Interview met de Bosnische president

Het testament van Izetbegovic

Vorige maand trok de Bosnische president Alija Izetbegovic zich terug uit de politiek. Vermoeid en verbitterd bespreekt hij met de Franse filosoof Bernard-Henri Lévy de geheimen uit de Bosnische oorlog, waarin zij elkaar leerden kennen.

Hij lijkt moe. Bleker dan twee jaar geleden, toen ik hem voor het laatst zag. «Ben ik verouderd?» vraagt hij. «Ik weet het, ik ben oud. Zelfs mijn stem is veranderd. Hoor je het niet? Hoor je niet aan mijn stem dat het niet goed met me gaat?» Van zijn stem ben ik niet zeker. Maar zijn gezicht is duidelijk veranderd. De kleur is te vaal, de neus te scherp. Als die ogen er niet waren — groot en blauw, in een mager, bleek gelaat — zou hij op de opgeblazen, bijna gemummificeerde Mitterrand van de laatste jaren lijken. «Het is goed dat je bent gekomen. Ik ben blij dat je nog belangstelling hebt voor Bosnië, want de wereld is ons vergeten. Vijf jaar geleden stonden ze in de rij om mijn kantoor binnen te mogen. En nu…»

Het kantoor is ook veranderd. Geen oorlogskabinet meer, verborgen in het centrale deel van het presidentiële paleis. Dit is een grotere kamer met nieuwe meubelen, een geur van gevernist hout en mooie gordijnen die de kamer een provinciaal tintje geven. Het kantoor van Izetbegovic was voor mij en voor anderen een heiligdom van het Bosnische heroïsme. Samen met Club 99 en de redactie van de krant Oslobodenje was het een van de plaatsen waar je op de hoogte kon blijven van de oorlog en het verzet

«Waarover wil je praten? Weinig mensen weten het, maar ik ben net klaar met mijn memoires. Ik heb besloten alles te vertellen. Niet iedereen zal daar blij mee zijn.»

Zijn lege, vermoeide blik krijgt iets ondeugends. Ik weet dat hij een sluw politicus kan zijn. «Ik ben oud, het is tijd om op te stappen.» Ik voel dat hij zin heeft om over de geheimen van de oorlog te praten, de oorlog die het hoogtepunt van zijn carrière was.

«Weet je nog, die avond in Parijs, de dag voor de aanvallen van de Navo, toen je schrok omdat je mij in de Amerikaanse ambassade zag? Ik was de officiële gast van Frankrijk en van president Chirac. En daar zat ik midden in de nacht op Amerikaans grondgebied.»

Natuurlijk wist ik het nog. Richard Holbrooke, de onderhandelaar, generaal Wesley Clark en ambassadrice Harriman waren erbij. Mijn vriend Gilles Hertzog en ik hadden tijdens het diner uitgelegd waarom het een schande was dat Amerika niet in Bosnië ingreep. Toen in een aangrenzende salon de koffie werd geserveerd, zagen we de president van Bosnië nonchalant op een bank zitten telefoneren.

«Ik was die ochtend in Parijs aangekomen en had de hele dag geprobeerd om Holbrooke te ontwijken — hij zat mij in die tijd overal achterna. ’s Avonds kreeg ik in het Crillon een boodschap van de Amerikanen: of ik dringend wilde terugbellen. Vergeet het, dacht ik, het is genoeg geweest, we gaan hoe dan ook morgen naar Sarajevo terug. Die avond ging ik nog met een paar vrienden en Osman, mijn lijfwacht, een wandelingetje maken in het park bij de Champs-Elysées. Het regende. Op een bepaald moment werden we aangeklampt door een paar Amerikanen: ‹Mevrouw Harriman nodigt u uit om te komen eten.› Eten? Het was elf uur ’s avonds, ik had al lang gegeten. ‹Goed›, zeiden ze, ‹vergeet dat eten, de ambassadrice heeft belangrijke informatie voor u.›»

Hij kijkt op. «Is het waar dat mevrouw Harriman dood is?»

«Ja», antwoord ik. «Een bizarre dood, een hartstilstand in het zwembad van haar hotel.»

«Jammer, ze was nog jong. Wel, ik ging dus met die mensen mee. We waren nog maar net in de ambassade toen ik Holbrooke telefonerend in een hoekje zag zitten. Hij gaf me zonder boe of ba het toestel en het bleek Strobe Talbott te zijn, de adjunct van Warren Christopher. Hij zei: ‹U zult blij zijn, want ik bel vanwege de Amerikaanse president. De beslissing is genomen. De aanvallen zullen in de volgende uren beginnen.›»

Ik zie de scène terug. Izetbegovic die lachte en Pamela Harriman en generaal Clarke naar boven volgde om — wat ik nu pas begrijp — op de monitors de voorbereidingen en de uitvoering van de aanvallen rechtstreeks te volgen.

Hij gaat voort: «Dat is niet alles. Het is niet het enige mysterie van die dag. ’s Ochtends had ik Chirac gezien, die zei dat hij hard wilde reageren op de jongste Servische beschietingen van Sarajevo, maar dat de Amerikanen weigerden. Hij wilde dat ik hem hielp om de Amerikanen onder druk te zetten. Nu zijn er drie mogelijkheden. Ofwel was er nog geen definitieve beslissing genomen toen Chirac dat zei, en heeft Frankrijk de beslissing beïnvloed. Vergeet niet dat Chirac een snelle-interventiemacht had voorgesteld om Srebrenica te heroveren en dat hij de Amerikanen om luchttransport had gevraagd, wat ze hem hadden geweigerd. Ofwel was de beslissing reeds genomen, kende Chirac ze en probeerde hij mij te misleiden, ik zou niet weten waarom. Of de derde hypothese is correct.» Hij glimlacht, met zijn ogen half gesloten, alsof hij aarzelt om door te gaan. Je voelt aan zijn houding dat hij hypothese nummer drie de waarschijnlijkste vindt: «Ofwel was de beslissing genomen en wist Chirac het niet. Omdat de Amerikanen hem niets hadden verteld.»

Ik denk terug aan de militair van Unprofor die mij in september 1995 in Sarajevo vertelde dat de Amerikaanse inlichtingendiensten konden bewijzen dat sleutelfiguren van de Franse strijdkrachten in Bosnië onder een hoedje speelden met hun Bosnisch-Servische tegenhangers.

«Is het mogelijk dat de Amerikanen de Fransen niet vertrouwden?»

Izetbegovic bekijkt me zijlings maar antwoordt niet.

«Ik wil nog iets vragen over Chirac. Ik herinner me dat u hem na het begin van de aanvallen heeft opgebeld om een nieuw gesprek te vragen. U wilde dat Sarajevo door een Bosnische divisie zou worden ontzet. Hoe is dat gesprek verlopen? Wat zei Chirac?»

Zijn gezicht betrekt. Hij trekt zijn jasje uit: het is warm. «Ik herinnerde hem eraan dat de Divisie Leclerq in ‘44 Parijs had mogen bevrijden. Ik vroeg of wij op dezelfde manier onze hoofdstad zouden mogen bevrijden, om het principe en om de eer.»

«En hoe reageerde Chirac?»

«Hij luisterde. Ik voelde dat ik een gaullistische zenuw had geraakt. Maar uiteindelijk leverde het niets op, waarschijnlijk omdat hij niet genoeg invloed had. Ik neem aan dat men het een te mooi geschenk voor ons vond. In het laatste jaar van de oorlog heeft het Westen — daar ben ik van overtuigd — alles gedaan om te voorkomen dat Bosnië als winnaar uit de oorlog zou komen. Men wilde hoe dan ook een patstelling.»

Izetbegovic staat op. Hij gaat naar het raam. In het zonlicht is zijn silhouet scherper en doet hij mij aan de veldheer van vroeger denken. «Ik zal je een ander voorbeeld geven», zegt hij, een beetje hees. «Dit is ook iets wat ik nooit heb verteld. Een paar weken later naderden onze legers Banja Luka, de feitelijke hoofdstad van de Serviërs. De nederlaag van hun milities, waarvan het Westen had gedacht dat ze onoverwinnelijk waren, was nog slechts een zaak van dagen. We zouden — ook dat was een symbool — zelf de kampen van Prjedor en Omarska kunnen bevrijden. En toen kreeg ik een boodschap van Holbrooke. We mochten niet verder oprukken maar moesten de opmars onmiddellijk stopzetten. Waarom? Aan de andere kant van de grens, bij Brcko, had Milosevic een pantserdivisie klaar staan. De waarschuwing van de Amerikanen was duidelijk: als er een Servisch tegenoffensief zou komen, zouden zij geen vinger uitsteken om ons te helpen. Ik had geen keuze. Ik moest toegeven.»

Hertzog en ik waren in die dagen aan het front, aan de voet van het Vlasic-gebergte. We spraken er met een Bosnische generaal, de bevelhebber van het Vijfde Leger. Hij zei: «Over drie dagen zijn we in Banja Luka. Niets of niemand kan ons tegenhouden. En als ze ons zouden bevelen om te stoppen, doen we gewoon alsof we het niet horen. De order zal nooit aangekomen zijn.»

«Op dat ogenblik was ik woedend», gaat Izetbegovic voort, alsof hij mijn gedachten kan lezen, «ze dwongen ons om te stoppen. Ze stalen onze overwinning. Maar nu weet ik het niet meer zo goed. Misschien was het inderdaad verstandiger. Misschien hadden onze mensen represailles genomen als we Banja Luka waren binnengetrokken. Het had een bloedbad kunnen worden.»

Ik vertel dat ik in die periode zelf in Donji Vakuf was en dat ik hele colonnes Servische vluchtelingen zag en honderden gevangenen, maar dat de Bosnische soldaten zich voorbeeldig hadden gedragen. Opnieuw glijdt er een schaduw over zijn gezicht. Heel zacht, alsof hij bang is dat iemand ons zal horen: «Ik weet het. Dat was ons beleid. Vergeet niet dat we een front van vijftienhonderd kilometer hadden en een leger met mensen die in normale tijden nooit een wapen hadden gekregen. In zo'n situatie moet je ongelooflijk voorzichtig zijn. Ik ben eerlijk: ik wist niet, niemand wist, hoe jonge soldaten die hun hele gezin hadden zien uitmoorden, zouden reageren als ze de vermeende moordenaars in hun vizier hadden. Daar was ik bang voor. Niet voor de Serviërs, niet voor de obussen, niet voor Milosevic en niet voor Karadzic. Nee. Wel voor de wraak van mijn eigen mensen. Ik was bang dat we hen niet zouden beheersen. En ik moet toegeven dat een deel van mij opgelucht was toen ze ons tot een staakt-het-vuren dwongen voor we Banja Luka veroverden.»

Het lijkt onwezenlijk. Deze man had de overwinning binnen handbereik. Hij kon het Servische fascisme verslaan, Bosnië bevrijden, en hij deed het niet omdat hij bang was voor zijn eigen soldaten!

Izetbegovic gaat weer zitten. Wanneer hij spreekt, is het opnieuw met een fluisterstem: «Heb ik ooit verteld over het mirakel van Vitez? Nee? Het was in de winter van '93-'94, het donkerste moment in het donkerste jaar van de oorlog. We vochten tegen de Serviërs, maar de Kroaten waren ook in de oorlog gestapt en hadden in Herzegovina een tweede front geopend. Onze soldaten leden kou. Ze hadden honger. Al onze bevoorradingsroutes waren afgesneden. Na de verwoesting van de brug van Mostar, op 9 november '93, was ik ervan overtuigd dat alles verloren was en dat we alleen nog voor de eer konden vechten.»

Hij lijkt te huiveren, alsof de herinnering aan die hopeloze dagen hem fysiek raakt. «Alleen in Centraal-Bosnië stonden we nog vrij sterk. Met een enorme krachtsinspanning slaagden we erin Vitez onder druk te zetten. Toen werd de president van Kroatië, Tudjman, bang. Hij nam de telefoon: neem Vitez niet in, laten we onderhandelen! Ik was verrast, want ik had nooit gedacht dat Vitez zo belangrijk voor hem zou zijn, maar ik greep mijn kans. Ik aanvaardde de vrede die hij aanbood. Dat was het echte keerpunt van de oorlog: we hadden een front minder, we konden onze troepen weer bevoorraden, het Bosnische leger had het initiatief genomen. Kortom, er was weer hoop. Maar…»

Hij zwijgt en kromt een wenkbrauw, als een meesterlijk verteller. «Maar wat Tudjman niet wist, het detail dat hem was ontgaan en dat alles had kunnen veranderen, was dat ik Vitez nooit zou hebben ingenomen. Waarom? Omdat er tien- of twintigduizend burgers in die stad gevangen zaten en ik bang was voor wat mijn soldaten zouden doen. Het was het grootste spelletje blufpoker van de hele oorlog. Als Tudjman niet door de knieën was gegaan, had Bosnië de oorlog verloren.»

Dit is de man van wie ik hield. Een man die, zoals Malraux zei, oorlog kon voeren zonder ervan te houden, en hem bovendien kon winnen. Een man met een geweten. Maar is het niet precies dat geweten dat hem belette om de Amerikanen het hoofd te bieden en zijn lotsbestemming waar te maken?

«Nog even Banja Luka. In 1944 probeerden de Amerikanen de Gaulle de wet voor te schrijven, maar hij gaf ze de kans niet. Hij stuurde zijn tweede tankdivisie naar Parijs en de Amerikanen moesten wel toegeven.»

«Begin niet altijd over de Gaulle», lacht Izetbegovic. «Tijdens de oorlog was je ook altijd bezig over de Gaulle. Ja, ik heb zijn oorlogsmemoires gelezen: jij hebt ze me gestuurd, ik heb ze gelezen. En er zijn inderdaad punten van overeenkomst. Mijn land is natuurlijk kleiner. Net als de Gaulle kreeg ik hulp van anderen. Net als hij had ik machtige bondgenoten, die hielpen zonder echt te helpen. De Gaulle had meer middelen dan ik. Hij had koloniën. Ik had dan weer meer macht in mijn eigen land dan hij in het zijne. En ik had hele zones die echt vrij waren.» Hij spreekt nu snel, met een ondertoon van verontwaardiging.

«Eén keer heb ik geweigerd. Dat was op 20 november, de avond voor de ondertekening van de akkoorden van Dayton. Om elf uur kreeg ik een ultimatum van Warren Christopher: ‹Jullie moeten Brcko aan de Serviërs afstaan, samen met 1,5 procent van het grondgebied dat jullie legers hebben bezet. Ik wil een antwoord binnen het uur. Anders houden we ermee op, worden de onderhandelingen afgebroken en herbegint de oorlog.› Mijn medewerkers en ik zijn toen op zoek gegaan naar die 1,5 procent. Stukje na stukje. Ik voelde me net een bakker die een taart maakt. Maar Brcko afstaan, dat weigerde ik. We hadden al toegegeven inzake Zepa, Srebrenica, Visograd, Foca. Brcko was te veel.»

Beseft hij wat hij zegt? De corridor van Brcko, die Servië met het Bosnië van Karadzic verbond, had ongetwijfeld een strategische waarde, maar is hij zich niet bewust van de wanverhouding tussen de talloze compromissen die het Westen hem afdwong en die éne bescheiden diplomatieke overwinning die hem werd gegund?

«Ik weigerde dus. Holbrooke dreigde dat de Amerikanen zich uit het vredesproces zouden terugtrekken. Doe maar, zei ik. Ik vertelde mijn mensen dat ze hun koffers moesten pakken en ik ging naar bed, in de overtuiging dat het allemaal afgelopen was en dat we de volgende dag naar huis zouden gaan. Maar vroeg die ochtend werd er aangeklopt. Het was Christopher, vergezeld van Holbrooke. Ze kwamen vertellen dat het probleem van Brcko later wel zou worden besproken. Die ene keer heb ik dus voet bij stuk gehouden en gewonnen. Maar voor het overige…»

Zijn stem wordt weer donker. In de verte horen we een muezzin oproepen tot gebed.

«Ik zal je een voorbeeld geven, een symbolisch voorbeeld. Ken je Bosanski Samac? Dat is mijn geboortedorp, bij Konic, waar de rivieren Sava en Bosna samenvloeien. Als kind kon ik door mijn raam het punt zien waar de twee rivieren van Bosnië elkaar ontmoeten. Mijn voorouders liggen daar begraven en voor de oorlog had ik er neven wonen. Nu, na de gedwongen verdeling, ligt dat dorp, dat altijd een overgrote islamitische meerderheid heeft gehad, in de Republika Srpska.»

Izetbegovic zwijgt, met een verslagen lachje op de lippen. Hij lijkt opgeslorpt door zijn herinneringen. Ik breek de stilte.

«Wat voelt u wanneer u terugdenkt aan de mensen die u hebben belogen of gebruikt? Mitterrand, Bush, John Major?»

Hij maakt een fatalistisch gebaartje.

«Bent u boos op hen? Hebt u hen vergiffenis geschonken?»

Hij wendt zijn blik af. «De tijd heelt veel wonden. Maar het zijn geen mensen aan wie ik aangename herinneringen heb.»

«Anderzijds had u niet alleen vijanden. Er waren ook heel veel mensen die u steunden.»

«Zo talrijk waren ze niet. Kohl misschien. Vaclav Havel. En, op het allerlaatste moment, president Chirac.»

«Herinnert u zich uw eerste ontmoeting met Chirac? Hij was toen nog burgemeester van Parijs en Bosnië interesseerde hem zo weinig dat hij vroeg of de Bosniërs en de Serviërs dezelfde taal spraken.»

De herinnering doet hem glimlachen. «Ik heb een hypothese over de koerswijziging van Chirac», zegt hij. «Misschien heb ik hem verkeerd verstaan, maar toen ik hem twee jaar later in het Elysée terugzag, vertelde hij dat hij bij de artillerie was geweest en nog altijd een zwak had voor het leger en in het bijzonder voor de artillerie. Volgens mij kon hij het niet verkroppen dat zijn leger vernederd werd. De laatste druppel was het schouwspel van de gegijzelde Unprofor-soldaten, vastgebonden aan palen en vernederd. Die dag zei Chirac dat de Serviërs zouden boeten. ‹Wij hebben op Igman heel nauwkeurige 155-kanonnen. Ons beste wapen na de atoombom. De Serviërs zullen het voelen!› En het is een feit dat in december precies die Franse kanonnen de Servische linies bestookten.»

«Heeft u ook theorieën over François Mitterrand? U heeft hem vaak ontmoet. Hij was vanaf het begin een van de hoofdrolspelers in het drama. Ik heb me altijd afgevraagd of u besefte dat hij een tegenstander was.»

Izetbegovic denkt na. «Mitterrand was een ingewikkelde man. Zo verwrongen, zo door en door dubbelzinnig. Hij was tegen ons, maar als ik hem zag, was hij een en al beminnelijkheid.

Hij aarzelt. Je voelt dat hij zijn woorden zoekt en afweegt. «Ik denk dat het in juni 1992 was dat ik hem doorzag, tijdens zijn verrassingsbezoek aan Sarajevo. Dat was natuurlijk een mooie geste, met als enorme verdienste dat de bombardementen onmiddellijk stopten! Maar het was een heel vreemd moment, hier in het paleis: we hadden hem tot ereburger van de stad uitgeroepen, en hij zei iets van: ‹Wees maar voorzichtig, nu kan ik stemmen!› De implicatie was dat hij misschien wel tégen ons zou stemmen. Hij deed het als een grapje klinken, maar de opmerking had een bedekte dreiging die mij deed huiveren.»

Ik zie Izetbegovic en Mitterrand weer in de bevlagde straten van Sarajevo en, enkele weken later, in het Elysée. Ik zie de vreemde fysieke gelijkenis, het onderlinge wantrouwen, Mitterrands ergernis en ongeduld. En ik zie vooral de beelden — die ik te laat ontdekte om ze nog in mijn film te monteren — van de Franse president die na zijn beroemde bezoek, op weg naar het vliegtuig naar Parijs, door Karadzic wordt ontvangen bij de luchthaven van de belegerde stad.

«Welk gevoel overheerst als u aan dat alles terugdenkt? Als u de balans opmaakt van het verraad, wat voelt u dan? Verdriet? Woede? Een mengeling van de twee? Iets anders?»

«Woede. Maar ook een grote bitterheid. Zoals… maar ik weet niet of ik dat mag vertellen.» Hij zoekt de blik van Kemal Muftic, zijn adviseur, de man die alle geheimen kent en die het gesprek vanaf het begin heeft bijgewoond. Muftics blik is ondoorgrondelijk, zoals altijd. «Ach… ik zei het al, ik heb mijn memoires geschreven en ik wil alles vertellen, zowel het goede als het slechte.»

Hij vult zijn glas water bij. «Weet je nog dat je benieuwd was naar onze bevoorrading met wapens? En dat vliegtuigje in de kleuren van de VN dat op de luchthaven van Tuzla landde? Wel, nu kan ik het vertellen: er waren nog meer van die vliegtuigjes. Veel zelfs. Maar anders dan wat wij in die tijd zeiden, werden de wapens niet allemaal met Amerikaans geld gefinancierd. Ze kwamen vaak uit moslimlanden. Turkije, de Emiraten, soms Iran.»

Het is natuurlijk een verrassing dat hij dit publieke geheim voor het eerst bevestigt. Anderzijds lijkt het niet echt belangrijk. Welk voordeel zou de informatie de vijanden van Bosnië opleveren? Een smet op het blazoen van het burgerlijke Bosnië, de liberale, democratische, multi-etnische islam?

«Wees maar niet bang», gaat hij verder, met een lachje dat ik nog nooit bij hem heb gezien. «We hebben alleen wapens van ze aangenomen, niets anders.»

Dan wordt hij ernstig: «Het Westen heeft nooit iets begrepen van deze oorlog. Wij zijn Europese moslims. Wij zijn even sterk aan de morele waarden van Europa gehecht als jullie. Het idee van Bosnië was en blijft een Europees idee. Met het embargo leek het wel alsof jullie ons in de armen van jullie grootste vijanden wilden jagen!

We praten over dat Bosnische idee, over het ideaal waarvoor zoveel mensen overal ter wereld hebben gevochten. We praten — en ik heb het gevoel dat hij honderd procent openhartig is — over de Joegoslavische idee die gestorven is, de Groot-Servische idee die op sterven na dood is en de Bosnische idee die zich herstelt: een gemeenschappelijk paspoort, een gemeenschappelijke munt voor de drie entiteiten, binnenlandse grenzen die beginnen te verdwijnen en een steeds vrijer verkeer tussen de regio’s. Bosnië komt terug.

«Ondanks Dayton?»

«Ondanks Dayton.»

«Ondanks de feitelijke verdeling? De institutionalisering van de Republika Srpska?»

«Ondanks de verdeling, ja. In zekere zin zelfs als gevolg van de verdeling. De Republika Srpska zal niet overleven. Denk aan wat ik daarnet zei: één enkele uitbarsting van wraak en de idee van Bosnië was dood geweest. Nu is er nog een kans op verzoening.»

Osman, zijn lijfwacht, komt binnen. De laatste details van een uitstapje naar Srebrenica, de volgende dag, moeten worden geregeld. Er blijken veiligheidsproblemen te zijn. Wegen zijn geblokkeerd en de SFOR is bang dat de Servische boeren de reis van de president als een provocatie zullen uitleggen. Is dat geen logenstraffing van wat Izetbegovic net heeft gezegd? Hij kan als president niet eens ongehinderd door zijn eigen land reizen.

«Er zijn twee grote problemen», legt hij uit, terwijl Osman gaat telefoneren. «Twee voorwaarden opdat Bosnië zich volledig zou kunnen herstellen. Ten eerste is er het vluchtelingenprobleem. Dat is iets wat wij zelf moeten oplossen, als Bosniërs. We moeten een oplossing vinden voor de mensen die in andermans huis wonen en vinden dat ze daar recht op hebben, omdat hun eigen huis gestolen of verwoest is, of omdat ze oud-strijders zijn.» Osman komt terug met nog slechter nieuws: er wordt gevreesd voor Servische demonstraties langs het parcours van het presidentiële konvooi. SFOR biedt twee plaatsen in een helikopter aan. «Het tweede probleem is nog belangrijker», gaat Izetbegovic verder. «En het is een probleem waarvan de oplossing volledig in de handen van het Westen ligt. Het is het probleem van de rechtvaardigheid, dus van de bestraffing van Mladic en Karadzic. Het Internationaal Tribunaal van Den Haag heeft hen allebei aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Alleen een echt proces van deze misdadigers, en van Milosevic, kan het Servische volk wakker maken. Maar het Pentagon en dus SFOR doen niets omdat ze vooral niet willen dat er doden vallen. En bij een arrestatie van Mladic en Karadzic vallen er onvermijdelijk doden.»

«Weten ze dan waar die zijn?»

«Natuurlijk.»

«Nog altijd in Bosnië?»

«Mladic niet, Karadzic wel. Karadzic zit hier vlakbij, op misschien twintig of dertig kilometer.»

Osman komt de kamer weer binnen: tijd voor de volgende afspraak. De president moet Bosnische vluchtelingen toespreken.

«Meer vertel ik niet», besluit Izetbegovic, terwijl hij mij naar de deur brengt. «De bal ligt nu in jullie kamp. Het hangt van de westerse regeringen en van de VN af of er eindelijk recht zal geschieden en Bosnië weer zal kunnen opstaan.»

Het is het einde van het gesprek. Het is ook de laatste keer dat ik hem hier zal zien, in dit oude Oostenrijks-Hongaarse paleis dat ik altijd zal blijven associëren met de twaalfhonderd dagen van de belegering. Verloren in gedachten, met een hoofd vol vragen die ik niet heb gesteld en waarschijnlijk nooit zal stellen, laat ik de grote trap voor de bezoekers links liggen. Ik loop machinaal naar de kleine dienstingang, achter in het gebouw, waar ik op een bloedige ochtend in juni 1992 het paleis voor het eerst betrad, toen dit avontuur begon. Ik zie de zandzakken weer voor de deur. De opgewonden schildwachten. De lange, donkere gangen. De chaos, het geroep, de mensen die elkaar verdrongen. Een wachtkamer vol gewapende soldaten en dan een deur die openging en een kleine, bescheiden, rustige man die doof leek voor de drukte om zich heen. Een man die zich met tegenzin klaarmaakte om de geschiedenis binnen te gaan.

P.S. Na mijn interview met Izetbegovic is er in het vroegere Joegoslavië heel wat gebeurd. Ik ben teruggegaan naar Bosnië om de president te vragen hoe het voelde om nauwelijks een week na zijn beul, Slobodan Milosevic, het politieke toneel te verlaten. Zijn antwoord: «Ik had altijd heimelijk gehoopt dat ik Tudjman en Milosevic politiek zou overleven. Die weddenschap heb ik gewonnen, en misschien is dat een symbool.»

© Bernard-Henri Lévy

Aangepast op 13 oktober 2000

Vertaling: Bart Holsters