Het te mooie meisje

Mary Gaitskill
Veronica
Uit het Engels vertaald door J. Jonker
De Bezige Bij, 276 blz., € 19,90

De Amerikaanse Mary Gaitskill (1954) debuteerde in 1988 met de bundel Bad Behavior. Een van deze verhalen diende als basis voor het scenario van Secretary, een film over een sadomasochistische relatie tussen een secretaresse en haar baas. Gaitskill, een voormalige stripper en callgirl, noemde de film de Pretty Woman-_versie van haar boek: te charmant, te aardig. Haar roman _Because They Wanted To werd genomineerd voor de PEN/Faulkner Award, Veronica voor de National Book Award.

Veronica beslaat een dag uit het leven van Alison, een aan lager wal geraakt ex-model dat leidt aan hepatitis, waarin ze terugblikt op haar modellencarrière. Opgegroeid met twee zussen in een gemiddeld verziekt gezin, laat de jonge Alison zich aan de hand nemen door haar schoonheid. Deze brengt haar in een wereld van opportunistische cokesnuivers waarin fotografen modellen verordonneren hun hand in hun broekje te stoppen en met zichzelf te spelen. Haar carrière eindigt, niet geheel onvoorspelbaar, in een desillusie waarna ze in New York wortelt. Daar ontmoet ze de theatrale Veronica, een vrouw van eind dertig die een relatie heeft met een biseksuele man. Van hem kreeg Veronica aids. Er ontspint zich een weerbarstige vriendschap tussen de vrouwen, waarna Veronica in stilte sterft.

Op het eerste gezicht ontstijgt het verhaal de doorsnee chicklit niet. Op het tweede gezicht is de toon echter te rauw. Seks en relaties zijn prominent aanwezig, maar hebben een pijnlijke ondertoon. Over een eerste vrijpartij: ‘Het was zo goed dat ik me na afloop opengescheurd voelde. Opengescheurd zijn voelde als liefde…’ Die scherpe pijn zit verweven in elk element van de roman: de ziekte, het verraad, de hypocrisie en de vergankelijkheid. ‘De verschrikkelijke, prachtige dingen vlogen naderbij, verpletterden ons en snelden weg.’ En dan, gelukkig, voordat het pathetisch wordt: ‘Nou ja, ze verpletterden mij. Hem snelden ze alleen maar voorbij.’ Deze passage kenmerkt de wisselingen van toon, soms bitter tot op het bot en dan weer cynisch met een poging tot luchtigheid. De giftigheid van de beelden maakt dat het nergens larmoyant wordt. Wanneer Alison het toilet schoonmaakt, roept de chemische geur ‘flauwe geurherinneringen’ op aan ‘snackbarvoedsel en openbare pis’. Geen tekst die bij zelfmedelijden past. Eerder bij een vrouw die berust in het feit dat ze het toilet van een oude vriend schoonmaakt, in plaats van bakken met geld binnen te halen met een mooie foto.

Daar draait het in dit verhaal om: om schoonheid en aftakeling. De roman begint met een gruwelijk sprookje over een meisje dat te mooi wilde zijn en als straf wordt veranderd in een standbeeld. In een interview vertelt Gaitskill dat het thema van Veronica ‘vorm versus vormloosheid’ is. De vorm waar het in dit boek over lijkt te gaan is de vorm van een leven. De discrepantie tussen het ruwe, decadente leven dat ze heeft leren kennen als model, de wereld van suburbane meisjesslaapkamers waar ze vandaan komt, en de wereld van ziekte en verval waar ze nu in woont – het zijn allemaal vormen van bestaan die in elkaar overvloeien en waarmee Alison, sadder and wiser, in het reine probeert te komen. Ook Alison zelf zoekt naar een nieuwe vorm nu haar schoonheid en lichaam haar in de steek laten.

De associatieve stijl, beladen met bizarre beelden en onlogische zintuiglijke verbindingen – ‘ze droeg haar slanke kont als een opgeheven staart en haar schouders als puntoren’ en ‘toen ze naar me glimlachte was het alsof er een zoemer afging’ – werkt ontregelend en draagt bij aan het gevoel van surrealistische onthechting. Soms wordt de schrijfster wel érg cryptisch, al zou dit te maken kunnen hebben met de hier en daar wat letterlijke vertaling uit het Engels. Maar wanneer Alison zich voorstelt dat ‘iets’ het duister wordt binnengedrongen, ‘iets substantieels en volledigs dat de menselijke definitie van die woorden te boven gaat’, wordt het geduld van de lezer behoorlijk op de proef gesteld.

Verreweg het meest interessant is Veronica, ze is het meest gelaagde personage in de roman: aanstootgevend, cynisch, onzeker en liefdevol. Alison heeft haar lief en haat haar bij vlagen. Hun vriendschap wordt gevoed door een mengeling van schuld en een stuurs soort liefde, alleen: waarom vertelt Alison ons dit? Probeert ze over het verlies van haar vriendin heen te komen, vrede te krijgen met haar dood? De rol van de vriendschap in Alisons leven is niet helder. Ook de keuze van die ene dag waarop Alison haar leven overdenkt is daarbij verwarrend. Waarom die dag? Wat staat er op het spel?

Misschien dat Gaitskill deze vraag voelde aankomen en daarom voor de volgende ingreep koos: op het eind van het boek legt ze expliciet uit welke rol deze vrouw in Alisons leven speelde. Dat doet ze door het sprookje waarmee het boek opent af te maken. Het te ijdele meisje waarmee het boek begon is, uiteraard, Alison, die gered wordt door een andere demon, Veronica, waardoor ze weer ‘menselijk’ wordt. Einde sprookje.

Van de constructie en het verhaal moet deze roman het niet hebben. Het zijn de unheimische sfeer en de onwaarschijnlijke beelden die je deze roman in trekken. En Alison, het meisje Alison, dat haar schoonheid draagt als een vloek.