House, dance & xtc

Het tijdperk van de grote feesten

De jaren negentig waren de jaren van onverstoord hedonisme. Massaal gaf het publiek zich over aan house en XTC. Totdat de trancedansers kapsones kregen en de deejays sterallures.

Dichter Arthur Lava had het al voorspeld toen hij op 24 mei 1988 in de RoXY triomfantelijk uitriep dat er een periode aan ging breken van ongekende zwier en vitalisme. Feest gaat het worden, beloofde de samensteller van de bloemlezing Maximaal. En niet zo’n beetje, nee: «Maximaaaal feeeest!!!» De aanwezigen op de dansvloer, onder wie beatlegende

Wil liam Burroughs — de asbleke goeroe van het toxicomane experiment — aanhoorden het beleefd. En het moet gezegd: Arthur Lava heeft gelijk gekregen. Er brak inderdaad een periode aan van «maximale feesten». Alleen was de behoefte aan beweging en peristaltiek die de dichters uit de bloemlezing met elkaar bijeenbracht in de RoXY, buiten de literaire wereld veel sterker dan daarbinnen. Het feest van de Maximalen duurde krap twee jaar en eindigde op 30 september 1990 in een chaotische vechtpartij op en om de bühne van muziekcentrum Vredenburg. De maximale feesten daarentegen bleven duren tot ver in het nieuwe decennium.

De snelle opkomst van house, XTC en trancedansen geschiedde in een periode van dolle entropie, van verandering en bevrijding en een hernieuwde, gigantische verwachting van de toekomst. De Muur van Berlijn werd met pikhouwelen kapot gehakt, het IJzeren Gordijn — dat de helft van Europa decennialang aan het zicht had onttrokken — werd omvergereden door families in volgepakte Trabantjes. Onwrikbare dictators werden als oude kranten aan de kant geschoven, scrofuleuze communistische regimes gaven een voor een de macht uit handen. Na de kille jaren van de Koude Oorlog werd het op het continent in een klap zomer.

In heel Europa was «een bevleugelende koorts opgekomen», om met Robert Musil te spreken. Het waren euforische jaren waarin werd gedebatteerd over «het einde van de geschiedenis» en «een nieuwe wereldorde», en waarin iedereen last leek te krijgen van een opruimwoede. Je kon het zo gek niet bedenken (oorlog, ideologie, filosofie, sacraliteit, roman, modernisme, postmodernisme, liefde, onderwijs, vooruitgang, utopisme, idealen) of er werd over gesproken in termen van Het Einde — en dus ook weer van Nieuw Begin.

Een variant van zo’n Nieuw Begin vond op 3 september 1988 plaats aan de Levantkade in het Amsterdamse havengebied, waar in een pakhuis de eerste echt massale houseparty van Nederland werd georganiseerd. Een bezoeker van dit feest beschreef hoe hij «honderden mensen in twee schelle stroboscooplampen onder oranjerode rook fotografisch zag bewegen. De muziek klonk opzwepend en dreunde keihard uit boxen van twee meter hoog en vele meters breed.» Een ander getuigde: «Iedereen pakte elkaar vast. Het was overweldigend. Die saamhorigheid…»

In navolging van dit feest begonnen houseliefhebbers kriskras door Nederland dansfestijnen te organiseren, meestal in de marges en rafelranden van de grote steden. In pakhuizen, sporthallen, filmstudio’s, op industrieterreinen en in havengebieden. Eerst gebeurde dit nog volkomen buiten het blikveld van de autoriteiten, maar al snel kwamen — geheel naar het Hollandse gebruik van de repressieve tolerantie — allerlei instanties toezicht houden. Een houseparty was niet compleet zonder de zichtbare aanwezigheid van wijkagenten, het drugsadviesbureau August de Loor en de predikanten van Naar House.

De partygangers trokken van feest naar feest en vormden in de weekeinden een tijdelijke gemeenschap van zeer uiteenlopende types die gedreven werden door dezelfde zucht naar genot. Eigenlijk deden de feesten uit die beginperiode nog het meest denken aan de Amerikaanse tribal gatherings en de human be-ins uit de hippietijd. De sfeer van vriendelijkheid, broederschap en optimisme stak schril af tegen het donkere no future-imago van de punk en de new wave. «Iedereen ervaart (op zo’n houseparty) hetzelfde», legde een enthousiaste muziekjournalist uit aan zijn lezers, «een dwingende macht die maakt dat alles verdwijnt, wegvloeit, tot er alleen gevoel overblijft. Het gevoel van één zijn met de muziek. De extase. Een uitgestrekt moment van vrijheid en geluk.» Partygangers bereikten dat «uitgestrekte moment» door een combinatie van fysieke inspanning, hypnotone muziek en de drug XTC (MDMA), een mild psychedelische amfetaminevariant die een euforische en oppeppende uitwerking heeft op de gebruiker en zorgt voor gevoelens van diepe empathie die het mogelijk maken zich «een te voelen met de massa op de dansvloer».

Het trancedansen werd de favoriete vrije tijdsbeleving van een generatie die was opgegroeid met moderne elektronica, en die na jaren van «bestaansangst» en no future uiting wilde geven aan een exuberant soort van hedonisme met postmoderne trekjes. Welcome to the Future heetten de feesten die producer Gert van Veen jarenlang in Paradiso organiseerde. Het was instant-tribalisme, waarbij het kampvuur was vervangen door geluidsboxen en men al dansend tijdelijk onderdeel kon worden van een groter geheel.

Vooral het CDA drong er vanaf januari 1990 bij minister Hirsch Ballin van Justitie op aan «paal en perk te stellen» aan de houseparty’s die «de spuigaten uit» begonnen te lopen. De grote feesten waren voor veel gemeenten dé plaag van de jaren negentig. Ook in steden waar nog nooit grote party’s waren gegeven, bestonden scenario’s en beleidsnotities die veel weg hadden van rampenplannen: wat te doen in het geval van aanvraag. De burgemeester van Diemen raakte na een illegaal georganiseerd feest in een verlaten opslagloods zo paranoïde dat hij opdracht liet geven de vloeren uit het hele gebouw te slopen zodat herhaling kon worden voorkomen.

Behalve met de autoriteiten kreeg de rave-cultuur het eveneens aan de stok met oudere generaties, die haar verweten enkel uit te zijn op eigen genot. «De Nieuwe Decadentie is massaal en flegmatiek», schreven Stephan Sanders en René Zwaap in De Groene Amsterdammer, «zelfbewust zonder maar een moment polemisch te zijn. Het probleemloze, kameleontische bestaan is het richtsnoer van de massa’s geworden.»

Zelf heeft de partywereld het escapisme nooit als iets negatiefs ervaren. Dat kon ook moeilijk want het was juist het doel van alle inspanningen: een tijdelijke exaltatie door te ontsnappen aan dat rationele stemmetje, aan de zwaartekracht van het eigen leven, een ontstijging aan de orde van alledag. De nadruk lag op vermaak en niet op verzet. In plaats van te revolteren wilde men zich onderwerpen aan de trance. Wat de ravers voor zichzelf opeisten was een recht op overgave aan de roes. De vrijheid van genotsbeleving. Ook al had het dan niks met politiek te maken, de jongeren dansten er wel gepassioneerd en met tienduizenden tegelijk voor rond het vuur.

De vraag blijft: wat bezielde mensen om zich zo volledig over te geven aan hun synthetische cultus van de roes? Vanwaar die immense behoefte om de redeloze dimensie in zichzelf aan te boren? Waar kwam die tomeloze honger naar het exces vandaan, die hang naar de primitieve impuls die zo velen op het Europese vasteland voelden?

De Nederlandse antropoloog Mattijs van de Port sprak in Het einde van de wereld (Babylon/ De Geus 1995), zijn monumentale studie naar «Beschaving, redeloosheid en zigeunercafés in Servië», over de wildernis die de keerzijde vormt van iedere beschaving. De extatische gebeurtenissen in de Servische kaffana’s met zigeunerorkest moeten volgens Van de Port worden opgevat als vrijplaatsen — enclaves van theatrale wildheid — waar mensen zich voor de duur van enkele uren of een nacht even helemaal overgeven aan de roes, aan het lumpavanje-ritueel van dronkenschap en zigeunermuziek, obscene gezangen, verspilling en een algehele verwerping van het burgermansfatsoen. In het zigeunerkaffana is geen beheersing maar vervoering; geen matiging maar exces; geen spaarzaamheid maar verspilling; geen helderheid maar roes; geen rede maar gevoel; geen gehoorzaamheid aan regels, verboden en taboes maar een opzettelijke schending daarvan; geen eeuwig uitgestelde behoeftebevrediging in naam van een eeuwig opschuivende toekomst, maar een directe viering van het moment, van het hier en van het nu. Bij de grote feesten van de jaren negentig kozen de trancedansers vaak voor dezelfde «tegenovergestelden van de alledaagse strevingen», voor het primitieve en tribale in plaats van de rede en de matiging. De bezoekers van de grote feesten gaven zich over aan de housebeat van de deejay, zoals de bezoekers van het zigeunerkaffana zich overgaven aan de opzwepende tonen van het orkest. Het gaat om wat William Blake bedoelde met: «The path of excess leads to the palace of wisdom.»

Het tijdperk van de grote feesten eindigde niet met zo’n luide, overweldigende bang als waar het mee begon. Zij die overbleven wilden steeds meer prikkelingen kunnen ervaren terwijl ze er steeds minder voelden. Erwin Odendaal, een van de directeuren van de RoXY, zei in 1998: «We kunnen zo ongeveer op ons hoofd gaan staan, maar niets slaat aan. (…) Dat gevoel van extase is er niet meer. We zitten in een soort muzikaal interbellum, het wachten is op een nieuwe, grote muziekstroming die zal doorbreken.»

Het tijdperk van de grote feesten verging in fasen, zoals een lichaam in de grond vergaat. Er vond een ontbinding plaats in elementen, waarvan sommige nog onverstoord voort feesten. Binnen de zich alsmaar verder vertakkende partywereld deed men er alles aan om die magische sfeer van verbroedering uit de begintijd «vast te houden». De pogingen werden steeds krampachtiger, met decors van vroegere feesten die exact moesten worden nagebouwd, dezelfde kleren die uit de kast werden getrokken, de deejays van weleer die opnieuw hun gouden platen moesten spelen. Ibiza-feestjes, Boccaccio-feestjes, retroacid-feestjes, warehouse-feestjes, alles in een aandoenlijke poging om zich «te herbronnen» met energie uit die mythische primordiale periode, toen feesten nog met minimale middelen en zonder milieu- of horecavergunningen konden worden georganiseerd, toen het publiek nog geen kapsones en de deejays nog geen sterallures hadden, toen de XTC nog puur was en de muziek nog overdonderend nieuw (straight from the source), toen er op de dansvloer nog een echt saamhorigheidsgevoel bestond, al was het maar omdat de partyscene nog niet uiteen was gevallen in allerlei substromingen en iedereen dus behoorde tot dezelfde tribe, dezelfde nachtkerk of housenation, dezelfde hedonistische gemeenschap van tijdelijk genot en exaltatie. De «gouden tijd» dus, toen de vele codes en gewoonten die er later zijn ingeslopen, nog moesten worden uitgevonden. Toen er nog niets vastlag en alles nog door alle participanten kon worden bepaald. De periode waarin iedereen deelde in het opwindende gevoel te worden opgetild door een immense aanzwellende golf die met donderend geraas richting de toekomst rolde.