H.J.A. Hofland

Het taboe van het Midden-Oosten

Internationale opschudding die, voorzover ik heb gezien, niet tot Nederland is doorgedrongen. In het nummer van 23 maart heeft de London Review of Books, een keurig tijdschrift voor intellectuelen, een essay gepubliceerd met de titel The Israel Lobby. Het is geschreven door Stephen Walt van Harvard University en John Mearsheimer, verbonden aan de Universiteit van Chicago. De strekking is tweeledig. De onvoorwaardelijke steun voor Israël heeft niet altijd het Amerikaanse nationaal belang gediend. Maar als Washington een principiële politieke keuze in het Midden-Oosten moest maken, is die vrijwel altijd ten gunste van Israël uitgevallen. De oorzaak daarvan, zeggen de auteurs, is de Israël-lobby.
Het volstrekt voorspelbare liet niet lang op zich wachten. Walt en Mearsheimer werden van antisemitisme beschuldigd, ze waren slordig en bevooroordeeld te werk gegaan, hun essay verspreidde «een lichte maar onmiskenbare stank», schreef Christopher Hitchens, in de Engels sprekende wereld een beroemd columnist.
Maar beide academici kregen ook hulp. Op 1 april wijdde The Financial Times zijn eerste hoofdartikel aan wat intussen een zaak was geworden. Zo gek kun je het niet bedenken, schreef de krant ongeveer, of het wordt in Amerika tot in het uiterste, zelfs in de meest beledigende bewoordingen bediscussieerd. Alleen als het over de verhouding tussen Amerika en Israël gaat, wordt het debat meteen door een taboe getroffen, en worden de critici voor antisemieten uitgemaakt. Vorige week woensdag kwam The New York Times met een artikel van de historicus Tony Judt – A Lobby, Not a Conspiracy – waarin hij het recht op vrije meningsuiting van de schrijvers verdedigt, betoogt dat er geen spoor van antisemitisme in hun essay te vinden is en zich genuanceerd met de strekking verenigt.
De belangrijkste alinea’s van Judt gaan niet over de beschuldiging van antisemitisme waardoor de kritiek op de Israëlische buitenlandse politiek wordt getroffen. «Ik denk dat dit essay van twee ‹realistische› politicologen niet meer dan een strohalm in de wind is», schrijft hij: «Als we later terugkijken, zullen we zien dat de oorlog in Irak met zijn rampzalige gevolgen niet het begin is van een nieuw democratisch tijdperk in het Midden-Oosten, maar het einde van een periode die in 1967 is begonnen. Toen werd het Amerikaanse bondgenootschap met Israël gevormd door twee imperatieven: de strategische eisen van de Koude Oorlog en de herinneringen aan de holocaust, de verplichtingen jegens de slachtoffers en de overlevenden. Maar de tijden veranderen en daarmee het strategisch debat.»
Judt vestigt vervolgens de aandacht op de opkomst van China en India. Nieuwe generaties zullen niet meer begrijpen waarom de imperiale macht en de reputatie van Amerika zo nauw zijn verbonden met één kleine, controversiële staat in het Midden-Oosten. Ze zien andere dringender belangen. En deze verschuivende aandacht heeft niets met antisemitisme te maken. «We kunnen deze veranderingen niet negeren», besluit Tony Judt. De praktische vraag is wanneer dit inzicht tot de Amerikaanse en Europese beleidsmakers doordringt. Ze hebben zich zo diep in de oude politiek vastgebeten, en de consequenties daarvan zijn zo ingrijpend, dat er een revolutie voor nodig is om het Westen op een ander spoor te brengen – zonder daarbij, vanzelfsprekend, Israël in de steek te laten.
Het jongste en beste voorbeeld van de manier waarop we ons in een steeg hebben gemanoeuvreerd is de reactie op de verkiezingsoverwinning van Hamas. Er is een groeiende kans dat nu, binnenkort, het conflict tussen Israël en Palestina weer oplaait, en dat pogingen tot bemiddeling nog minder effect zullen hebben. De Europese Unie en de Verenigde Staten hebben laten weten dat met de nieuwe Palestijnse regering niet wordt gepraat. Daarvoor zijn twee goede redenen. Een van de belangrijkste doelen van Hamas is de vernietiging van Israël, en het ligt voor de hand dat je je niet inlaat met de doodsvijand van een bevriende mogendheid. Bovendien is de nieuwe regering is in een principieel conflict met de Palestijnse president Mahmoud Abbas over de leiding van de veiligheidsdienst. Hamas wil daar iemand benoemen die in Israël op de liquidatielijst staat wegens aanvallen met raketten. Ook geen blijk van toenaderingsgezindheid. Er is een intern Palestijns conflict, en zolang dat op die manier voortwoedt, kan ook Abbas geen gesprekspartner zijn.
Bij wijze van waarschuwing heeft Amerika ook de economische hulp aan Palestina opgeschort. Dat maakt het volk tot slachtoffer van het politieke conflict. Zoals we al jaren weten: de Palestijnen zijn straatarm, de werkloosheid is rampzalig en dit is weer een van de oorzaken van de overwinning van Hamas. Opschorting van de hulp zal grote gevolgen hebben, waarvan Amerika als de schuldige wordt aangewezen. Iran, onverzoenlijke vijand van Israël, heeft aangekondigd het tekort voor een deel te zullen compenseren. Op deze manier wordt de positie van Hamas verder versterkt. En het resultaat is dat niet alleen de Amerikanen maar het Westen in zijn geheel zichzelf verder opsluit in de vicieuze cirkel van het Midden-Oosten.
De opkomst van Hamas is niet meer dan een deel van het grote probleem. Irak blijft er voorlopig bijhoren. Het Iran van president Ahmadinejad, op weg naar de kernbom, neemt nu langzamerhand de sleutelpositie in, zonder dat het onze strategen duidelijk is wat daaraan kan worden gedaan. En naarmate het succes van de vijand zich duidelijker aftekent, neemt de onzekerheid over wat er in andere Arabische landen gebeurt toe. Saoedi-Arabië, Syrië, Libanon en Jordanië, in uiteenlopende mate maar allemaal onbetrouwbaar voor het Westen. En Israël is een van de centra van dit wereldvraagstuk. Dat vast te stellen heeft niets met antisemitisme te maken.