Het theater van de gil de eeuwige efteling

HET IS NIET DE LACH die overal bovenuit klinkt. Al op de enorme parkeerplaats hoor je het geluid dat karakteristiek is voor elk modern pretpark: een mengeling van gillen, gieren en krijsen. Fikse uithalen zijn het, die elkaar snel opvolgen. Uit veel monden tegelijk. Dit collectieve gegil spreekt duidelijke taal: je treedt hier niet een onbenullige speeltuin binnen maar een echt attractie- of avonturenpark, zoals pretparken zichzelf graag noemen. Het avontuur zit in de aanwezigheid van minstens één machine die mensen zo doet schreeuwen: de roller coaster - in Nederland ‘achtbaan’ genoemd, naar de vorm die deze gilmachine had toen hij hier op de kermis werd geïntroduceerd.

Oorspronkelijk bouwde men achtbanen op een frame van grenen- of vurenhout. Van ijzer is alleen het spoor waarop de aaneengeschakelde wagentjes of lorries rondsnellen. Aan het begin van de rit wordt dit treintje een heuvel opgetrokken. Eenmaal over de top belandt het in een schijnbaar vrije val. Het momentum dat zo ontstaat geeft de wagentjes genoeg vaart om na een stel scherpe bochten en een paar minder hoge heuvels terug te keren naar de plaats van vertrek.
Tijdens de eerste, hoogste val wordt er het hardst gegild, wat door ontwerpers ook zo is gepland. Ze laten de wagentjes met opzet langzaam omhooggaan; daardoor lijkt de eerste heuvel hoger dan hij is. Ze proberen ook de hoek waaronder de lorries voor het eerst naar beneden vallen, zo groot mogelijk te doen lijken. De in de jaren twintig gebouwde Cyclone-banen waren op dit punt al erg succesvol: ze hadden een eerste helling van 53 graden, maar creëerden de illusie dat je onder een hoek van bijna 90 graden naar beneden stortte.
Ook de suggestie van snelheid is belangrijk. Achtbaners denken altijd veel sneller rond te rijden dan in werkelijkheid het geval is. Bij de klassieke achtbaan roept vooral de open houten stellage deze illusie op. Omdat je door een woud van palen en balken rijdt, lijkt het alsof je heel hard gaat. Daarbij helpt de wind een handje. Het geluid en het gevoel van luchtweerstand doen de lorriepassagiers geloven dat ze enorm veel snelheid ontwikkelen. De ware achtbaan heeft daarom altijd open wagentjes. Volgens de liefhebbers tenminste.
‘Een goede achtbaanrit is beter dan seks’, zegt een fan. 'Waarom ik er zo van hou? Omdat je zo'n heerlijk luide oerschreeuw kunt slaken’, antwoordt een ander. Achtbanen verdelen de mensheid. In Disneyland belandde ik eens in de Space Mountain, een nieuw type roller coaster dat helemaal in het donker over de rails dendert. Ik denk nu te weten wat doodsangst is.
Toch spreekt de geschiedenis van achtbanen duidelijke taal. Al aan het begin van deze eeuw stonden mensen voor een ritje uren in de rij. De exploitanten werden slapend rijk en dat is behalve in de crisis- en oorlogsjaren ook steeds zo gebleven. De ongelooflijke gilmachine - om een van zijn bijnamen te noemen - is al bijna honderd jaar een uiterst rendabele geldmachine.
EEN POPULAIR VERMAAK in de achttiende en negentiende eeuw was het rodelen: op een sleetje in rap tempo een sneeuwhelling afroetsen. In 1887 kwam in de Verenigde Staten iemand op het idee een rodelbaan zonder sneeuw te maken. De baan had een ondergrond van gladde palen die meerolden als de slee er overheen gleed; het woord roller coaster (rolglijbaan) vindt hier zijn oorsprong. Elders in Amerika liet men al een tijdlang omgebouwde lorries de heuvel van een oude kolenmijn afrijden. In een ommezien werd het een razend populaire attractie. Vanaf 1873 kwamen er jaarlijks 35.000 waaghalzen op af. Omstreeks 1900 werd de klassieke achtbaan geboren uit een combinatie van deze twee voorgangers: de rodelbaanbochten werden vanaf nu genomen door wagentjes die op rails reden.
In de jaren twintig werd Amerika helemaal achtbaangek. Volgens achtbaanhistoricus Cartmell telde het land meer dan 1500 roller coasters; alleen op Coney Island - een landtong niet ver van New York waar miljoenen stedelingen vertier zochten - had je er al vier. In Europa was de achtbaan vooral op de kermis te vinden. Helaas is dat zo goed als voorbij. Het is bij ons nu zo als in Amerika, waar de achtbaan als aparte attractie al eerder verdween. Daar beleeft de baan binnen de muren van het pretpark wel nieuwe gloriejaren. Amerikaanse parken als Disneyland, The Magic Kingdom in Disney World en Knott’s Berry Farm bezitten meer dan één baan, soms wel drie of vier, zo populair is dit vermaak. De grote Nederlandse parken volgen deze trend. Zo nam de Efteling dit jaar haar derde baan in gebruik.
De achtbaanrit drukt uit waar het tijdens een dagje pretpark om gaat: op een veilige manier avonturen beleven. Van oudsher spelen pretparken in op de behoefte om een ramp van dichtbij te zien. In de jaren tien en twintig brandde in het Luna Park op Coney Island bij wijze van attractie regelmatig een huis van vier verdiepingen af. Dit park bootste ook allerlei natuurrampen zo realistisch mogelijk na. Nummers als de Johnstown Flood (naar een grote overstroming in 1889), de Val van Pompeji en de Aardbeving van San Francisco waren erkende publiekstrekkers. Je kon de huiveringwekkende sensatie ondergaan van ramp en gevaar, zonder zelf enig risico te lopen.
De film kon de behoefte om gevaarlijke dingen te zien al snel beter bevredigen. Het opvoeren van historische rampen verdween in de jaren dertig dan ook van het pretparktoneel. Het avontuur moest vanaf dat moment vooral worden gezocht in 'enge’ attracties, zoals het reuzenrad en de achtbaan. Om ontzag in te boezemen kregen achtbanen steeds vaker een macho naam, zoals de Cycloon, Speed Demon, Thunderbolt, Tornado en The Beast. In de jaren vijftig waren er banen met namen als Atom Smasher. De boodschap is tot op heden duidelijk: de rit moet je doen huiveren en mag zelfs een beetje pijn doen. Maar de impliciete afspraak is wel dat je niet aan echt gevaar wordt blootgesteld. De veiligheidsvoorschriften zijn altijd streng geweest. Statistisch gesproken is een achtbaanrit vele malen veiliger dan een autotochtje of een vliegreis.
ALS GELDMACHINES lijken pretpark en achtbaan niet minder op elkaar. Vanuit het perspectief van de ontwerper is het in beide gevallen belangrijk om grote aantallen bezoekers tegelijk te kunnen verwerken. Een achtbaan die meer kijkers dan bezoekers trekt, deugt niet. Het omgekeerde, waarbij de capaciteit de vraag niet kan verwerken, is ook niet goed - van (extreem) lange rijen houdt niemand. Daarom is er sinds het begin van de eeuw veel nagedacht over technieken die het in- en uitstappen kunnen doen versnellen. En de rit zelf mag niet te lang duren.
Bij het ontwerpen van een park let men op soortgelijke dingen. De eerste die het belang van een goed ruimtelijk ontwerp inzag, was Walt Disney. In de jaren vijftig brachten de bestaande parken niet veel meer op. Ze waren nog volgens het voorbeeld van de kermis opgezet: een stel losse attracties, vlak bij elkaar gezet, die concurreren om de aandacht. Wat Disney deed, was niet minder dan een revolutie: de reis naar het avontuur moest niet lijken op een kermis maar op een film. Het park mocht er niet chaotisch of rommelig uitzien. En om bezoekers rustig van de ene attractie naar de andere te leiden, moest hun uitstapje een thema en verhaallijn hebben zoals een film dat heeft.
Disneyland is het park nabij Los Angeles dat in 1955 open ging. In 1971 kwam daar The Magic Kingdom bij, een veel groter pretpark dat deel uitmaakt van Walt Disney World, een uitgestrekt gebied in Florida met hotels, een nieuwe stad en nog twee themaparken. Om mensen niet doelloos te laten dwalen bracht Disney de vele attracties onder in een aantal 'landen’, zoals Avonturenland, Het Wilde Westen en Het Land van de Toekomst. Disney-expert Fjellman ziet in deze ingreep een parodie op de romantische principes van Ebenezer Howard, de negentiende-eeuwse bedenker van de tuinstad. Volgens hem kun je vervreemding tegengaan door de stad op te delen in overzichtelijke en goed van elkaar te onderscheiden wijken.
Pretparkbezoekers waren gewend om per attractie te betalen. Disney nam dit gebruik in het begin ook over, maar bedacht zich snel. Hij vond dat mensen er te veel door werden opgehouden. Als niet de kermis maar de film het voorbeeld is, dan ligt het trouwens ook meer voor de hand alleen bij de ingang entree te heffen.
Daarnaast introduceerde het Disneybedrijf allerlei technieken om mensen te verspreiden en in beweging te houden. Zo kent ieder park een centrale laan - een planningsconcept dat Disney ontleende aan eerdere wereldtentoonstellingen. Deze 'Main Street USA’-creaties worden sinds jaar en dag door Disney-watchers bespot omdat ze zo'n zoet en nostalgisch beeld van het Amerikaanse verleden geven. Maar die kritiek gaat voorbij aan hun functie. Deze hoofdstraten komen uit op een centraal plein en zijn bedoeld om mensen zo snel mogelijk diep het park in te lokken, opdat de massa zich verspreidt. Daartoe maakt men ook gebruik van visuele magneten, zoals het grote roze sprookjeskasteel uit Assepoester. Het is zo neergezet dat het de bezoekers naar het centrale plein toetrekt.
GEEN ECHT PARK zonder achtbaan. In de jaren zeventig en tachtig stonden de langste rijen voor een nieuw type. Dat type is geheel gemaakt van ijzer en kunststof. Ze rijden sneller en kennen scherpere bochten. Meestal voeren ze het treintje (nu ook wel rups genoemd) door een of meer loops - je gaat dan 180 graden over de kop. Nieuw was deze buiteling trouwens niet, op Coney Island kon je haar al in 1901 uitproberen. Maar een houten achtbaan bleek na een tijdje toch ongeschikt voor deze kunsten.
De pretparkindustrie trekt zich van de achtbaannostalgie wel iets aan. Zo introduceerde de Efteling in 1991 nog een houten baan, tien jaar na de bouw van de ijzeren Python. Desondanks volgen parken toch vooral de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van ontwerptechniek en materiaalgebruik. Bovendien spelen ze een belangrijke rol in het populariseren van nieuwe dure snufjes. De stoomcaroussel - de eerste mechanisch aangedreven draaimolen - stelde arbeiders in de gelegenheid een paard te berijden, ook al was het dan van hout. Toen de eerste auto’s en motoren op de weg verschenen, vervingen veel carousseleigenaren de paarden door deze nieuwe speeltjes van de elite. Zo is het steeds gegaan. Vliegen, parachutespringen, naar de maan reizen: de grote massa maakte er kennis mee in het pretpark. Ook het wonder van de elektrische verlichting werd via het pretpark aan de massa getoond. Toen het Luna Park op 16 mei 1903 voor het eerst openging, werd het ’s avonds verlicht door 250 duizend peertjes. Tot één uur ’s nachts, meldde de New York Times, wandelden circa 45.000 mensen op de boulevard van Coney Island: 'Ze wreven zich de ogen uit, stonden verbijsterd stil en knepen zichzelf om er zeker van te zijn dat dit werkelijkheid was.’
Coney Island is geschiedenis. De Vaticaanstad van het vooruitgangsgeloof ligt nu in Florida, waar Disney World ieder jaar tientallen miljoenen bezoekers trekt. 'Optimism sells’, is een marketingprincipe dat het Disneybedrijf als geen ander begrijpt. Maar zoals Russel Nye in een mooi stuk opmerkt: pretparken hebben meer dan één betekenis. 'Nee, we delen nooit iets mee over de techniek van onze attracties. Technische kennis doet afbreuk aan de illusie, aan de sprookjeswereld die ons park wil zijn’, zei een voorlichter van de Efteling tegen me. Ook Disney staat bekend als een bedrijf dat zeer geheimzinnig doet over de technologische hoogstandjes die in hun attracties verstopt zitten. Ze dragen de vooruitgang met verve uit, maar ons opvoeden doen ze niet. Sommigen spreken hier schande van. Maar waarom zouden ze?
Hun geflirt met de wetenschap neemt niet weg dat pretparken toch op de eerste plaats (film)theaters blijven. En die moeten het hebben van de illusie. Wie achter de coulissen kan kijken, is inderdaad afgeleid. Wie ziet hoe een film is gemaakt, zit niet meer in het verhaal. Vooral dat laatste mocht volgens Walt Disney nooit gebeuren. Als geen ander was hij erop gebrand de illusie hoog te houden. Ben je eenmaal binnen dan zie je in zijn parken nooit iets van de buitenwereld. Ook mogen de Mickey’s en Goofy’s voor geen prijs hun hoofd even afzetten, hoe heet ze het op zomerse dagen ook hebben. Of het nog zo is weet ik niet, maar in de tijd dat Walt nog leefde werden medewerkers die de wetten van de illusie overtraden, op staande voet ontslagen.
DE ACHTBAAN WAS lang een theater dat geen verhaal nodig had. Een open stellage en een entree waar de stoere naam van de baan in grote letters boven stond, dat was genoeg. Sinds de jaren tachtig is hierin verandering gekomen. Vanaf die tijd kwamen er meer overdekte banen. Disney’s Space Mountain, die de illusie van een reis door de ruimte wil opwekken, is er een vroeg voorbeeld van. Tegenwoordig stap je niet zomaar meer in een wagentje. Je treedt fysiek een verhaalwereld binnen. Het Nederlandse pretpark Hellendoorn sloot zich een paar jaar geleden aan bij deze trend en opende een van de merkwaardigste banen die ik ken. Hij heet Rioolrat. Bij binnenkomst wordt de illusie geschapen dat je een riool in Parijs betreedt. Bezoekers dalen in schemerdonker een trap af. Ze komen langs gesprongen buizen en ander ongerief. Het stinkt. Op een duister station wacht een trein met een groot knaagdier voorop. De attractie schijnt een groot succes te zijn.
De Efteling kon niet achterblijven en opende dit jaar een soortgelijke overdekte themabaan, Vogel Rok. De naam verwijst volgens het persbericht naar 'de monstrueuze en mythische vogel uit de tweede en vijfde reis van Sindbad de Zeeman’. De rit begint in 'de aardedonkere gewelven van Roks nest’. Daar stap je op zijn vleugels om na een 'supersnelle thrill-ride’ van 101 seconden veilig aan te komen in de 'Wereld vol Wonderen’.
Deze verandering op achtbaangebied staat niet op zichzelf. In de pretparkindustrie is op een breed front sprake van een opmars van het theatrale. Men organiseert middeleeuwse eetfestijnen en houdt in navolging van Disney op zomeravonden grote optochten die met vuurwerk worden afgesloten. Bovendien is men druk doende om met behulp van nieuwe technieken op het gebied van virtual reality attracties te maken waarbij je letterlijk kunt opgaan in het verhaal. Bedrijven als de Efteling grijpen deze trend aan om van hun park, opnieuw naar Disneys voorbeeld, meer een eenheid te maken. Het concept van 'sprookjesbos, aangevuld met een permanente kermis’ heeft men op die manier kunnen verlaten. Het idee is nu om één droomwereld te scheppen waarin jong en oud zich thuis voelen.
DE OPMARS VAN het verhaal zorgt ervoor dat je steeds minder om pretparken heen kunt. Met verhalen kun je mensen immers van jongsaf aan, overal en via allerlei media bereiken. Hoe ver Walt Disney zijn concurrenten op dit punt vooruit was, beginnen Europese parken zich pas nu te realiseren. Interessant is te zien hoe de zuigkracht van EuroDisney hen ertoe aanzet Disneys meest lucratieve en misschien ook meest geniale idee te kopiëren. Noem het de omkering van werkelijkheid en fictie. Van een pretpark een sprookjeswereld maken is niet genoeg, wist Disney. Om grote aantallen bezoekers te trekken moet je de dingen omkeren: niet het verhaal situeren in een park, maar het park in een verhaal. Liefst in een verhaal dat iedereen al kent. Vooral deze draai gaf Disney een voorsprong op al zijn concurrenten. Micky, Goofy en Donald laat je net als Assepoester, Sneeuwwitje en Roodkapje via strip en film in ieder gezin aanwezig zijn. Zijn potentiële klanten eenmaal in de ban van deze fantasiewereld, dan is de rest kinderspel. Je kunt er zeker van zijn dat ze op een goede dag op bedevaart gaan naar een van je pretparken. Zoals een vijfjarig kind onlangs tegen me zei: 'In Disneyland woont de echte Sneeuwwitje.’
In Nederland is vooral de Efteling actief in het omkeren van realiteit en fictie. Het park maakt sinds kort zelf nieuwe sprookjes en koppelt daar ook een hele 'productlijn’ aan vast. Zo is er naar het voorbeeld van de Smurfen en Asterix en Obelix (die in twee Franse pretparken hun domicilie hebben) een nieuw 'volk’ bedacht, de Laven. Je kunt erover lezen en er bij V&D beeldjes van kopen. Maar wil je ze zien dan moet je naar de Efteling. Uitsluitend daar bestaan ze 'echt’.
HOE VERPAKT OOK in allerlei wonderlijke verhalen, de achtbaangil zal altijd blijven. Meer dan in het sprookje ligt in die gil de heimelijke aantrekkingskracht van het pretpark verborgen. Niet alleen omdat dit schreeuwen iets met seks van doen heeft. Ook omdat hij uitdrukking geeft aan een gevoel dat filosofen als Edmund Burke en Immanuel Kant 'de ervaring van het sublieme’ hebben genoemd. Het is de ervaring die we hebben bij het beleven van natuurverschijnselen als onweer en storm, of bij het kijken naar grote objecten die macht uitstralen en ontzag inboezemen. In extreme gevallen kan deze ervaring twee emoties tegelijk oproepen: pijn en genot. Maar we zoeken deze combinatie van emoties ook vaak bewust op. Waarom? Is de sublieme ervaring die eraan ten grondslag ligt dan zo enorm verslavend? Ja, zegt Burke, want ze geeft het individu de (valse) belofte dat hij door het ondergaan van zulke intense ervaringen, uit zijn eigen onmacht kan worden verlost. Achter ons verlangen naar huivering, zoals Von der Thüsen het noemt, schuilt een verlangen naar macht.
Pretparken spelen op beide verlangens subtiel in, met de achtbaan in een hoofdrol. De collectieve gil die opklinkt uit het naar beneden stortende treintje, is niet simpelweg een uiting van angst en/of genot. Het is een kreet waarin onze wil tot macht zich voor een ogenblik kan laten gelden. Dat verklaart misschien waarom mensen de lange rijen voor lief nemen. Het geheim van zo'n nieuwe Vogel Rok-baan in de Efteling reikt verder dan het oproepen van een sprookjessfeer. Je onderwerpt je aan iets machtigs, waardoor je jezelf ook machtig gaat voelen. Terwijl je naar beneden roetst, ben je een speelbal van de techniek. Maar juist die toestand maakt het mogelijk je God op aarde te wanen. Precies 101 seconden lang.
Gebruikte literatuur: Judith A. Adams, The American Amusement Industry, Twayne Publ., 1991; Robert Cartmell, The Incredible Scream Machine: A History of the Roller Coaster. Fairview Park: Amusement Park Books, 1987; Stephen M. Fjellman, Vinyl Leaves: Walt Disney World and America. Boulder etc.: Westview Press, 1992; Russel B. Nye, Eight Ways of Looking at an Amusement Park, in: Journal of Popular Culture, vol. 15, 1981, p 63-75; Joachim von der Thüsen, Het verlangen naar huivering, Querido, 1997.