandidaten zijn prominente leden van liberale stromingen in de partij, en natuurlijk de dissidenten. Maar daardoor wordt de crisis hoogstens even gemaskeerd. Er is dus zwaarder geschut nodig. De voorbereidingen daarvoor lijken al aan de gang, te oordelen naar het militaire machtsvertoon in de Oost- en Zuid-Chinese Zee en de agressieve toon van sommige Chinese militairen en opiniemakers. De geschiedenis heeft voldoende aangetoond dat het verschil tussen oorlogszuchtige taal en een echte oorlog overbrugbaar is.

In China zijn alle voorwaarden daarvoor aanwezig. Een diepgeworteld nationalisme. Een superioriteitsgevoel gemixt met een slachtoffercomplex. Gekwetste trots gemengd met arrogantie. Een opstandige publieke Weibo-opinie die de leiders door de mangel haalt als ze te weinig patriottische doortastendheid aan de dag leggen. Legitimiteitsverlies van een bewind dat afnemende prestaties paart aan een groeiende corruptie en niet eens een minimale kwaliteit van het bestaan weet te garanderen.

Een oorlog tegen een buitenlandse vijand als noodgreep om het vertrouwen en daarmee de legitimiteit terug te krijgen: het lijkt in strijd met alle rede, maar het nationalisme is een blinde kracht, en iedereen weet waartoe een kat in het nauw in staat is. Voorwendsels voor een aanval zijn er genoeg, en rechtvaardigingen te over. Wordt het niet de hoogste tijd dat China zijn natuurlijke leidersrol herneemt? Kan nog langer worden getolereerd dat vroegere vazalstaten als Japan, Vietnam en de Filippijnen het Rijk van het Midden straffeloos provoceren? En wat hebben de Amerikaanse indringers in het Chinese deel van de wereld eigenlijk te zoeken?

Welke vorm deze patriottische agressie zal aannemen weten we niet. Het kan een militaire verovering zijn van een of meer omstreden eilandengroepen, al dan niet gecombineerd met welgemikte raketschoten op strategische doelen in Japan, Vietnam en/of de Filippijnen. Om te voorkomen dat de Zevende Vloot tussenbeide komt zal China een aantal Amerikaanse communicatiesatellieten uit de ruimte schieten en zijn nieuwe wapens tegen vliegdekschepen aanspreken. Tegelijk zullen met cyberaanvallen zo veel mogelijk vijandelijke systemen onklaar worden gemaakt. De gemoederen zullen zo verhit zijn dat koele vragen al zijn verdampt nog voordat iemand ze heeft kunnen stellen.

Mocht China zo dwaas zijn zich in een oorlogsavontuur te storten, dan staat de afloop van tevoren vast. In het beste geval zullen de Chinezen afdruipen voordat de Amerikanen in actie komen met bommen en granaten. Alle andere gevallen zijn varianten op ergere vormen van vernederingen. Internationale hulp hoeft China niet te verwachten. Zijn beste vriend in Azië is het terrorismebastion Pakistan. De officiële vriendschap met Rusland wordt vooral gekenmerkt door haken en ogen. In de eigen regio heeft China zegge en schrijve twee vrienden, en wat voor vrienden: de internationale paria Noord-Korea die zijn eigen gang gaat, en vazalstaat Cambodja, waarvan de vriendschap met geld is gekocht. Het internationale prestige van de Chinese leiders zal inzakken. In eigen land zullen ze worden geconfronteerd met etnische opstanden en oplaaiend burgerverzet. De positie van Xi Jinping wordt onhoudbaar. Revolutie en chaos krijgen het land in hun greep.

De Chinese leiders kunnen het ook over een andere boeg gooien: een intensieve soft power-campagne die de wereld voor China moet winnen en misschien zelfs de Amerikaanse culturele invloed kan indammen. Maar soft power kun je niet kopen, die moet je waarmaken. Het mediageweld dat China in de wereld ontplooit heeft één tekortkoming, maar die is wel cruciaal: je leest of ziet er niet aan af wat er werkelijk in China aan de gang is. De pogingen van het soft power-apparaat om de Chinese maatschappij aantrekkelijk te maken voor de rest van de wereld worden keer op keer doorgeprikt door berichten over censuur, corruptie, vervolging van dissidenten en minderheden, voedselschandalen en andere onaantrekkelijke zaken.

Hoe meer China verstrikt raakt in zijn binnenlandse problemen, des te minder zal het meetellen op het wereldtoneel. Het wordt weer, net als in de Eeuw der Vernedering, de Zieke Man van Azië. Dan zal de kortstondige periode van China’s flitsende opkomst aan het eind van de twintigste en het begin van de 21ste eeuw op dezelfde manier eindigen als de zeven grote ontdekkingsreizen van de Chinese admiraal Zheng He bijna zes eeuwen eerder: in het niets.


Dit is een samenvatting van het slothoofdstuk van het boek China, wereldleider? Drie scenario’s voor de toekomst van de grootmacht van Jan van der Putten. De presentatie is op 11 juni bij Spui25, Amsterdam. Toegang gratis, reserveren verplicht: spui25.nl


Lezersaanbieding:

Onder de lezers van De Groene Amsterdammer wordt een leuke, door Piet Goede zelf op barietpapier afgedrukte foto verloot.

Neem deze advertentie mee naar het Gorcums Museum, bezoek de bijzondere tentoonstelling en maak kans op deze foto ter waarde van ¤175,-