Het tijdperk van de adolescent

Truman Capote
Een zomer lang
Vertaald door Mieke Lindenburg
De Bezige Bij, 155 blz., Ä 17,50

In de zomer van 1944 schreef Truman Capote (1924-1984) wel verhalen maar deed dat in het geheim. Zijn brood verdiende hij als kopijjongen en puntenslijper op de burelen van The New Yorker in West 43rd Street, Manhattan. Op een dag bezocht hij een lezing van de dichter Robert Frost. Volgens eigen zeggen – maar Capote wist fictie en feit vaak onnavolgbaar te vermengen ten gunste van zijn eigen prettig ijdele ego – zat hij tijdens Frosts lezing op de eerste rij, toen hij zich vooroverboog omdat hij jeuk aan zijn enkel had. Maar door een stijve nek als gevolg van de griep kon hij zich niet meer oprichten. Dubbelgeklapt wist hij het gangpad naar de uitgang te bereiken. Op dat moment hield Frost op met voorlezen en zei dat als dit de reactie was van The New Yorker het voor hem niet meer hoefde. Hij smeet zijn boek de zaal in. Echt gebeurd? Doet er niet toe. Truman Capote werd op staande voet ontslagen, waarschijnlijk niet wegens belediging van Frost maar omdat hij zich voor _New Yorker-_criticus had uitgegeven in plaats van loopjongen.

Capote-biograaf Gerald Clarke ziet het ontslag als het gelukkige begin van Capote als beroepsschrijver. Hij was bezig met zijn eerste roman, de sociale komedie Summer Crossing, en wilde die afmaken. Om rustig te kunnen werken vertrok hij naar de streek van zijn jeugd: Monroeville in Alabama. Maar daar raakte hij snel vervreemd van het Summer Crossing-_verhaal, een vertelling rond de adolescente Grady McNeill, dochter van puisant rijke ouders die een zomer Europa «doen» en hun zeventienjarige dochter achterlaten in hun gigantische appartement aan Central Park. Dwalend door de bossen rond Monroeville ontdekte Capote de stem van zijn kindertijd en wist die om te smeden tot een heel andere, spookachtige roman: _Other Voices, Other Rooms (1948).

Een jaar later, reizend en schrijvend in Europa dankzij het succes van zijn debuutroman, pakte hij Summer Crossing weer op en schreef er een jaar aan. Zijn uitgever en andere meelezers waren niet enthousiast over de eerste eindversie: niet echt een eigen artistiek geluid, te mager. Capote was geïrriteerd, las zijn manuscript nog een paar keer door en moest toen zijn critici wel gelijk geven. Ondanks de goede stijl beviel het verhaal hem uiteindelijk ook niet: «En dus heb ik het kapot gescheurd» (Gerald Clarke, Truman Capote: Een biografie, 1988). Dat was niet waar, want eind 2004 dook het manuscript in de vorm van een paar volgeschreven schoolschriften weer op en kon het gepubliceerd worden.

Is de kleine roman echt te mager? Helaas wel. Maar als poging tot schildering van een naïeve en tegelijkertijd doortrapte adolescente blijkt Summer Crossing, nu in vertaling uitgekomen als Een zomer lang, een interessante voorstudie te zijn van Breakfast at Tiffany’s (1958), waarin Holly Golighty uitgroeit tot een écht naïef-geraffineerde jonge vrouw met een raadselachtige levensloop die zich langzaam in het verhaal ontvouwt.

Al op de eerste bladzijde van Summer Crossing wordt Grady McNeill een mysterie en een dwaas genoemd. Dat valt wel mee, of tegen. De spoken, doden en ongeborenen op de achtergrond willen maar geen aanjagers van een drama worden. Groeit het domme gansje tot een raadsel uit? Nou nee. Weliswaar is Grady geen onbeschreven blad en koestert ze een geheimpje of twee, aan de andere kant is ze geen doorgewinterde jonge tante die met een stalen gezicht de werkelijkheid naar haar hand zet. Haar naam is een teken aan de wand: de broer van haar moeder heette Grady en kwam om in de Tweede Wereldoorlog; Grady was ook de naam van een ouder, doodgeboren broertje. What’s in a name? Deze keer te veel: waar twee doden rondwaren, valt onherroepelijk een derde. De onoplettende lezer krijgt nog een hint: Grady is een meisje dat iets zal gaan overkomen. We zijn gewaarschuwd.

Dat Grady niet van haar moeder houdt wordt wel gezegd maar niet getoond. De korte perspectiefwisseling (pseudo-bezorgde gedachten van een vertrekkende moeder die haar dochter op de kade achterlaat) zijn eerder obligaat dan dramatisch. Door de hele roman heen werken de perspectiefwisselingen niet: huisvriend Peter Bell krijgt er geen diepgang door en Grady’s geheime liefde Clyde Manzer, oorlogsveteraan, groeit niet echt uit tot een minnaar met destructieve trekjes. Summer Crossing moet het hebben van de kleine geheimen en de kleine openbaringen: wat is er aan de hand met Grady’s aansteker, wat moet die poederdoos op de achterbank van haar auto, waarom zegt Clyde pas later dat hij joods is en verloofd met een zekere Rebecca? Een zomer lang probeert Grady McNeill vorm te geven aan een leven dat zich aan het zicht van haar ouders, haar oudere zus Apple en huisvriend Peter Bell onttrekt, maar wat ze nu precies verborgen wil houden is wellicht het echte raadsel. Het einde van het boek, al aangekondigd door de uitleg van Grady’s naam, is zonder meer afgeraffeld.

Er is één dode in Summer Crossing die intrigeert: Anne, het dode zusje van Clyde Manzer. Als driejarige kreeg ze al een hartaanval. Het hechte gezin Manzer ontziet Anne, die niet leert lezen en schrijven maar wel veel verstand heeft van motoren, auto’s en vliegtuigen. Ze sterft als ze van de trap valt. Misschien dicteert haar verlies het richtingloze leven van Clyde Manzer en indirect dat van de adolescente Grady McNeill. Maar een drama wil Summer Crossing, dat over verwijdering en verlies had moeten gaan, niet worden. Heel verstandig van Truman Capote om het nooit te publiceren en te zeggen dat hij het manuscript ten slotte had verscheurd.