Het theater van de dood

Het meest bizarre museum van Sint Petersburg is de zogeheten Kunstkamer, waar de menskundige curiosa te zien zijn die Peter de Grote ooit verzamelde. Daaronder bevindt zich de collectie preparaten van de zeventiende-eeuwse apotheker Frederick Ruysch. Waarom zijn die foetussen op sterk water, binnenkort voor het eerst in Nederland te zien, zo ontroerend mooi?
De Kunstkamercollectie met de preparaten van Frederick Ruysch is van 17 december tot 13 april te zien in het Amsterdams Historisch Museum in het kader van de tentoonstelling ‘Peter de Grote en Holland’.
ALS KLEINE JONGEN vergaapte ik me aan de weckflessen met dierlijke foetussen die in ons toch zo vredige dorp bij het noodslachthuis in het venster stonden. Het waren werkelijk dromen van koeiefoeten. Melkachtige wolken van dieren op sterk water.

Ik vond ze zo mooi dat ik er zelf een wilde hebben. Maar mijn moeder verbood het, ze vond het maar niets. Ze kon het ook al niet waarderen toen ik thuiskwam met een menselijk handwortelbeentje. ‘Hoe kom je dáár nou weer aan?’ 'Gewoon. Gevonden op het kerkhof.’ De koster, die tevens dienst deed als grafschudder, kreeg er flink voor op z'n kop.
Jaren later, in mijn eigen huis, sierde ik een wand op met een foto van een hoofd op sterk water. Het hoofd was dat van een onthalsde misdadiger. Z'n neus drukte verwrongen tegen het glas. Zelf geschoten - die foto, bedoel ik - op de Brusselse kermis. Ik vind ’m nog steeds prachtig. Helemaal sinds hij een keer gevallen is en het glas van de lijst een barst vertoont: net alsof het lugubere water op het punt staat uit te breken. Helaas, m'n bezoek heeft het nooit leren waarderen. Uiteindelijk heb ik de ingelijste foto maar opgeborgen.
NEE, VOOR DE ONBESCHAAMDE nieuwsgierigheid naar de dood en haar verschijningsvormen moeten we in het verleden duiken. En daar is dan de zeventiende eeuw, die schatkamer van de Nederlandse cultuur. Het is de Gouden Eeuw die op cultureel gebied nog steeds het onderpand vormt voor het krediet dat we, hoe je het ook wendt of keert, als kleine natie ook tegenwoordig nog genieten. Maar we hebben er, met onze calvinistische afkeer van ijdelheid, weinig oog voor. Slechts voor de allergrootsten (Rembrandt, Vermeer) weten we gepaste aandacht op te brengen - al was het maar vanwege de pecunia die de rijke Japanse of Amerikaanse toerist met zich meebrengt. Het zijn dan ook vooral buitenlandse bewonderaars die ons iedere keer weer moeten attenderen op ons buitengewoon rijke verleden: J.L. Price, Geoffrey Parker, Svetlana Alpers, Simon Schama, Jonathan Israel, noem maar op. (Huizinga en tegenwoordig bijvoorbeeld Van Deursen niet te na gesproken, maar de laatste schuwt o zo typisch het grote gebaar, een nationale ziekte.)
Neem een figuur als de anatoom Frederick Ruysch (1638-1731). Bijna niemand die hem kent. Een biografie ontbreekt. Het is zelfs moeilijk om een béétje informatie over de man bij elkaar te sprokkelen. De Grote Winkler Prins-encyclopedie geeft niet één literatuurverwijzing; er is mij sowieso geen zelfstandige publikatie bekend die aan deze toch grote man gewijd is. Terwijl hij in zijn tijd, die tot de verbeelding sprekende Gouden Eeuw, een alom bekend, ja een beroemd figuur was. In binnen- en buitenland.
Wereldberoemd dus, want in de zeventiende eeuw was Amsterdam niets minder dan het centrum van de wereld. De prachtige, ingelegde marmeren vloer in de burgerzaal van het Koninklijk Paleis (toen het stadhuis) op de Dam getuigt er nog van: Amsterdam vormt er het punt waar het oostelijk en westelijk halfrond samenkomen. Gestimuleerd door wat de koopvaardijschepen van verre oorden meenamen, heerste er in die 'wijdt-vermaarde Koop-stadt Amstelredam’ een ware verzamelwoede. Hoge heren met tijd en geld (inclusief Rembrandt in zijn rijke tijd) verzamelden allerlei curiosa oftewel rariteiten voor hun kabinet of 'constkamer’. De vergaarzin gold als de 'eedelste Tijdkortingh der weet-gierige verstanden’. Zelfs burgemeester Nicolaas Witsen was (onder veel meer) een groot verzamelaar.
Er werd van alles verzameld. Penningen en munten natuurlijk, en schilderijen en prenten, maar ook etnografische voorwerpen en vooral ook 'zeegewasschen’ en andere naturalia. De apotheker Albertus Seba had daar bijvoorbeeld een enorme collectie van, die de jonge Zweedse natuuronderzoeker Carolus Linnaeus van pas kwam bij de uitwerking van zijn classificatiesysteem, dat een eind zou maken aan alle eerdere pogingen de natuur te systematiseren (zijn boek Systema naturae verscheen in 1736 in Amsterdam). En zo zette Jan Swammerdam de enorme verzameling insekten van zijn vader voort, waarover hij publiceerde in zijn vermaarde Historia generalis insectarum. Toen hij Cosimo de’ Medici kon laten zien dat de afzichtelijke rups in haar invalide kronkellichaam reeds alle delen van de wonderschone vlinder met zich meedroeg, deed deze meteen een bod op de collectie. Swammerdam weigerde, maar werd later gedwongen wegens geldgebrek tot verkoop in delen over te gaan. Op den duur zijn de meeste verzamelingen uiteengevallen. In de Nederlanden was er geen vorstenhuis of puissant rijke aristocratie, en de Hollandsche Maatschappy der Wetenschappen werd pas later opgericht. Daarom werden de verzamelingen ook nooit in paleizen of wetenschappelijke instituten tentoongesteld, maar in relatief benauwde achterkamertjes.
EEN VAN DE VERZAMELINGEN die wel (grotendeels) behouden is gebleven, is die van Frederick Ruysch. Hij verzamelde, behalve schilderijen, iets heel zonderlings: anatomische rariteiten. Het betreft preparaten die hij met veel kunst en liefde zelf vervaardigde. Gruwelijk mooie preparaten, op de grens van kunst en wetenschap. Hij toonde ze in een huis aan de Nieuwezijds Achterburgwal (nu de Spuistraat).
Frederick Ruysch werd geboren in Den Haag, op 23 maart 1638, als zoon van een administrateur bij de Rekenkamer. In 1661 behaalde hij het diploma van apotheker en trouwde hij met Maria Post, een dochter van Frederik Hendriks hofarchitect Pieter Post. Daarna ging hij in Leiden geneeskunde studeren bij vooraanstaande geleerden als Johannes van Horne en François dele Boe. Hij promoveerde in 1664 te Franeker met een dissertatie over borstvliesontsteking. Het jaar daarop toonde hij het voorkomen aan van kleppen in enkele lymfe- en chylusvaten, op aanwijzing van zijn geniale leeftijdgenoot Jan Swammerdam.
Gedreven als hij was, verkeerde hij als anatoom graag in het gezelschap van doodgravers. Het kon dan ook niet uitblijven: in 1668 werd hij in Amsterdam aangesteld als prelector in de anatomie, om twee jaar daarna het hoogleraarschap te mogen aanvaarden. Hij examineerde onder andere vroedvrouwen, wat aanleiding was voor een ernstige Staatkundige bedenking over het verschil van mening tussen Bonaventura van Dortmont, en André Boeckelman en Ruysch zelf, over de vraag of er 'in een welgestelde Republiek’ wel een manspersoon tot de praktijk van de vroedvrouwen toegelaten behoorde te worden.
Als gerechtsdoctor werd hij belast met justitiële lijkschouwingen, die als ze openbaar waren werden aangekondigd in de Amsterdamsche Courant. Daarmee volgde hij de door Rembrandt geportretteerde lijkensnijders Nicolaas Tulp en Johannes Deyman op. Zelf stond hij model voor twéé anatomische lessen: die van Adriaen Backer en Jan van Neck. Het was onder leiding van Ruysch dat zijn gilde zich tot de stedelijke regering richtte met het verzoek voor een nieuw anatomisch theater met een draaibare dissectietafel. Een verzoek dat werd ingewilligd: in het Waaggebouw op de Nieuwmarkt werd boven het lokaal van de schutterswacht een middentoren opgetrokken voor een amfitheater. Het kwam gereed in 1691. Voor zichzelf huurde hij naast zijn woning aan de Nieuwezijds Achterburgwal een huisje 'alleenlijk tot het plaetsen van geraemten, doodshoofden en andere doodsbeenderen, mitsgaders gebalsemde lichamen en partijen van menschenlichamen’.
NEDERLAND HEEFT, net als Italië, op het gebied van de anatomie een naam op te houden. Het was een Nederlander (nou ja: een Vlaming), Andries van Wesel (Vesalius), die het eerste moderne anatomieboek publiceerde: De humani corporis fabrica libri septem (1543), vaak kortweg als Epitome aangeduid. Italië, toch de bakermat van de renaissance, volgde in 1558 met De re anatomica van Reaoldo Colombo. (Maar het was Leonardo Da Vinci - 1452-1519 - die de anatomische kunst al veel eerder in praktijk gebracht had: hij maakte met was een afgietsel van een hart.)
Jan Swammerdam behoorde tot de pioniers die preparaten maakte door middel van vaatinjectie. Hij spoot een mengsel van warme was, schapevet en kleurstof in aderen en lymfevaten, waardoor de natuurlijke houding van de lichaamsdelen behouden bleef en ze (beter) geconserveerd konden worden op sterk water ('natte preparaten’). Frederick Ruysch vervolmaakte die techniek. De ongekende verfijning van zijn werk wordt duidelijk bij zelfs de kleinste adertjes van het beenvlies dat de oorbeentjes bedekt: ook die konden met kleurmengsel worden gevuld. Bovendien vond hij een oplossing voor de aanwezigheid van zachte weefsels: insectenlarven. Die vraten de weke delen weg, maar lieten de met was gevulde vaten onaangetast.
Het was voor deze balsemkunst dat zijn tijdgenoten hem het meest roemden. Van heinde en verre kwam men om zijn levende doden met eigen ogen te aanschouwen. Want vanaf 1689 had hij zijn verzameling opengesteld. 'Om geld’ voor gewone belangstellenden en gratis voor 'bysondere curieuse studenten in de Medicijnen’.(Van zijn collectie maakte hij in 1691 een soort catalogus, voorzien van moraliserende spreuken, die de vanitasgedachte in beeld bracht. Dat Museum Anatomicum Ruyschianum zou twee herdrukken beleven. Na een reorganisatie verscheen in 1701 het eerste deel van de tiendelige Thesaurus anatomicus, met tekst in het Latijn èn in het Nederlands.
Van de groten der aarde die zijn collectie kwamen bekijken, was tsaar Peter er een. Hij kwam zelfs meerdere keren en kon er volgens een getuige (Scheltema) maar moeilijk van worden weerhouden een van de levensechte baby’s te kussen. Bij een andere gelegenheid woonde hij persoonlijk een anatomische les bij. Zijn enthousiasme voor Ruysch’ werk zou niet zonder gevolgen blijven: in 1717 kocht hij de hele collectie, vele honderden preparaten, die samen met de nog grotere naturalia-verzameling van Seba de basis zou vormen voor het eerste openbare museum ter wereld: de Kunstkamer in Petersburg (wat Catharina de Grote op haar beurt later zou inspireren tot de oprichting van de Hermitage). Weer terug in eigen land vaardigde Peter een decreet uit, voorzien van instructies voor de conservering, om cyclopen, dubbelhoofden en andere monsters te verzamelen. Bovendien liet hij het hart van een van zijn lievelingslakeien, de reus Bourgeois, (droog) prepareren. Het was op die Kunstkamerverzameling dat Caspar Friedrich Wolff zijn gezaghebbende De theorie van abnormaliteiten baseerde. Helaas is er in de loop der tijd door onverantwoorde verbouwingen en ook brand veel verloren gegaan.
WAT MAAKT RUYSCH’ WERK nu zo bijzonder? Dat moet haast wel zijn gevoel voor kunstzinnigheid zijn, de haast schilderkunstige verfijning die hij aan de dag legde bij het uitbeelden van de dood en daarmee van de ijdelheid van al het streven. Hij presenteerde zijn preparaten als kunststukjes. Gruwel en vertedering komen samen waar hij, met hulp van zijn dochter, probeerde de dode foeten er natuurlijk en aangenaam uit te laten zien door ze, heel aandoenlijk, te tooien met kraagjes, manchetten en armbanden. Zo is er een preparaat van een lieftallig cherubijntje met een heel fijn batisten petje op in een ontroerend nest van aderen en netvaatjes van helder rood. Zelfs de kleinere preparaten met losse lichaamsdelen, zoals een kinderarmpje, voorzag hij van kanten mouwtjes. En ook de deksels van de potten waarin de preparaten zaten werden soms voorzien van bloemrijke versieringen.
Behalve deze natte preparaten zijn er prachtige opgezette werkstukken. Bijvoorbeeld de allegorische groepen waarmee hij drie van zijn deelverzamelingen inleidt. Het zijn decoratieve rotspartijen van blaas- en nierstenen die worden bijeengehouden door gedroogde, met was gevulde bloedvaten. Ertussen bevinden zich skeletjes van foeten van ten hoogste vier maanden oud, met in hun handjes een vanitassymbool.
Het zijn groteske, om niet te zeggen arcimboldeske arrangementen, het mombakkes van de dood verbeeldend. Een enkele keer krijgt zijn werk soms zelfs ronduit surrealistische trekjes, zoals de kop en schotel van vlees en bloed, die de in bont uitgevoerde versie van Meret Oppenheim in zwarte humor verre overtreft.
Wat de hervormde christen Ruysch met zijn werk voor ogen stond was het onheilspellende beeld van de (zeker toen) alom aanwezige dood voor de toeschouwers te verzachten. Hij wilde de gruwel juist wegnemen en de dood als de genade van de allerhoogste laten zien. De aarde was tenslotte slechts het tranendal waar alles was voorbeschikt, waar door de zondeval niets te bereiken viel. Een van zijn kinderskeletcomposities droeg het onderschrift: 'O, wat ben ick geluckig, terwijl mijn beenderen nu zoo zagtkens leggen te rusten.’ De Italiaanse dichter Leopardi laat de doden in zijn 'Dialoog tussen Frederick Ruysch en zijn mummies’ dan ook zeggen dat de dood iets prettigs is: 'Misschien bestaat het genoegen van de mens grotendeels uit het ontbreken van gevoel.’
Wat Ruysch dreef was het 'geloof, dat zelfs in het kleinste deel God verborgen is’ (uit een gedicht van Barlaeus). Dus ook in de pink van een dood kind.
Duidelijk is dat Ruysch meer was dan een wetenschapper alleen: hij streefde in zijn collectie dan ook niet naar een wetenschappelijke systematiek. Ruysch bedreef een vorm van wat Oliver Sacks 'romantische wetenschap’ noemt. Want als, naar het woord van Goethe, het romantische het zieke is - en daar is veel voor te zeggen - dan was Frederick Ruysch (1638-1731) een romanticus. Zijn wereldberoemde anatomische preparaten paren bevalligheid aan pure horror. Ze vertonen de gratie van de schrik. Hun schoonheid is die waar Mario Praz in zijn meesterwerk The Romantic Agony naar op zoek gaat. Het is 'de schoonheid die reliëf krijgt door de dingen die er juist mee in strijd lijken te zijn’. De gruwelijke dingen. De horror.
De huivering als genot - het is een notie waar de godvruchtige Ruysch denkelijk geen weet van wilde hebben.