Het tijdperk van het team

De term ‘ik-tijdperk’ was ooit bedoeld voor de jaren zeventig maar overleefde dat decennium met gemak. Volgens velen zijn de jaren negentig meer ik-tijdperk dan de ‘seventies’ zelf. We zijn echter een nieuwe richting ingeslagen en in het team-tijdperk aangeland: het tijdperk van de netwerkeconomie, de snelle samenwerkingsverbanden en de anonieme successen.

VROEG OP EEN zonnige zaterdagochtend in Amsterdam houdt een man de pedalen stil als hij in de verte het stoplicht op rood ziet springen. Vlak voor het zebrapad trapt hij zacht op de rem. Nog geen seconde staat hij stil wanneer een andere fietser van achteren op hem inrijdt. Zo, pardoes, voorband op spatbord. Kleine schok, geen schade, niets aan de hand. Verbaasd, hoofdschuddend kijkt hij naar de jonge vrouw die het ongeluk met haar Batavus veroorzaakte. ‘Sorry’, zegt ze, 'ik dacht je door zou rijden.’ Het door-rood-fietsen is volgens velen een volledig ontspoorde nazaat van het ik-tijdperk. Typisch asociaal gedrag, geheel gericht op eigenbelang. Het individu behaalt met zo'n actie een klein voordeel, maar benadeelt tezelfdertijd de gemeenschap. Zie ook: in de file over de vluchtstrook rijden, voordringen bij de supermarkt. Deze cultuur heeft nu al bijna vijfentwintig jaar een naam: het ik-tijdperk. In het New York Magazine van 23 augustus 1976 publiceerde schrijver Tom Wolfe 'The Me Decade and the Third Great Awaking’ - een artikel waarin hij beschrijft hoezeer traditionele, gedeelde belangen in de toenmalige maatschappij aan de kant werden geschoven voor persoonlijke ontwikkeling en groei. Daarvoor tovert Wolfe de totale tombola van de jaren zeventig te voorschijn: van gepensioneerden die in trailers het land door trekken tot de uitwassen van de seksuele revolutie. Wolfe zag er een derde religieuze golf in, na twee eerdere 'ontwaak’-periodes in het midden van de achttiende (rond 1740, met de predikers van het Nieuwe Licht, zoals Jonathan Edwards en Gilbert Tennent) en de negentiende eeuw (van 1825-1850, toen de Quakers, Mormonen en de Oneida het licht zagen). Met één groot verschil: de nieuwe religies beginnen allemaal met: 'Laten we het over Mij hebben.’ Hij noemde het daarom: The Me Decade - het ik-tijdperk. Waarom dit verschijnsel toen aan de oppervlakte kwam is volgens Wolfe niet moeilijk te bedenken: de economische voorspoed in het naoorlogse Amerika had er de ruimte voor geschapen. 'Toen deze kleine klootzakken vanaf de jaren veertig geld kregen deden ze iets volkomen verbazingwekkends - ze namen hun geld en gingen ervandoor. Ze deden iets wat alleen aristocraten (en intellectuelen en kunstenaars) mochten - ze ontdekten hun “Ik” en knuffelden het bijkans dood. Ze hebben het grootste individualistische tijdperk in de Amerikaanse geschiedenis gecreëerd!’ Wolfe was niet de enige die probeerde de maatschappelijke en culturele ontwikkelingen van de naoorlogse jaren te benoemen. De psycholoog Christopher Lasch deed het drie jaar later nog eens dunnetjes over met zijn boek The Culture of Narcissism. Ook hij kwam tot de conclusie dat de maatschappelijke voorhoede niet langer een strijdbare protestgeneratie was, maar een navelstaarderige, zelfingenomen elite. 'De nieuwe narcist schuwt samenwerking terwijl hij antisociale impulsen koestert. Hij zegt respect te hebben voor regels, maar hij gelooft diep van binnen dat ze niet op hem van toepassing zijn. Hij zoekt onmiddellijke bevrediging, en leeft in een staat van permanente rusteloosheid en onbevredigd verlangen.’ Het merkwaardige van het ik-tijdperk is dat het begrip de jaren zeventig overleefde en nog steeds volop gebruikt wordt om het hic et nunc te beschrijven. John Jansen van Galen, die het begrip 'ik-tijdperk’ in Nederland introduceerde, schreef nog maar drie jaar geleden in dit tijdschrift dat sinds de jaren zeventig de normen en waarden alleen maar verder zijn afgegleden. 'Er is een geneutraliseerd en functioneel stelsel van normen en waarden ontstaan, waarin niet goed en kwaad de voornaamste categorieën zijn, maar “nuttig en nutteloos, bruikbaar en onbruikbaar, geschikt en ongeschikt, verstandig en onverstandig”. En waarin als hoogste gebod de “moraal van de pakkans” geldt, de wet van het schoolplein: pak me dan als je kan.’ (De Groene, 18 december 1996). (JE ZOU KUNNEN ZEGGEN dat wat in de jaren zeventig voor de elite was weggelegd, pas de laatste jaren voor jan en alleman werkelijkheid werd. De getuigen daarvoor dringen zich elke week aan ons op: van de zaterdagse 1-in-3-mini-advertenties met hun uitstalkast van therapieën en vind-jezelf-cursussen, tot tv-programma’s als Buch, burgers en buitenlui. En niet te vergeten de populariteit van schaamteloos autobiografische boeken als I.M., Het Bureau en Wilde zwanen. Nog steeds geldt Wolfes lijfspreuk: 'Laten we het over Mij hebben.’ Niet alleen John Jansen van Galen vindt dat het Me Decade nog steeds een goede term is om het hedendaagse gedrag van veel burgers te beschrijven. Zo opperde het ministerie van Grote Stedenbeleid onlangs in een commissievergadering dat het nu toch eens afgelopen moest zijn met dat vermaledijde ik-tijdperk. 'Mensen moeten gewoon weer samenwerken’, vermeldde het verslag. En Emile Roemer van het Jongerenteam van de Socialistische Partij in de SP Tribune van november 1996: 'Steeds meer jongeren vinden dat het ik-tijdperk afgelopen moet zijn. Een groeiende groep wil weer op de bres voor idealen. Wij bieden ze daarvoor de mogelijkheid. Bijvoorbeeld in het werk van de afdelingen en de Hulpdienst.’ Toen Franse jongeren eind 1997 rellen schopten in Roubaix, Orléans, Rouen, Marseille, Nancy, Mulhouse en Périgueux wist de Franse socioloog Sébastian Roché ook wie de eigenlijke aanstichter van de opstanden was: het ik-tijdperk. 'De Franse samenleving kenmerkt zich de laatste jaren steeds meer door een groeiend individualisme in plaats van solidariteit’, aldus Roché in zijn boek De onbeschaafde samenleving. Veel leed wordt aldus op het bordje van het 'ik-tijdperk’ geschoven: van de stijging van de Franse jeugdcriminaliteit tot de daling van de spijkerbroekenomzet. 'Wij wijten het aan het toegenomen individualisme van de consument’, zei B. Kruit van Levi Strauss Nederland toen eind vorig jaar bleek dat de spijkerbroek in Europa uit de gratie is. 'Iedereen kleedt zich steeds gevarieerder, terwijl jeans de uniforme dracht was.’ (GAAT HET IK-TIJDPERK nooit voorbij? Zeker wel. En sneller dan de meesten denken. Want ondanks alle eerdergenoemde uitspraken en signalen is er al enige tijd een verschuiving waar te nemen die wijst op een tegenbeweging tegen het ik-tijdperk. En net als in de jaren zeventig is die afkomstig van de culturele elite. Bijvoorbeeld de hedendaagse muziek. Waar in de jaren tachtig megasterren als Madonna, Michael Jackson en Prince hun fifteen minutes of fame tot ver buiten het decennium wisten te rekken, zijn de richtingbepalende muzikanten van dit moment vaak anoniem en onzichtbaar. Neem een van de invloedrijkste bands van de afgelopen jaren, het Engelse Massive Attack. Wie zijn de artiesten die achter deze naam schuilen? Dat weet vrijwel niemand. En vandaar dat Andrew Vowles, Robert del Naja en Grant Marshall - het centrale trio van de triphopgroep - nog steeds ongestoord een pilsje kunnen drinken in een Bristolse of Londense pub. Net als hun collega’s van Faithless of het Franse Daft Punk. In de technocultuur waar al deze bands deel van uitmaken is niet alleen de anonimiteit van de muziekmakers opvallend, maar ook het gemak waarmee nummers door anderen worden hergebruikt, of live door een deejay in een club gemixt. Wat ooit de allerindividueelste expressie van een kunstenaar was, is een speelbal voor jan-met-de-computer geworden. Van de uiteindelijke muziek die in de oren van het publiek weerklinkt is nauwelijks meer vast te stellen wie welk aandeel heeft gehad. Is dat een sample van een pastiche op Miles of is ’t het trompetje van de buurman? Het uiteindelijke muziekwerk, zo zouden we kunnen stellen, verwijst niet meer naar een individu dat zichzelf daardoor kan oplichten en uitvergroten, maar naar de muziek zelf. Of nog beter: naar de werking van die muziek op het samengekomen publiek. Het 'ik’ is verdwenen in de muziek. De individualisering is in deze invloedrijke sector een halt toegeroepen. Zelfs aan de bij de techno behorende drugscultuur kun je zien wat er is veranderd. Ecstasy, dé drug van de jaren negentig, is niet zozeer gericht op verminking, verstoring, versterking of uitvergroting van de eigen persoonlijkheid - zoals lsd, heroïne en cocaïne dat wel waren - als wel op het versterken van menselijke connecties. Zoals Will Self in zijn roman Great Apes schrijft: 'Ecstasy leek voor Simon aanvankelijk de verkeerde omschrijving voor deze drug. Maar hij begon het langzaam te begrijpen. Leerde dat het alleen effect had op de interface van de menselijke geest, op de relatie tussen mensen. Het was een plaatsvervangende drug, waarmee de emoties van een ander gebruikt konden worden als een hulpstuk, een route naar verlating.’ Eenzelfde ommezwaai is te zien in de technologie. Veruit de belangrijkste innovatie van dit decennium was Internet: een cultuur die gericht is op contact - in tegenstelling tot zijn jaren-tachtig-tegenhanger: de personal computer. Het boeiende aan Internet is volgens Wired-hoofdredacteur Kevin Kelly dat de waarde ervan - net als de gsm en de fax - zich vermeerdert naarmate meer mensen er gebruik van maken. Zoals Kelly uitlegt, kostte de eerste faxmachine weliswaar veel, maar was zij feitelijk niets waard. Tot de tweede op de markt kwam en contact kon worden gemaakt. En toen de derde en de vierde verschenen, werden de eerste twee alleen maar bruikbaarder en waardevoller. Volgens Kelly bepaalt niet langer het economische begrip 'schaarste’ de waarde van een product, maar juist het omgekeerde. 'De logica van het netwerk draait de industriële lessen om. In een network economy wordt de waarde bepaald door overvloed, net als de waarde van een faxmachine toeneemt in haar alomtegenwoordigheid.’ Connectie in plaats van conventie: wat in de jaren zeventig volgens Wolfe en Lasch verdween, geeft nu richting aan technologie en economie. Met dit alles is echter nog niets gezegd over dat andere belangrijke kenmerk van het ik-tijdperk: de neiging om het eigenbelang te laten prevaleren boven gezamenlijk belang. Ook op dit punt is echter een kentering te zien. Bijvoorbeeld bij zo'n andere invloedrijke cultuurbepaler: het professionele voetbal. In deze sector is weer die omslag te zien van individueel heldenschap van de jaren zeventig en tachtig naar soms nauwelijks opvallende teamspelers in de jaren negentig. Waar Maradona en Marco van Basten in de jaren tachtig nog in hun eentje wedstrijden en kampioenschappen konden beslissen, komen grote individualisten als Ronaldo of David Ginola nog steeds niet verder dan derderangsprijzen als de Uefa Cup. Een succeselftal als het Ajax van 1993-96 had daarentegen - wijselijk - geen enkele held. Een ieder offerde het tijdelijke eigenbelang (de geniale actie, de solo over zestig meter) op voor het groepsbelang: de wedstrijdwinst. En Ajax is niet de enige ploeg die volgens deze formule grote successen boekte. Ook het vorig jaar wereldkampioen geworden Frankrijk was een ploeg zonder individuen, zonder helden. Het team is de held. En de enige held is vaak een antiheld of een held-tegen-wil-en-dank, zoals Zinedine Zidane of Frank Rijkaard. (AAN DEZE, EN ANDERE, ontwikkelingen is te zien dat de jaren negentig mogelijk een antwoord willen geven op de vraag hoe je de uitwassen van het individualisme kunt tegengaan, zonder terug te hoeven naar de klassieke gezagsverhoudingen van de jaren vijftig. Hoe kun je deel uitmaken van een gemeenschap, terwijl je niet wilt opgaan in de massa? Antwoord: het team. Wil je op een internationaal kantoor werken, je onderscheiden maar niet in alle eenzaamheid je dagen slijten? Join The Team. Vind je het als land noodzakelijk om een oorlog te beginnen, maar heb je geen zin om alles alleen op te knappen? Richt een International Task Force op. En ontbind ’m als de taak gedaan is. Dat laatste is kenmerkend voor teams. Het zijn geen ondernemingen, partijen of verenigingen met klassieke hiërarchische gezagsverhoudingen (zoals de VN-clubs, met hun jaren-vijftigsignatuur) maar losse, tijdelijke samenwerkingsverbanden die even snel kunnen worden opgezet als ontbonden. En vandaar ook het succes van bijvoorbeeld de gezamenlijke omroepactie voor Kosovo - in Nederland zowel als in België. Wat in breder verband nooit zou lukken vanwege al die tegengestelde belangen kan in zo'n tijdelijk teamverband makkelijk een klapper worden. Omdat teams een duidelijk afgemeten taak hebben en verder nergens rekening mee hoeven houden. En vandaar ook dat er in de jaren negentig zo veel merkwaardige conglomeraties van vaak tegengestelde belanghebbenden ontstonden, van Paars(I tot het Power PC-consortium dat ontstond uit de voormalige concurrenten IBM, Apple en Motorola. De laatsten ontwikkelden gezamenlijk de Power PC-besturingschip en zetten daarmee Intel en Microsoft een hak. Teams zijn hoogstwaarschijnlijk dé organisatievorm die zich het best thuisvoelen in de netwerkmaatschappij van Manuel Castells. Niet: individuen. Niet: bedrijven of organisaties. Individuele leden hoeven maar aan één kernvoorwaarde te voldoen: zodra ze het team binnentreden moeten ze hun individuele gedragslijnen opschorten en zich aan de teamnorm houden. Het is alsof ze aan de poort hun paspoort hebben moeten afgeven. Het team stelt de norm, het idioom, de ideologie. Nadien gaat iedereen weer zijns weegs en lost de tijdelijke teamideologie op, als een rijtje fietsers voor een stoplicht. Zoals Tom Wolfe vijfentwintig jaar geleden al opmerkte: maatschappelijke ontwikkelingen lijken zich telkens in cycli van dertig jaar te voltrekken. Van een afstand oogt het geheel als een klassiek toneelstuk: in de eerste jaren vindt de crisis plaats, die zich verder ontwikkelt, openbaart, waarna er een heus conflict uitbreekt, dat aan het eind wordt opgelost. Zo gezien vormt elk decennium een sluitend antwoord op een crisis van dertig jaar eerder. De Tweede Wereldoorlog was een waterdicht antwoord op de Eerste, de depressie van de jaren dertig werd pas definitief opgelost met het Wirtschaftswunder van de jaren zestig, net zoals het machtsvacuüm van vlak na de oorlog uiteindelijk pas door de democratiseringsgolven van de jaren zeventig werd kaltgestellt. Zo doorgeredeneerd moeten de jaren negentig het antwoord vormen voor problemen die in de jaren zestig ontstonden: de afbraak van de gevestigde instituten, verlies van identiteit en de opkomst van de psychotherapieën door de economische vrijheid die toen ontstond. Daaraan is direct ook te zien wat het probleem van de beschreven cycli is: telkens wanneer er een dertigjarig probleem is opgelost, dient een ander zich aan. Net als nu. Want teams mogen dan tegenwoordig een oplossing zijn, ze zullen in de toekomst een levensgroot probleem gaan vormen. (TEAMS KUNNEN BIJVOORBEELD niet alleen chips ontwikkelen, voetbalwedstrijden winnen of fabuleuze muziek maken, maar ook mensen doden. In de jaren die achter ons liggen is er een schrikwekkende hoeveelheid mensen gedood door teams: van Meindert Tjoelker tot Carlo Picornie. De rechterlijke macht lijkt er danig mee in haar maag te zitten. Want: hoe veroordeel je zo'n team? In juridische zin was tot nu toe alleen een individu in staat om te doden. Maar wat moet je als een amorfe, vrijwel anonieme groep Feyenoord-supporters op een lichaam inhakt? Hier een steek, daar een stoot. Doet het er eigenlijk toe wie de fatale schop of steek heeft gegeven? Voor de rechtspraak wel, voor het slachtoffer, de maatschappij, de nabestaanden en de daders niet. De juridische macht worstelt zo met deze zaken omdat zij nog steeds uitgaat van de klassieke scheiding tussen samenleving en individu. Meer is er niet: het allerkleinste deel of het geheel. Kijk alleen maar naar de potsierlijke juridische tuimelarijen toen het begrip 'criminele organisatie’ moest worden toegepast, onder andere op de 'autonomen’ die protesteerden tegen de Eurotop en op de Feyenoord-supporters die in Beverwijk bijeenkwamen. Teams, zo blijkt, kunnen tot nu toe nergens op worden afgerekend. We kunnen het de individuele leden van zo'n team niet aanrekenen wat het totale team aanricht. En tegelijkertijd is het team zelf geen aanspreekpunt - omdat het amorf is, tijdelijk en zonder duidelijke machtsstructuur. En daarom is de strijd tussen het individu en teams zo ongelijk, evenals de strijd tussen samenleving en teams: we kunnen niet voor of tegen de Bijlmer-enquêtecommissie stemmen, kritiek richten op het Power PC-consortium, of de Task Force die Servië bestookt ter verantwoording roepen. Niet omdat ze individualistisch, egocentrisch en narcistisch zijn, zoals de nazaten van het ik-tijdperk, maar omdat we niet weten hoe we ze moeten aanspreken. Dat is waarschijnlijk nog het grootste probleem waarvoor we komen te staan: hoe moeten we een team aanspreken en het z'n juiste plaats geven in het rechtssysteem, het fiscale stelsel en het politieke spectrum? Bij wie ligt de verantwoordelijkheid? Ik zou zeggen: bij ons. Bij het team zelf. De enige die je kunt aanspreken op de verrichtingen van het team is het team zelf. Daarvoor is een heel ander soort jurisprudentie, fiscaliteit en politiek nodig: sneller, dynamischer, internationaler. En vooral: meer toegang. In de network society heb je niets aan verkiezingen die maar eens in de vier jaar plaatsvinden, aan nationale belastingen, of aan rechters die het Internet niet beheersen. Journaliste Deb Riechmann van The Washington Post verwonderde zich er vorig jaar juni over dat er nog steeds geen toepasselijke naam was gevonden voor de jaren negentig. En dat is op z'n zachtst gezegd merkwaardig, want vrijwel elk decennium kreeg tot nu toe ver voor het einde ervan een klinkende omschrijving: van de roaring twenties tot de greed decade van de jaren tachtig. Een aantal columnisten, essayististen en journalisten probeerde het, maar tot nu is geen enkele term blijven hangen. Schrijver Studs Terkel suggereerde 'het Alzheimer-decennium’, omdat niemand meer op enig historisch bewustzijn kon worden betrapt. Trendwatcher Faith Popcorn kwam niet verder dan 'de jaren tachtig - maar dan met het geweten van de jaren vijftig’. Hoe moeten de jaren negentig genoemd worden? Het netwerk-tijdperk, het team-tijdperk? Ik stel voor: het ons-tijdperk. Niet alleen ter onderscheiding van het ik-tijdperk en het wij-tijdperk van de jaren vijftig, maar ook om duidelijk te maken waar de verantwoordelijkheid voor een team ligt: niet bij mij, niet bij hen, maar bij ons. Laten we snel zijn. Het is gevaarlijk daarbuiten.