Het theater van de generaties

Keer op keer blijven ouderen in generatieromans verpletterd achter, vernederd, opgeruimd, dood. Alles in dienst van het kind en zijn volwassenwording. Het heeft meeslepende literatuur opgeleverd.

Wat dacht ik toen mijn moeder me lang geleden voorlas uit De baard van Daantje (1931) van Leonard Roggeveen? ‘Daantje is een klein dik ventje van zestig jaar. Dat is niets bijzonders! Daantje woont in een aardig huisje, even buiten het dorp. Dat is óók niets bijzonders. Daantje heeft een vrouw. Grietje heet ze. Grietje is lang zo dik niet als Daantje. Dat is helemáál niets bijzonders!’ Rare tekst: waarom de nadruk gelegd op het niet-bijzondere van dit alles? Een jaar of zes moet ik geweest zijn, wat boeide me erin? Mijn moeder vertelde me later dat ze me er vaak uit voorlas omdat ik er geen genoeg van kreeg. Had het iets te maken met Grietje, die Daantje bezat? Wilde ik daarover meer te weten komen? Wat betekende dit toch allemaal?
En wat te denken van het smartelijke verhaal uit de kinderbijbel over Hagar en Ismaël dat ik me nog goed herinner. Hagar is met haar kind Ismaël door Abraham in de woestijn gedumpt en daar liggen ze nu langzaam te sterven. Was het de bedoeling dat ook ik later als ik groot was door mijn vader in de woestijn zou worden achter gelaten? Waarom las mijn moeder het vaak aan me voor? Herinnerde het haar aan haar eigen jeugd, voelde zij zich door haar ouders in de steek gelaten? Of had zij daar ooit naar verlangd? Het is allemaal in de tijd opgelost, gelukkig maar, maar ooit was ik een kind en was het de bedoeling dat ik later, dankzij de goede zorgen van mijn ouders, volwassen zou worden en me van hen los zou maken. Daar speelden deze verhalen een rol in, anders had mijn moeder ze niet voorgelezen.
Freud noemt de losmaking van en overwinning op ouders de meest noodzakelijke en tegelijkertijd pijnlijkste fase van de individuele ontwikkeling. Mannen en vrouwen moeten zich een weg banen door hun eigen ‘familieroman’, stelt hij in een kort maar bijzonder fijnzinnig en af en toe zelfs geestig artikel uit 1909: Der Familienroman der Neurotiker. Ieder normaal mens doorloopt zo'n ‘roman’, die de afwisseling der generaties voortstuwt en waarvan volgens Freud zelfs de maatschappelijke vooruitgang afhangt. Hij schetst zomaar uit de losse pols een aantal ‘scènes’ en ingrediënten waaruit onze familieromans bestaan. Hij noemt uiteraard de concurrentie tussen kinderen, plus de veldslag om de sympathie van vader en moeder, waarbij kinderen vaak de fantasie ontwikkelen dat ze als stiefkind in het gezin zijn opgenomen. Of dat hij of zij ‘eigenlijk’ een prins of prinses is, die op een verkeerde plek is beland. Hij beschrijft dat je als kind eerst niet beter weet dan dat je ouders het toppunt van je bestaan uitmaken, er is geen enkele twijfel mogelijk. Tegen de tijd dat je gaat vergelijken met andere gezinnen waar je wel eens op bezoek gaat, komt de klad in deze mooie illusie.
Ook verhalen die je vader of moeder voorleest horen tot ieders noodzakelijke ‘roman’ ter losmaking van ouders. Je hoort ze keer op keer aan, de sprookjes, de rare verhalen over enge wolven, over stiefmoeders die in spiegels loeren, over Sneeuwwitje en de dwergen, over leuke hazen die parmantig in een knollenland de fluitefluitefluit blazen en daarna door een jagersman worden geschoten. Wat moet je er allemaal van denken? En later hoor je voorlezen uit Jip en Janneke, waarbij je het bevrijdende idee krijgt aangereikt dat de ouders van deze twee opvallend zelfstandige kinderen in hoofdzaak afwezig zijn, of hoogstens ergens in de verte aanwezig; in ieder geval zijn ze nooit dwingend of bemoeizuchtig. En nog later ga je zelf boeken lezen over vervelende zussen die steeds weglopen, over broertjes die verdwenen zijn, over stiefouders, over enge vaders die tijdens het eten boeren en scheten laten, over zoektochten naar het geluk. Vaak vlucht een kind als het wat ouder is in dagdromen waarin hij fantaseert over ‘betere’ of ‘edeler’ ouders, want de eigen ouders zijn banaal en stompzinnig. Je zou meer aan ze hebben als ze op de Mokerhei verbleven, begint het kind te denken.
Volgens Freud formuleren deze dagdromen altijd twee typen wensen: een erotische en een ambitieuze. Men droomt over een eigen beslissende rol te midden van leden van de hogere klasse die binnen een aantrekkelijke erotische ambiance het gewone leven tot grote hoogte opstuwen. In dit type ‘romanfantasieën’ vertonen de gedroomde ‘hogere’ plaatsvervangers van vader of moeder vaak duidelijk toch hun uiterlijke kenmerken. Ze herinneren de dagdromer aan de gelukkige tijd toen vader de belangrijkste en sterkste man op aarde was en moeder zijn assistente waar je altijd terecht kon.
Naarmate we ouder worden en op seksueel gebied steeds wijzer, beginnen fantasieën rondom de promiscuïteit van ouders of broers en zussen, of kennissen van de familie, of van iedereen die je tegenkomt de kop op te steken. Soms nemen ze wraakzuchtige vormen aan, of ze veroorzaken sterke minderwaardigheidsgevoelens omdat je je nog te veel zorgen maakt over de eigen seksuele prestaties, maar in ieder geval begeleiden al deze noodzakelijke illusies, wensen, projecties, dagdromen, vermeende wraaknemingen en verlangens ons op onze weg naar bevrijding van de autoriteit van ouders. Ze zijn de zetstukken in ieders ‘familieroman’.
Heel wat schrijvers werken met deze door Freud in een paar pagina’s geschetste scènes. Het ziet ernaar uit dat zij hun eigen ‘familieroman’, of elementen eruit, of vervormingen ervan in hun werk keer op keer reconstrueren, of ritualiseren, of er een afgeleide van formuleren. Ze weten dat er altijd een publiek te vinden is voor romans waarbinnen jongeren zich een weg langs de oudere generaties moeten banen, omdat ook zij zelf onderwerp zijn geweest van een vergelijkbare ‘familieroman’ als hun lezers. Misschien werken ze met deze scènes uit een gevoel van opluchting omdat het bij henzelf eindelijk allemaal achter de rug is, of anders uit een half verwerkt verlangen naar de bijna vergeten idyllische kanten ervan. Toen vader en moeder nog helden waren. Ze spelen ermee, ze zetten hun eigen ‘scènes’ in een roman opnieuw in scène.
Theo Thijssen laat zijn held in Kees de Jongen (1923) lustig dagdromen over zijn kennismaking met belangwekkende personen uit de hogere klasse. Zijn dagdromen over Rosa Overbeek hebben een sterke erotische lading die steeds in verband staat met zijn ambities maatschappelijk hogerop te komen. In De avonden (1947) van Gerard Reve, een andere klassieker uit dit genre, rekent de held genadeloos af met zijn ouders, die hij sterk banaliseert en een volkomen onseksuele lading meegeeft, wat erop duidt dat hij zelf aanspraak meent te kunnen maken op een ‘eigen’ seksualiteit. Zijn dromen, bij Reve zijn het geen dagdromen, duiden op een sterk ontwikkelde afkeer van zijn eigen milieu, een afkeer die in de grond een wens formuleert om terug te mogen keren naar de eerste fase van geborgenheid binnen het gezin. De hele roman is te lezen als een pijnlijk en nauwelijks gelukte poging los te komen van de ouderlijke autoriteit.
Ook eigentijdse romans werken met elementen uit de ‘familieroman’ van Freud. In Bonita Avenue (2010) introduceert Peter Buwalda een uitermate sterke vaderfiguur. Daartegen in het geweer komt zijn amorele dochter (ze is niet zijn echte dochter!) die zich op internet door haar vriendje (die hogerop wil) in liederlijke poses laat fotograferen. Pornografie functioneert in deze zeer interessante roman als ingrediënt om de vader te vernederen en te vernietigen. Alle personages hebben een identiteitsprobleem, ze twijfelen aan hun eigen positie, zijn onzeker over hun achtergrond, of voelen zich in allerlei opzichten gekleineerd door de vaderfiguur. Ook de nieuwste ingenieuze roman van Tomas Lieske Alles kantelt (2010) werkt met elementen uit de ‘familieroman’. Ook hier een sterke vader die de seksualiteit van zijn kinderen overheerst en kleineert. Zijn zoontje is aan de ene kant nog steeds sterk geïmponeerd door de kracht en macht van de vaderfiguur, hij gelooft nog in zijn autoriteit, maar aan de andere kant dringt bij hem steeds urgenter het besef door van diens macht en machtsmisbruik. Dit leidt tot onzekerheid over de eigen positie, precies zoals Freud dat hierboven beschreef. De zoon vlucht in eerste instantie in magische rituelen die een afweer tegen de vader moeten vormen en later in dagdromen over het meisje dat in hun gezin wordt opgenomen. Lieske weet aan dit gegeven een fraaie draai te geven: hij laat het zoontje als volwassen man aan het woord die op zijn jeugd terugkijkt en zichzelf ziet.
Het zou niet moeilijk zijn een opsomming plus analyse te geven van Nederlandstalige romans waarin het generatieconflict in bovengenoemde zin in scène is gezet. Ik noem voor de zekerheid werk van Bordewijk (Karakter), Vestdijk (Anton Wachter-reeks), W.F. Hermans (De donkere kamer van Damocles), A.F.Th. van der Heijden (de hele Tandeloze tijd-cyclus); je kunt de rij eindeloos aanvullen. Deze romans reproduceren, maar dan in een andere vorm, de elementen die je als kind vroeger via sprookjes, verhalen en liedjes kreeg voorgezet en waarin de illusies rondom de zoektocht naar het geluk - lees: seksuele en maatschappelijke zelfstandigheid - vooropstond. Wat kwam je vroeger niet allemaal tegen in de verhalen die je kreeg voorgezet of zelf las: monsters, wolven, tovenaars, hongersnoden, vreemde goden, doodsangsten, feeën, dierenfamilies, zoektochten naar verdwenen ouders. Jongensboeken, meisjesboeken, alles in dienst van de latere zelfstandigheid. En als je later romans gaat lezen, merk je dat dezelfde elementen opnieuw opduiken, maar nu abstracter en symbolischer. Het lijkt erop dat je het generatieconflict dat je zelf net min of meer achter de rug hebt, opnieuw voor de kiezen krijgt, maar dan met terugwerkende kracht en in een min of meer aantrekkelijke en bij de leeftijd aangepaste vermomming. In dit type generatieromans zijn de te overwinnen tegenstanders vermomd als nare autoriteiten, slechte leraren of professoren, domme ouders, liederlijke vrouwen of mannen, identiteitsproblemen, de slag om de seksualiteit, de zoektocht naar verdwenen zonen, ouders, tantes, dieren, pleegkinderen en geliefden.
Alles in dienst van het kind of de jongvolwassene en zijn volwassenwording. Net als in het ‘echt’ in de ‘familieromans’ van mannen en vrouwen (en schrijvers), waar het volgens Freud dus allemaal mee begonnen is. Het kind is nu eenmaal noodzakelijk de stralende overwinnaar binnen deze literatuur, of het lijdt natuurlijk een verpletterende nederlaag en gaat onder in vervreemding en neuroses. Maar ook in dat geval was de bevrijding van ouders binnen de roman het hoofddoel. Ouderen blijven in dit theater van de generaties dat keer op keer wordt opgevoerd verpletterd achter, vernederd, vermoord, opgeruimd, ze stellen niks meer voor, zijn dood. Of ze spelen alleen nog een rol als goede of slechte fee en tovenaar in aandoenlijke scènes in verpleeghuizen en ouden-van-dagen-gestichten. Ze mogen hoogstens nog meedoen als tandeloze hulpjes van het seksueel en maatschappelijk volwassen geworden kind dat een stralende, of bij mislukking een verknipte toekomst tegemoet gaat. Kinderen en jongeren zijn in deze boeken in principe goed en aanvaardbaar omdat ze noodzakelijke levensscènes moeten doorlopen, daar helpt geen lieve moedertje aan. Zij hebben iets te winnen, ouderen hebben iets te verliezen. Het komt zelden voor dat jongeren in romans beseffen dat ook zij later door hun eigen kinderen zullen worden overschreeuwd, gepasseerd en gedumpt. Voor deze herhalingsoperatie blijven ze doof, een reflectief moment erover breekt nooit aan, dan is de roman al lang afgelopen. Je leest niet vaak generatieromans waarin kinderen tot schurken zijn gebombardeerd en ouderen of andere autoriteiten tot stralende helden die als overwinnaar te voorschijn komen. De noodzakelijkheid van het te overwinnen generatieconflict blijft de motor van deze literatuur. Je kunt zeggen dat ze in de grond berust op rancuneuze uitgangspunten die schrijvers bij hun lezers veronderstellen en zelf ook koesteren. Op nog steeds niet verwerkt verdriet of wanhoop of woede over de doorstane vernederingen tijdens de eigen ‘familieroman’. Ik zal ze wel krijgen: dat is de teneur van deze romans. Is het niet een bevrijdend en opluchtend idee dat rancune zulke mooie en meeslepende literatuur heeft voortgebracht?