Het theater van de eeuw

De meest recente voorstelling van Rieks Swarte is ‘Het panorama van de eeuw’. Het credo van Swarte, die niet van boodschappen houdt: een cultuur die haar geheugen verliest, verliest uiteindelijk haar bestaansrecht. Om de twintigste eeuw te herinneren, begint hij aan het einde. En denkt dan achteruit.(

RIEKS SWARTE - theater-entrepreneur, schrijver, regisseur, ontwerper en acteur te Haarlem - hanteert citaten zoals hij zijn speelgoed, zijn (mede)ontwerpers en zijn acteurs inzet: vanuit een intens plezier en met de diepe behoefte om via kleine gebeurtenissen inzicht te verwerven in de grote buitenwereld. Zo pikte hij voor zijn meest recente voorstelling, Het panorama van de eeuw, een citaat van de filosoof Kierkegaard (‘Nog nooit iets van gelezen’): 'Das Leben wird vorwärts gelebt und rückwärts verstanden.’ Misschien heeft hij wel net zo'n beroerd geschiedenisonderwijs 'genoten’ als ondergetekende: altijd bij het begin beginnen - daarmee een bedrieglijke logica in de loop der dingen suggererend - en nooit bij het cruciale einde (onze eeuw) aankomen. Rieks Swarte (50) hoort bij de naoorlogse generatie die is opgegroeid in de dodelijk saaie jaren vijftig, waarin ongeveer alle rampen van onze eeuw werden doodgezwegen. Hij kwam ze, neem ik aan, allemaal op eigen kracht op het spoor. En hij werd wild en woedend, en maakte er mooie dingen mee. Kierkegaards uitspraak bracht hem op het idee om de historie van de twintigste eeuw in omgekeerde volgorde te vertellen. Dus beginnen we zijn queeste bij wijze van spreken bij de computermuis en het opzettelijk vernielen van moderne kunstwerken. En we eindigen bij het ontstaan van de beeldcultuur - voor alle babyboomers het eerste venster op de wereld bij uitstek. HET CREDO VAN veel thema’s in Swartes werk (tussen de regels geschreven, hij houdt niet zo van boodschappen, die doe je maar bij Albert Heijn) luidt: iedere cultuur die haar geheugen verliest, die het vergeten tot uitgangspunt heeft verheven, die niet over de schouder terug durft te kijken, verliest uiteindelijk haar bestaansrecht. Hij maakte ooit de prachtige voorstelling Het theater van het geheugen, over het mechaniek van de herinnering, over hoe je in de tijd terug kunt denken, welke discipline en welke mentaliteit je daarvoor nodig hebt. Theater is herinnering. Zo kunnen acteurs vooruit en achterwaarts door een tekst heen reizen, zoals dansers in een choreografie en musici in een partituur. Rieks Swarte is daarin absoluut niet nostalgisch. Hij houdt zielsveel van het geheugen, en vooral van het koesteren daarvan. Daarop heeft hij ook de locatie van zijn meest recente voorstelling gekozen. Het panorama van de eeuw speelt zich af op het forteiland in de haven van IJmuiden, onderdeel van de zogeheten Stelling van Amsterdam, een reeks van ruim veertig forten in een kring rond de hoofdstad. In het landschap van mijn jeugd lag ook zo'n fort, tussen Krommenie en Wormerveer. Ik zag het liggen op de treinreis van Castricum naar Amsterdam: een lugubere vesting, volledig dichtgegroeid, water eromheen. Het forteiland in de haven van IJmuiden had die uitstraling ook. Tot de leiding van de staalfabriek Hoogovens, waar mijn vader werkte, een groep arbeiders en hun familie uitnodigde voor een boottochtje naar dit fort. We moesten absoluut bij elkaar blijven, zeker niet alleen gaan zwerven ('zeer gevaarlijk’, zei de reisleider), en na een bliksembezoek van een krap uur gingen we weer aan wal. Vanaf die wal oogde het forteiland als een begraste puist in het water, in werkelijkheid is het een, grotendeels ondergronds gelegen, vesting, met wel drie verdiepingen en een soort geschutskoepel, onderdeel van de 'Atlantische Muur’ waarmee de Duitsers zich over honderden kilometers kust trachtten te beschermen tegen invasies vanuit Engeland. Er is vanuit IJmuiden nooit één schot gelost; de Geallieerden kozen in 1944 voor Normandië. Het forteiland raakte in verval, tot het op een soort internationale monumentenlijst kwam te staan. Het wordt nu gerestaureerd, wat onvermijdelijk tot slijtage van het authentieke karakter gaat leiden. Rieks Swarte, zijn ontwerpers en acteurs zijn er dus net op tijd bij. VOORSTELLING is niet echt het woord. Het panorama van de eeuw is een fascinerende tentoonstelling met gespeelde en gezongen intermezzo’s. En om te beginnen is het een schoolreis. Regionale lijnbussen brengen u vanuit allerlei windstreken naar de Vissershaven in IJmuiden - halte Doklaan. Daar ligt een boot - één om kwart voor zeven, de andere om kwart over zeven (boot missen is: voorstelling missen). Eenmaal op het eiland worden we door strenge maar rechtvaardige gidsen ('niet van de route afwijken, dat is gevaarlijk’) naar een tent gebracht, waar de versnaperingen wachten en de wandeling naar de ingang van het fort. Terwijl een vervaarlijk zwiepend mes ons herinnert aan de vernieling van een beroemd modern schilderij, legt spreekstalmeester Rieks Swarte ons uit wat er nu gaat gebeuren: we mogen één voor één naar voren, krijgen een looplamp uitgereikt en worden de duisternis van de gangen ingestuurd. De gespeelde tentoonstelling bevat een eindeloze reeks vitrines, impressionistische stillevens van de voorbije eeuw - documenten, foto’s, voorwerpen, boeken, allemaal heel eenvoudig en helder, vaak ontroerend uitgestald en gecombineerd. Dat geldt ook voor de 'uitstallingen’ die niet in een vitrine passen: een van de ontwerpers heeft een rij schoenen, gevonden op het strand van IJmuiden, naast elkaar gezet - metafoor voor de stroom vluchtelingen die in de loop van deze eeuw de wijk zocht naar Nederland. Het panorama geurt ook, zoals bij het onvermijdelijke 'ons Indië’ en bij Suriname. De rondgang wordt met een zekere regelmaat onderbroken door sketches en liedjes. De scènes hebben soms een wat opdringerig 'op-leuk’-karakter, zoals de quiz over de jaren zestig. Soms zijn ze ontroerend en informatief, zoals de brief aan Rijksdagbrandstichter Marinus van der Lubbe voorgelezen door een meisje van vijftien, of het heftige college van architect Wijdeveld over de principes van de beweging 'De Stijl’. De geschiedenis van het Nederlandse toneel in de afgelopen eeuw is opvallend bescheiden aanwezig - Nederland is primair een cabaret- en revueland, moeten Swarte en zijn medewerkers hebben gedacht. Dus krijgen we in de wandeling door de jaren zestig een paar liedjes van Don Quishocking, en verderop terugreizend in de tijd de evergreen uit de Tweede Wereldoorlog, Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan, compleet met een act van Walden & Muyselaar (Snip & Snap). De ouderen in de wandeling wiegen instemmend mee, de jongeren kijken als schapen naar de bliksem. Dat is misschien ook wel de winst van zo'n levende tentoonstelling. Ik verdenk Rieks Swarte ervan dat hij dat ook in het geniep wel heeft gehoopt: die gesprekken in de pauze of op de boot terug tussen jongeren en hun ouders en grootouders. 'Opa hoe zat dat nou met het onderduiken?’, naar aanleiding van het nagebouwde onderduikadres waar je voortdurend je kop stoot als je even niet uitkijkt. Of: 'Moeder, wie waren nou precies jouw jong gestorven helden en idolen?’ Rieks Swarte is geen moralist. Hij is eigenlijk de ideale geschiedenisleraar, zonder de statuur van een docent. Tegen het eind, nadat we een bijzonder vervelende pastiche op hét revolutionaire toneelstuk uit de naoorlogse periode van bovenaf hebben mogen beluisteren (Becketts Wachten op Godot), belanden we in de mooiste ruimte van het fort. De tijdens de Tweede Wereldoorlog ingekwartierde Duitsers hebben hier films gedraaid, misschien wel toneel gespeeld, of cabaret, of aan samenzang gedaan. In ieder geval verveelden ze zich. Alle muren zijn volgeschilderd; naar verluidt hebben enkele politiek correcte IJmuidenaren de hakenkruisen naderhand weggepoetst. Er zijn afgebladderde teksten en boodschappen. Nu begrijp ik eens te meer dat Swarte en zijn team flink in hun vondsten en voorwerpen hebben geschrapt. Er moeten veel 'darlings’ om zeep zijn gebracht. Want het forteiland zelf is een panorama van de bijna-voorbije eeuw. Hier, in deze ruimte vol graffiti, wordt de teruggewandelde reeks herinneringen in stijl afgesloten. Swartes stijl. Het naïeve speelgoedtheater, de poppenkast. De hele cast speelt één van de eerste stomme films na, een soort Jules Verne-achtige sciencefictionfilm uit 1900. Een raket boort zich in de maan. Die eerst nog lacht, daarna verschrikt en verwond kijkt. We zijn door de eeuw van verschrikkingen en verwondingen terug in de tijd gedwaald. Met een grijns van oor tot oor. HET JAARLIJKSE Fin de saison van Maatschappij Discordia in samenwerking met de jonge toneelspelersgroep ’t Barre Land zit er weer op. (Heeft u dit repertoire-feest gemist? Geen probleem. Zoals te verwachten krijgt het een vervolg in Debut de saison, tussen 14 en 18 september in Frascati in de Amsterdamse Nes.) Zes weken achtereen huisde het uit het centrum van de hoofdstad verdreven Discordia (en hun jonge kompanen uit Utrecht) op de zolder van het Transformatorhuis Toneelgroep Amsterdam - een prachtige locatie, waarvan men mag hopen dat hij ooit een definitieve behuizing voor deze theatermakers gaat worden. Een van de mooie kanten aan dat Fin de saison is dat (naast nieuw repertoire, vers materiaal, proeven, voorstellen tot wat ooit misschien een volgroeide voorstelling kan gaan worden) ook stukken worden getoond die al jaren op het repertoire staan. ’t Barre Land nam de theatrale vingeroefening van Anton Tsjechov, Aan de grote landweg in reprise. Van Discordia zag ik (voor de vierde keer) Thomas Bernhards De theatermaker. Je merkt dat het op het repertoire houden van teksten - een in Nederland, behoudens een enkele uitzondering, ongebruikelijk verschijnsel - ook en vooral meerwaarde oplevert. 'Repertoire’ is voor deze makers geen vrieskist waar hapklare brokken uit worden weggesleept. Routine is hier uit den boze, de ensceneringen groeien met iedere nieuwe versie. Het is alsof de makers steeds opnieuw met open ogen naar het werk kijken: godverdomme, is dát ook nog mogelijk met dit stuk?! Daarom houden de toneelspelers elkaar zo helder mogelijk in het vinden van een nieuwe verhouding tot de gekozen theaterteksten. Ze corrigeren elkaar vrij schaamteloos: 'Nee, dit is niet goed, nóg een keer proberen, óver.’ En als het dan wel lukt, kijken ze met een grote liefde naar elkaars verrichtingen vanuit de provisorisch uit ruw timmerhout opgetrokken coulissen. Zeer gedisciplineerd; ze souffleren elkaar permanent. Het eeuwige verwijt dat dit een kunstje is geworden, klopt voor geen meter. Dit spel is een ode aan het toneelspelen. Als toeschouwer ben je je voortdurend bewust van het feit dat dit hier en nu speciaal voor ons wordt gemaakt. Inclusief alle verwarringen, op de speelvloer en bij ons. Op de valreep zag ik een komedie uit 1700, The Way of the World, van de Engelse auteur William Congreve, in Nederland al bijna een halve eeuw niet meer gespeeld. Congreve (1670-1729) hoort tot de school van de zogeheten Restoration Comedy. Dat woord 'restauratie’ moet vrij letterlijk genomen worden. Na het tijdperk van Shakespeare (1584-1616) waren de theaters in Londen enige tijd gesloten geweest. De grote volkstheaters stierven een zachte dood. Hun plaats werd ingenomen door veel kleinere, overdekte theaters. Er werden enkele vernieuwingen uitgevoerd: vrouwen mochten weer meespelen (in Shakespeares dagen was dat verboden), er ontwikkelde zich een soort lijsttoneel, de publieksruimte werd ingedeeld in loges, galerijen en een parterre (the pit). Op het speelvlak werden makkelijk beweegbare coulissen gebouwd en een weelderige decoratie. Maar het belangrijkste waren de veranderingen in thema’s, plotlijnen, personages en de manier waarop het verhaal werd verteld. VOORNAAMSTE onderwerp van de Restoration Comedy’s was het reilen en zeilen van de ontluikende stedelijke kleinburgerij, de rijke yuppen en de mensen die dat graag wilden worden. Van de in 1673 gestorven Franse grootmeester van de komedie, Molière, nam deze nieuwe generatie Engelse schrijvers het fenomeen over dat de butlers en dienstmaagden op de achtergrond hele huishoudens eenvoudig naar hun hand zetten, ook omdat de dames en heren op de voorgrond wel een paar andere dingen aan hun hoofd hadden. Wat heet een paar! Bij Congreve vallen de plotlijnen nauwelijks op de vingers van twee handen te tellen. Wie vanaf het eerste bedrijf van The Way of the World precies wil begrijpen wié precies wát met wié te maken heeft, wordt - al bij lezing, en helemaal in deze voorstelling - volstrekt krankzinnig. Tijdens het kijken drong zich aan mij de vergelijking op met de Engelse hotelserie Fawlty Towers. In alle afleveringen moet de eigenaar van dit badhotel, Basil (John Cleese) zich in duizenden bochten wringen om zijn hoofd boven water te houden. Bij Congreve is vrijwel ieder personage een Basil; dit is een duiventil van in en uit vliegende Basils. Iedereen heeft iets met iedereen, de intriges tuimelen over elkaar heen als renners tijdens een massale valpartij in de Tour de France. Met dit verschil dat die cyclisten geen verstandige zin achter elkaar kunnen uitspreken. En precies daar zijn de personages in Congreve’s The Way of the World bijzonder bedreven in. Met het toenemen van het aantal actes stijgt ook het aantal oneliners en wisecracks, taalgrappen en vergelijkingen, beschaafd bedoelde maar in de loop van de tijd steeds onbeschofter wordende scheldpartijen. De tekst, vertaald door Maarten Boegborn en Annet Kouwenhoven, is zonder meer briljant. Ook uitputtend trouwens: er wordt de toeschouwer vrijwel geen minuut rust gegund. TENMINSTE, DE toeschouwer die niet na het eerste bedrijf is afgehaakt. Die eerste acte is een parade van karakters waarvan je als kijker voortdurend denkt: wie’s dát nou weer? Wie geduld oefent - iets wat de uitvoerenden je gemakkelijk maken door een verhuizing van tribune per bedrijf, met een smakelijke dranktafel als tussenstop - krijgt dat geduld vanaf de tweede acte ruimschoots uitbetaald. En als de geraffineerde machinerie van Congreve eenmaal begint te lopen, berg je dan maar. Iedereen bedriegt iedereen, en niet zo'n beetje schaamteloos ook. Namen noemen, ach, waarom niet, een paar dan maar. Medevertaler Maarten Boeghorn zet een onweerstaanbaar truttige maar aan het eind vernietigend uithalende trut neer. Maarten Nieuwerf maakt een prachtrol van de bedrieger die in zijn zelfgegraven valkuilen dondert. En Annet Kouwenhoven zet een hitsige dame-in-de-overgang neer, met een ragebolkapsel, veel te veel rouge op haar wangen - en dan die stem, dat fantastische tekstgebruik. Het was alsof ik naar een hommage aan Ank van der Moer zat te kijken. Het is de schaamteloosheid van het spel dat de avond - wanneer je de poriën ervoor openzet - zo keelsnoerend maakt en zo hartverscheurend geestig. Witty, noemen de Britten dat. Je ziet wat de personages overkomt, je denkt: dat zou mij ook kunnen overkomen, en je lacht. Weer die grijns van oor tot oor. Maar hij wordt gaandeweg de avond wel zeer bitter. Eén aspect van de avond heb ik tot nu toe onbesproken gelaten. De voorstelling was nog niet af (niks is bij Discordia en ’t(Barre Land trouwens ooit af) dus souffleerden de acteurs elkaar bij toerbuurt vanuit de coulissen. En ze keken naar elkaar. Als iets scherp werd gespeeld, als een goed comedy-'nummer’ - Congreve’s stuk is eigenlijk een aaneenrijging van 'nummers’ - dan werd er vanaf de zijkant met liefde gekeken. Zo kregen we eigenlijk twee voorstellingen te zien. Die van de acteurs die óp waren, en die van de acteurs die bijna óp moesten. Zo mag ik toneel graag zien: als een onderneming die je samen maakt. En JanJoris Lamers? Die kwam alleen in het begin op, voor een inleiding ('Hou het kort, Jo’). Verder sjouwde hij met stoelen en met rietstengels. En hij souffleerde mee. Of hij keek alleen maar. Zijn soms fronsende, vaak verbaasde blik leek af en toe op verliefdheid. Bij die liefde kan ik me alles voorstellen.