DE ZAAK-DUYVENDAK

Het T-woord

De affaire-Duyvendak laat goed zien hoe de dramademocratie werkt. Daarbij staat de Democratie als Hoogste Goed tegenover de Terreur als Ergste Kwaad.

Discussie:
Wat is uw mening over de zaak-Duyvendak?

DE VAL VAN WIJNAND Duyvendak is niet alleen een persoonlijk drama en een drama voor GroenLinks, maar ook een schoolvoorbeeld van de werking van de dramademocratie. Death by media, zo moet de autopsie luiden. Het was niet zijn ‘verleden’ dat de voormalige activist achtervolgde, maar een bepaalde beeldvorming over dat verleden. Onder het mom dat we eindelijk eens moesten afrekenen met het ‘terrorisme’ van de jaren tachtig, rekenden zijn achtervolgers maar al te graag af met Duyvendak en zijn partij.
Het begon allemaal met een onverstandig persbericht ter aankondiging van het boek Klimaatactivist in de politiek, waarin Duyvendak een tikkeltje te trots was op de inbraak van de antimilitaristische organisatie Onkruit in het ministerie van Economische Zaken in 1985, waarbij hij op de uitkijk had gestaan. Was het sensatiezucht van zijn uitgever? In elk geval staat vast dat Duyvendak indertijd heilig geloofde in de effectiviteit van ‘directe acties’, zoals stakingen, blokkades, inbraken en sabotage, en trots was op de successen van de antimilitaristische kraak- en milieubeweging, waarvan hij een centrale aanjager was. ‘Inbreken is toch een beetje een vak dat je gewoon moet leren’, schreef hij nog in 1984 in het krakersblad Bluf!
Intussen hadden de honden van De Telegraaf en GeenStijl.nl bloed geroken en de jacht op hem geopend. Wilders’ PVV liet weten dat er voor ordinaire inbrekers in de Kamer geen plaats was. Fractieleider Femke Halsema, die haar collega Duyvendak aanvankelijk had verdedigd, zag de bui hangen en verklaarde dat hij GroenLinks had ‘beschadigd’ en dat zijn geloofwaardigheid een ‘deuk’ had opgelopen. Als een gezaghebbende woordvoerder als Halsema zoiets breeduit in de media zegt, kunnen de deuk en de schade natuurlijk alleen maar groter worden. De logica van de politieke taal is nu eenmaal die van de zichzelf vervullende voorspelling.
Vanaf dat moment bungelde Duyvendak. Des te harder omdat de Volkskrant zich inmiddels in de klopjacht had gemengd. Hoofdredacteur Pieter Broertjes is trots op het feit dat hij zijn krant van linkse dogma’s heeft ontdaan. Maar die operatie is zo goed gelukt dat de krant de spreekbuis is geworden van ex-linkse, naar cynisme neigende neocons. In 1985 had de krant nog dankbaar gebruik gemaakt van de door Onkruit gestolen informatie. Nu werd Duyvendak door politiek redacteur Hans Wansink neergezet als ‘de Gerry Adams van de milieubeweging’ – een schandalig buitenproportionele vergelijking tussen de methoden van Nederlandse activisten uit de jaren tachtig en een terreurorganisatie als de IRA, die tientallen jaren lang een bloedige burgeroorlog voerde waarin meer dan 3600 doden vielen.
Het hoofdredactioneel commentaar vond dat Duyvendak duidelijker afstand had moeten nemen van zijn links-radicale verleden. ‘Cru geformuleerd’ fungeerde GroenLinks ‘als een reclasseringsinstelling voor politieke delinquenten’. Het is inderdaad cru om karaktermoord te plegen op een hele politieke partij en alle vormen van politiek activisme op die manier te criminaliseren. Enkele dagen later, toen Duyvendak al was afgetreden, serveerde de Volkskrant een laf aftreksel van die eerdere formule. Als GroenLinks méér wilde zijn dan ‘een bejaardensoos voor overjarige actievoerders’, moest de partij zichzelf opnieuw uitvinden.

Framing is alles in de dramademocratie. Wat opvalt in al die oordelen is de vanzelfsprekendheid waarmee de Democratie als het Hoogste Goed wordt geplaatst tegenover de Terreur als het Ergste Kwaad. De democratische rechtsstaat en het parlementaire stelsel worden heilig en onschendbaar verklaard, en alle kritiek daarop, zeker in de vorm van buitenparlementair activisme en burgerlijke ongehoorzaamheid, komt in de hoek van het terrorisme terecht. De democratie is immers gewikkeld in een existentiële War on Terror, en elke vorm van illegaliteit is verdacht. De wet is de wet en regels zijn regels. Ook volgens rechtse populisten, die zichzelf overigens graag afficheren als anti-Haagse, buitenparlementaire politici en in hun uitlatingen voortdurend de grenzen van de rechtsstaat opzoeken.
Het begrip terreur lijdt tegenwoordig aan een ernstige inflatie. Voor Wilders is de islam intrinsiek gewelddadig, dus alle moslims zijn potentiële terroristen. Marokkaanse huftertjes worden al snel als ‘straatterroristen’ bestempeld. De radicale moslimsite Elqalem.nl beoefende het ‘lyrisch terrorisme’, dat was afgekeken van hun vijand Theo van Gogh. Voor zijn moordenaar Mohammed Bouyeri was Ayaan Hirsi Ali niets anders dan een ‘intellectuele terrorist’. Ook in de affaire-Duyvendak wordt het T-woord te pas en te onpas gebruikt. George Verberg, de oud-directeur van Economische Zaken die indertijd een brandende lap in zijn brievenbus kreeg gedeponeerd, vond dat Duyvendak ‘inbrak en terroriseerde’. De Volkskrant gaf hem gelijk en sprak in zijn commentaren steevast van ‘politieke terreur’.
Alles wordt op één hoop gegooid, naar het voorbeeld van de rabiate complotdenker Peter Siebelt, die in zijn boek RaRa Wie ben ik? (2003) Duyvendak probeert te ontmaskeren als een onverbeterlijke dief, inbreker, saboteur en mentor van ‘terreurgroepen’, die ‘net als Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuyn, [wordt] verdacht van lidmaatschap van een radicale groepering’ (namelijk RaRa). Het boek sluit af met een lijst van tussen 1970 en 2003 in Nederland gepleegde ‘terreurdaden’, waarbij acties van Palestijnen, de IRA, Molukkers en het Japanse Rode Leger in één adem worden genoemd met intimidaties, politieke demonstraties, blokkades, bekladdingen, inbraken, het ingooien van ruiten, het in brand steken van auto’s, het bevrijden van pelsdieren, het gooien van stronttaarten en het schrijven in en uitgeven van een blad als Bluf! Zelfs de ‘pro-sodomiefeesten’ die werden georganiseerd als protest tegen het bezoek van paus Johannes Paulus II in 1985 vallen in deze categorie.
De angst voor terreur lijdt aan dezelfde inflatie. Volgens cijfers van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken vonden in 2006 wereldwijd veertienduizend terroristische aanslagen plaats, een stijging van drieduizend ten opzichte van 2005. Het aantal burgerslachtoffers steeg van 14.600 tot ruwweg twintigduizend. Maar elke twaalf uur (zo rekent David Rothkopf uit in zijn boek De superklasse) sterven er wereldwijd ongeveer evenveel kinderen aan vermijdbare oorzaken; elke drie dagen sterven net zoveel mensen aan hiv/aids als per jaar door terrorisme. Van die twintigduizend personen kwam bovendien twee derde om in Irak, dus in een door de VS zelf veroorzaakte burgeroorlog. In totaal kwamen buiten Irak in 2006 ongeveer tien Amerikanen door terrorisme om het leven. Zelfs in 2001, met een recordaantal van 2974 terreurslachtoffers, kwamen bijna vijftien keer zoveel Amerikanen om bij auto-ongelukken.
Wijnand Duyvendak zat in zijn wilde jaren te dicht op de grens waar democratische overtuigingskracht en politieke pressie overgaan in intimidatie en kunnen ontaarden in politiek geweld. Hij leek die grens in een enkel geval te hebben overschreden, en over die acties niet altijd de waarheid te hebben verteld. Maar zowel zijn vrienden als zijn vijanden doen nu alsof die buitengrens van de democratische rechtsstaat in alle gevallen haarscherp en helder kan worden getrokken. Zodra men medeburgers fysiek bedreigt en/of geweld gebruikt, is die grens bereikt. Maar wat precies kan gelden als geweld is gevoelig voor interpretatie. Zo is er bijvoorbeeld sprake van een glijdende schaal tussen verbaal geweld en fysiek geweld. Mensen met een lage incasseringsdrempel voelen verbaal geweld (zoals schelden en beledigen) al gauw als fysiek geweld, en slaan terug. Maar verbaal geweld moet in een volwassen democratie tot op zekere hoogte worden getolereerd, zij het knarsetandend.

Het interessante van de kernwaarden van onze democratische cultuur en rechtsstaat is juist dat zij zowel ‘vaststaan’ als ‘losstaan’. We omarmen de beginselen ervan, maar houden die tegelijkertijd steeds in discussie. Zo is de scheiding tussen kerk en staat geen vaststaand en enkelvoudig gegeven, maar een praktijk die wisselt naar nationale en historische context. De vrijheid van meningsuiting vormt de grondslag van onze liberale democratie, maar is tegelijkertijd inzet van een onafgebroken strijd om de legitieme grenzen ervan: moeten we op voorhand respect opbrengen voor andermans denkbeelden of hebben we het ‘recht om te beledigen’?
Ook de politieke constitutie van de democratische rechtsstaat is niet heilig, ook al weigeren alle politieke partijen (ook linkse) tegenwoordig om nog serieus na te denken over zoiets als bestuurlijke vernieuwing. PVDA-minister Ter Horst verdedigt zelfs de kroonbenoeming van de burgemeester als datgene wat het beste past in de Nederlandse politieke cultuur. De voorzichtige suggesties van de Nationale Conventie en het Burgerforum Kiesstelsel zijn in een diepe la verdwenen. De democratie wordt op die manier verengd tot het bestaande parlementaire stelsel, politiek bedrijven blijft het speelterrein van de gevestigde partijen, en elke verdergaande democratisering wordt op regenteske wijze buiten de orde geplaatst.
Ook GroenLinks lijkt de fatsoenlijke burgermansdemocratie te omarmen. Femke Halsema laat zich te veel meeslepen door de legalistische tijdgeest. Maar het antwoord op de krakersleuze ‘deze rechtsstaat is niet de onze’ is niet het verabsoluteren van de bestaande parlementaire democratie. Ook de overheid kan de beginselen van de rechtsstaat schenden (bijvoorbeeld door informatie achter te houden en burgers te vernederen). Een gezond wantrouwen in politiek en politici en de mogelijkheid van buitenparlementair protest en verzet zijn kenmerken van een gezonde, stevig verankerde democratie. Illegale acties en methoden zijn in sommige gevallen aanvaardbaar, als de grens van het fysieke geweldgebruik niet wordt overschreden. Aan het verzet tegen het asielbeleid van Rita Verdonk deden zelfs burgemeesters mee. PVDA-Kamerlid Diederik Samsom werd onlangs nog gesignaleerd bij een ‘bosbezetting’ nabij het Zuid-Limburgse Schinveld. De bezetting van het Maagdenhuis en van de abortuskliniek Bloemenhove waren daden van democratisch protest waar de daders nog steeds trots op kunnen zijn.
Als we vruchtbaar willen debatteren over die ‘onverwerkte’ jaren tachtig, laten we dan beginnen met het afschaffen van de terreur van het T-woord.

Lees ook:
Een spandoek ziet niemand