Essay De lijdende rechter

Het tanende gezag van de toga

Gezag is niet meer vanzelfsprekend. Ook rechters merken dat. Ze worden aan alle kanten belaagd: door de media, door politici, en vooral door de mondige burger. Dat is gevaarlijk, want zonder goed functionerende rechtspraak wordt de samenleving een jungle.

Het gezag heeft zijn vanzelfsprekendheid verloren. Dat geldt voor het gezag van de vader, de leraar, de politicus, de directeur, de priester, de dokter. De Telegraaf benoemde 2012 tot jaar van het ondermijnde gezag, en wijdde er een van zijn oudejaarskaternen aan.

Ook rechters worden nu wantrouwend bezien. Fouten zullen zij, net als artsen, altijd wel gemaakt hebben, maar die komen nu naar buiten en worden hun publiekelijk aangerekend. Door de etalering via de media wordt hiertoe de weg geplaveid: het uitzenden van de rechtszittingen tijdens het proces tegen Geert Wilders over de vrijheid van menings­uiting bijvoorbeeld, met al die blijken van minachting voor de rechterlijke macht, heeft het respect voor rechters bij het kijkende publiek niet groter gemaakt. ‘Ook rechters konkelen’, luidde de kop van een artikel in de Volkskrant van 20 november 2010. Aanleiding is een boek van raadsheer Rinus Otte, De nieuwe kleren van de rechter, over het functioneren van de rechterlijke macht, want ook daar blijkt van alles mis te gaan. De rechtspraak dreigt vast te lopen door organisatorische problemen, een overmaat aan bureaucratie en ook door de instelling van rechters zelf, die weinig gevoel hebben voor een snelle en overzichtelijke afhandeling van eenvoudige zaken. ‘Een moedig boek’, noemt de een het, een ander laakt het als het buiten hangen van de vuile was, en weer een ander vindt het een grove overdrijving van dingen die zich overal afspelen. Maar wat er vooral uit naar voren komt is dat ook rechters ‘gewoner’ zijn dan lang gedacht. Rechters blijken niet boven de wetten van het dagelijkse verkeer verheven. En dat besef vermindert hun autoriteit.

Maar hoe ernstig is het wantrouwen tegen de rechters? Is ook hun gezag tanend? En is dat zorgwekkend: worden dan de wortels van de rechtsstaat aangetast – de onafhankelijkheid van de rechter en de scheiding van sferen, de trias politica van Montesquieu, de scheiding tussen wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht?

Rechters voelen zich aan alle kanten belaagd. Door de media die fouten in de rechterlijke macht hinderlijk uitvergroten, over blunders spreken en de suggestie wekken dat het ook in de gelederen van de rechtspraak niet pluis is. Door politici die uitspraken van rechters bizar vinden (Rita Verdonk: ‘Deze uitspraak is te bizar voor woorden’) of al bij voorbaat roepen, zoals in het geval van Wilders, dat als hij veroordeeld wordt de mensen het vertrouwen in de rechtsstaat zullen verliezen. En door de mondige burgers die zich weinig meer laten zeggen en geneigd zijn alleen gehoor te geven aan wat ze zelf juist vinden of wat hun uitkomt.

Voor sociologen golden de beroepen van arts en rechter lang als Professies bij uitstek: een hoge status, gedegen opleiding, een grote mate van autonomie, van eigen controle over kwaliteitseisen en toelating: kwaliteitsbewaking binnen eigen gelederen, zonder inmenging van buiten. Maar er is een belangrijk verschil: als mensen niet tevreden zijn over hun arts kunnen ze een andere nemen, en ze hoeven zich van zijn advies niets aan te trekken. Maar aan de uitspraak van een rechter moeten mensen gehoor geven, op straffe van sancties, met rugdekking van de staat. Dat is de macht waarover justitie beschikt, en die artsen ontberen.

Beide beroepen dienen een vitaal belang: artsen gaan over ziekte en gezondheid, rechters over orde en wanorde, over de regels van het samenleven en de overtredingen of schendingen hiervan. Aan beide beroepen liggen angsten ten grondslag: de angst voor ziekte en dood in geval van artsen, de vrees voor chaos en wanorde ligt aan de basis van het recht. Het recht dient ter bescherming van burgers tegen het recht van de sterksten, tegen mensen die het recht in eigen hand nemen (eigenrichting), of tegen de macht van de staat. Zonder een goed functionerende rechtspraak wordt de samenleving, is de angst, een jungle.

Maar loopt het zo’n vaart? Worden ook hier, net als in gezinnen en op scholen, de dingen die uit de hand lopen uitvergroot, waardoor er een misplaatst alarmerend beeld ontstaat? ‘Het zijn stenen in de vijver’, oordeelt een oud-rechter. Maar zijn het kiezels of keien? En wat wordt geraakt? In elk geval is er van alles gaande, in de samenleving en in de rechtspraak, wat op z’n minst rimpelingen in de vijver geeft en rechters tot nadenken dwingt over hoe ze hun gezag kunnen handhaven.

Allereerst is de samenleving complexer geworden, en daarmee ook de wetten en regelingen. Die moeten goed uitgelegd worden, want de mondige burgers stellen hoge eisen aan uitleg van vonnis en opgaaf van redenen. De eisen aan communicatie zijn in deze tijd hoog, dat geldt ook voor andere beroepsgroepen als artsen en politici.

Ook de tijdsdruk waaronder rechters moeten werken wordt hoger, de ‘productie­normen’ waar ook zij mee te maken krijgen worden opgevoerd, wat de kans op fouten, vrezen zij, groter maakt – en die fouten worden weer breder uitgemeten. Bovendien ervaren sommige rechters het als een aantasting van hun positie dat ook zij van de Raad voor de Rechtspraak nu ‘productieafspraken’ moeten gaan maken, alsof daarmee hun werk gedegradeerd wordt tot stukwerk – zie het protest van de rechters uit het noorden van het land. Hun alarmkreet werd onlangs kracht bijgezet door de president van de Hoge Raad Corstens, die zich in een artikel in NRC Handelsblad begin februari achter het manifest schaarde. Hij maakt zich zorgen over de ‘doorbuffelende rechters’ die structureel overwerken, en er soms maar van afzien om getuigen te horen omdat dit te veel tijd kost; wat ten koste gaat van de benodigde zorgvuldigheid.

Maar het is meer dan alleen de werklast die de beroepsgroep onder druk zet, het is ook de overgang van een gesloten organisatie van professionals met een grote mate van zelfbeheer en vaste routines naar het model van een goed gerund bedrijf met de moderne eisen van snelheid en efficiëntie en de noodzaak van kostenbeheer. Het is de taal van de markt die ook hier binnendringt, en die als aantasting wordt ervaren van hun status en professionaliteit.

Het gevoel belaagd te worden komt zo van verschillende kanten. Rechters ervaren de druk van buiten – van de politiek, de media, de mondige burgers – en vrezen dat deze inbreuk kan maken op de mentale ruimte die nodig is voor een onafhankelijk oordeel. En dat onafhankelijke oordeel, die autonomie, is de kernwaarde van hun beroep, die niet aangetast mag worden.

Het beroep van rechter stelt ook hoge psychologische eisen van betrokkenheid en distantie. En van een voortdurend wikken en wegen tussen verschillende belangen, uiteenlopende waarden, zeker in een niet homogene samenleving, en tussen strijdige behoeften, zoals die aan empathie naast de roep (van politiek, en samenleving) om strengere straffen. Dat is voor een deel niet nieuw, wel is de samenleving de laatste decennia heterogener geworden, en het wantrouwen groter. Ook tegenover de rechterlijke macht.

Burgers zijn niet alleen mondiger en wantrouwender geworden, ze zijn zelf ook onderhevig aan strijdige eisen: de mondige opvoeding die een deel van hen heeft gehad, gericht op zelfsturing en zelfbepaling, staat op gespannen voet met de noodzaak zich te onderwerpen aan de wet. Hiërarchische bevels- en gehoorzaamheidsverhoudingen zijn verschoven naar democratischer overlegverhoudingen – binnen gezinnen, binnen organisaties, tussen overheid en burgers. Mensen worden grootgebracht en aangespoord tot grotere inspraak en mondigheid. Maar binnen het domein van het recht moeten ze aanhoren en gehoor geven. In de aansturing en regulering van gedrag in gezin, op school en in organisaties zien we een omslag van disciplinering naar motivering, naar het uitspreken van verlangens en ambities, en het betrokken maken van leerlingen, werknemers, burgers. Een andere taal en een ander regime dan in het recht.

Mensen komen dus in aanraking met een verschillend repertoire van geluiden. In de heersende cultuur figureren en domineren andere woorden (vrijheid, gelijkheid, overleg, onderhandeling, wil, motivatie, participatie) dan in het recht. De opvatting waarin mensen anderen gezag toekennen, vrijwillig, omdat die hen inspireren of richting geven, op grond van eigen keuze en overtuiging, is een geheel andere vorm van gezag dan geldt in het recht, waarbij gehoorzaamheid vereist is, onvoorwaardelijk. Gezag in het juridisch domein is juist dat je je bij een uitspraak neerlegt, ook al gaat die in tegen eigen belang of eigen overtuiging. Het is gezag dat gebaseerd is op macht – de macht van de staat, die zover kan gaan als vrijheidsberoving.

De bestrafte of in het ongelijk gestelde burger (in het burgerlijk recht of bestuursrecht) heeft de uitspraak te aanvaarden (behoudens hoger beroep en cassatie). Je onderwerpt je niet aan een persoon, maar aan een onpersoonlijk regime. Voorwaardelijke of selectieve aanvaarding horen niet thuis in dit repertoire, net zomin als de vraag naar instemmings­bereidheid. Maar dat is wel het repertoire waarin mensen in een cultuur van zelfbepaling, eigen keuze en eigen verantwoordelijkheid worden grootgebracht.

heeft dit gevolgen voor wat er gebeurt in de rechtszaal? Er duiken al snel voorbeelden op van mensen die zich weinig gelegen laten liggen aan de voorgestelde procedures en zich allerminst laten hinderen door de in die situatie vereiste gedragscode. Maar over het algemeen heerst in de rechtszaal, is de conclusie, nog steeds het gezag van de rechter, onaangetast. Een meerderheid van de bevolking heeft vertrouwen in de rechters, en dat neemt toe als mensen er meer mee te maken hebben. De bekendheid ermee vergroot het gezag, wat een argument kan zijn om meer bekendheid te geven aan de gang van zaken binnen het rechtssysteem. Maar hoe? Hiermee belanden we meteen in een van de hot issues van het moment: de omgang met de media. De verschansing in de ivoren toren is duidelijk niet meer van deze tijd, maar wat betekent openheid, en wanneer doet dat de zaak meer kwaad dan goed? Er zijn tv-series over de rechtbank die een goed idee geven van wat er speelt en hoe het toegaat, maar moeten rechters ook aanschuiven in tv-programma’s? Niet doen, zegt de een. ‘De gedachte van iemand als Yvo Opstelten dat rechters op de tv moeten verschijnen in praatprogramma’s is een enorme misser. Rechters zijn geen advocaten, die spreken voor zichzelf of voor hun cliënt. Een rechter vertegenwoordigt een institutie en spreekt niet als persoon. Een dergelijk optreden, dat nooit perfect zal zijn, zal het gezag van de rechter nog meer aantasten.’ Wél doen, zeggen anderen. ‘Dan kun je uitleggen hoe complex zaken vaak zijn en wat de redenen zijn voor een op het ­eerste gezicht onbegrijpelijk vonnis. Een controversieel vonnis moet worden uitgelegd. Dat vergroot het vertrouwen in de rechter en het gezag van de rechtspraak.’ Geen ivoren toren, meer uitleg, maar betekent dat ook een verkleining van de afstand? En is dat goed voor het gezag van de rechter?

Het dragen van een toga is bijvoorbeeld in de jaren zeventig ter discussie gesteld omdat dit afstand zou scheppen. In het kinderrecht is geëxperimenteerd met zittingen zonder toga. Het gevolg was dat het te gezellig werd en de verwachtingen van mensen niet meer in overeenstemming waren met doel en uitkomsten van de zittingen. Het belang van de toga wordt bevestigd door een jonge raio (rechter in opleiding). ‘Er gebeurt iets met me als ik de toga aantrek, dan wordt er naar me geluisterd. Ik spreek dan uit hoofde van het ambt, niet als persoon. Het is de presentatie van het ambt, dat je op dat moment vertegenwoordigt, een toga geeft me zekerheid en zelfvertrouwen.’ Ze noemt ook het belang van formaliteiten die horen bij een strakke hiërarchie: ‘Die moet je niet verstoren, want die is functioneel. Je moet bijvoorbeeld als rechter geen water inschenken, wat ik eerst wel deed, dat is de taak van de griffier.’

De oud-rechter denkt hier iets anders over: ‘Als je veel gezag hebt, kun je mensen op hun gemak stellen door even water voor ze in te schenken.’ Maar bij hem is het gezag vanzelfsprekend, de jonge raio moet het nog verwerven. Er is ook een spanning, vervolgt de laatste, tussen de niet-hiërarchische manier waarop ze is opgevoed en in het leven staat en de uitoefening van het beroep. En er is spanning omdat ze als persoon in het leven wil staan, ‘maar die persoon mag niet door de toga heen komen – dan is het de rol die je speelt, want het is ook een toneel waarop je een functie vertegenwoordigt, een positie bekleedt’.

Het gezag hangt uiteindelijk af van de kwaliteit van de vonnissen, van de interne logica ervan, daarover is iedereen het eens. Maar het gaat daarnaast, voegt de oud-rechter toe, om de overtuigingskracht van het vonnis. En daarmee belanden we weer bij die andere kwaliteit die ook steeds genoemd wordt: een goede communicatie. ‘Gezag kan alleen behouden blijven als er kwaliteit wordt geleverd. Dus: geen lange doorlooptijden, en begrijpelijke vonnissen en uitspraken, dus goede communicatie.’

Dat laatste is geen luxe, hebben artsen intussen lang en breed begrepen: een goede communicatie met de patiënt is niet iets extra’s, maar heeft een gunstige invloed op de effectiviteit van de behandeling. Arts-patiënt-communicatie is inmiddels een vast onderdeel van de medische opleiding, en het zijn vooral nog de oudere artsen die deskundigheid tegenover communicatie plaatsen in hun afkeer van al die nadruk op dat gepraat. Voor jongere artsen is communicatie een vanzelfsprekend onderdeel van hun kunde. Zo ver is het bij rechters nog niet, maar er is in de opleiding al veel meer aandacht voor de communicatieve kanten van het vak, en dat zal nog sterker worden.

Wat is nog meer vatbaar voor verbetering? ‘De rechtspraak kent nog te veel omslachtige procedures en processen, ze blijft achter in de digitalisering. De doorlooptijden, vooral in het civiele en bestuursrecht, moeten worden teruggebracht’, is het oordeel vanuit eigen gelederen.

En de feminisering? Tast de toestroom van vrouwen in de rechtspraak het gezag van het beroep aan? Is ook hier de deprimerende ‘wet van Sullerot’ geldig, volgens welke bij een overwicht van vrouwen in een beroep de status hiervan daalt? De juristen die ik dit voorleg, jong en oud, kijken me een beetje verbaasd aan: nee, dat speelt bij ons niet, dat maakt echt niet uit. Dat lijkt me in elk geval een goed teken. Maar de jonge kantonrechter tegenover me, Kim van der Kraats, vindt me te optimistisch. Toen zij als rechter aantrad, had een oude rechter tegen haar gezegd: oude mannen hebben van nature gezag; vrouwen, zeker als ze jong zijn, moeten dat verdienen door heel goed te zijn, een grote dossierkennis te hebben. Even later geeft ze een voorbeeld van hoe zij laatst te werk ging. Het was een zaak over spijkerbroeken, maat 28, die volgens de boetiekhoudster te klein en dus onverkoopbaar waren, en zij weigerde de leverancier te betalen. De zitting werd voor korte tijd geschorst, ze droeg beide partijen op de stad in te gaan en met een spijkerbroek maat 28 terug te komen, ter vergelijking, omdat ze de maat op het oog niet goed kon inschatten. Ze kwamen terug, de een met een grote maat 28, de andere met een kleine, waarop zij de aanwezige collega-rechter met maat 28 verzocht de bewuste broek aan te trekken – die paste. De boetiekhoudster ging daarop alsnog zonder morren tot betaling over. Hoewel de uitkomst voor haar niet gunstig was, had ze gezegd: ‘Maar u heeft me wel overtuigd.’ Het gaat om overtuigingskracht, die niet zozeer berustte op dossierkennis, maar die ontstond doordat op een inventieve manier de partijen werden betrokken bij het vinden van een uitkomst – waarbij zij als rechter de knoop doorhakte. Een andere manier om gezag te verwerven die goed aansluit bij deze tijd.

Het gezag van de rechter in de rechtszaal blijkt nog steeds groot, maar voor de rechtspraak als geheel is gezag wel een probleem. En dat gaat verder dan stenen in de vijver, oordeelt Jonathan Soeharno, hoogleraar rechtspleging. De unieke macht van het recht, die hij als staatsmacht omschrijft, vraagt om legitimering. Rechters moeten deskundig zijn, onpartijdig, onafhankelijk, en rechtvaardig, maar ze opereren in een complexe en veranderlijke maatschappelijke context. Het recht is ‘embedded’ in sociale verhoudingen, en verandert mee, wat een alertheid vraagt voor ontwikkelingen in de samenleving. Het vraagt een voortdurend nadenken over de waarden in de samenleving en wat die voor mensen betekenen. In deze waarden schuilt de legitimiteit van hun gezag, en die mogen voor geen prijs aangetast worden.

Al heeft het recht de macht om gezag af te dwingen, uitspraken moeten ook overtuigingskracht hebben. En daar komen de burgers in het geding. Want ‘wat kwaliteit is, wordt niet alleen door u (rechters) bepaald’, schreef Folkert Jensma begin januari in NRC Handelsblad. ‘De burger wil tijdige, begrijpelijke uitspraken.’ Maar heeft de burger het hier voor het zeggen?

De eis van begrijpelijke vonnissen die niet eindeloos op zich laten wachten lijkt me heel legitiem, en rechters geven zelf ook toe dat hier nog veel te verbeteren valt. Maar het gezag van de rechter moet niet afhangen van de instemming van degenen over wie hij oordeelt: ook als de uitspraak niet bevalt, zal er gehoor aan moeten worden gegeven. Het gezag moet niet steeds opnieuw verdiend worden. Rechters moeten het gezag van het recht waarmaken, in stand houden. Dat kan alleen als de kwaliteit van hun werk geen gevaar loopt. De verontrusting daarover is dus niet iets om weg te wuiven, want zonder die kwaliteit wordt hun autoriteit aangetast. En die is nodig voor het goed functioneren van de samenleving.


Dit is een bewerking van een lezing gehouden voor de Vereniging voor Rechtsfilosofen op 1 februari in Den Haag. Ik heb hiervoor gesproken met mensen ‘uit het veld’: een oud-minister van Justitie; twee rechters in ­opleiding; een stafmedewerker OM, Joanna Blaisse; een deken van advocaten; een oud-rechter en hoogleraar in het bestuursrecht, prof. mr. Rinus Mendel; en ik heb de referaten verwerkt van Kim van der Kraats en Jonathan Soeharno. Aan allen dank.

Christien Brinkgreve is hoogleraar sociale wetenschappen en schrijfster. Onlangs publiceerde ze Het verlangen naar gezag: Over vrijheid, gelijkheid en verlies van houvast, Atlas Contact 2012