Renate Rubinstein in 1946 © privéarchief

Ze moet onweerstaanbaar zijn geweest. En onuitstaanbaar. Heel gewaagd begint de tweedelige documentaire die David de Jongh aan haar wijdde, Tamar: De waarheden van Renate Rubinstein, met uitspraken van tijdgenoten die haar vreselijk vonden. De meeste indruk maakt haar schoonzus, de vrouw van broer Jan, en de moeder van neef Maurits. Als haar wordt gevraagd of ze ook iets leuks kan vertellen over Renate, een goeie eigenschap van haar kan noemen bijvoorbeeld, blijft het lang stil. ‘Nee’, klinkt het dan weloverwogen.

Het is duidelijk. Er valt wat haar betreft niks positiefs te melden over de vrouw die Maurits heeft ingepalmd, en in feite heeft doen verwijderen van zijn ouders.

Niet dat precies dát dan met zoveel woorden wordt gezegd. Het is het voordeel van de documentairemaker dat hij véél naast elkaar kan laten bestaan – zie ook de titel van zijn werk – zonder dat hij de kijker in het duister laat tasten of iets onwelgevalligs onbenoemd laat. De kunst van deze documentaire is in ieder geval dat hij getuigenissen paart aan beeldmateriaal dat enigszins voor zichzelf kan spreken. De close-ups van meer en minder aaibare katten die door de film heen zijn gesneden, vooral van het Siamese slag dat Rubinstein graag om zich heen had, geven de film ook nog eens een extra dimensie van schoonheid en ongrijpbaarheid. En gevaar.

32 jaar na haar overlijden wordt nog steeds om haar heen gedanst, lijkt het wel. Twee jaar geleden verschenen twee dikke boeken waarin haar werk opnieuw gebundeld werd, kortere stukken in het Privé-domein-deel Bange mensen stellen geen vragen, en boeken en verhalen over de liefde in de omnibus Een man voor de zomer. En nu zijn er, nog naast de documentaire van De Jongh, gelijktijdig twee publicaties over haar leven verschenen.

De ene is afkomstig van Charlotte Goulmy, docente Frans. Tot ieders verrassing begon zij een paar jaar geleden met gezette regelmaat biografische stukken over Rubinstein te publiceren in literair tijdschrift Hollands Maandblad. Maar de biografie van Rubinstein wordt toch geschreven door Hans Goedkoop, dacht iedereen, of laat ik het zo zeggen: ík dacht dat.

Precies dát was de aanleiding voor haar stukken, zo schreef ze, al moet ik bekennen dat ik haar eerste stuk, Geen feest voor Renate, dat dateert van zes jaar geleden en waarin ze haar ergernis over het uitblijven van een biografie ventileert, niet meer kan vinden. Het is ook niet online te vinden, en nadrukkelijk níet opgenomen in haar bundeling van stukken, wat doet vermoeden dat Goulmy en Goedkoop on speaking terms zijn geraakt. De Nederlandse literaire wereld is te klein, denk ik, voor een diepgaande biografentwist, al weet je het ook maar nooit.

In het woord vooraf bij Renate Rubinstein herontdekt rept Goulmy nog wel van haar ergernis dat er zoveel jaren na haar dood nog steeds geen biografie is ‘die haar rechtdoet’. Om te vervolgen dat deze bundel niet opnieuw een klacht is over die omissie, verwijzend naar dat eerste stuk dat niet is opgenomen dus. Ze introduceert haar biografische exercitie als ‘een soort van opfriscursus die beoogt lezers hetzij kennis te laten maken, hetzij hernieuwd kennis te laten maken met Renate Rubinstein’.

Fris, dat is het eerste wat ik van haar stukken vond toen ik ze nog in tijdschriftvorm in afzonderlijke afleveringen las. Het zijn helder geschreven schetsen waarin in tamelijk vliegende vaart de contouren van een turbulent leven worden geschetst. Met eerder be- dan verwondering als motor, en met soms onverwacht koen commentaar. ‘Niemand troost Renate. Haar moeder had weinig soelaas te bieden, ze vroeg niet door, keek de andere kant op. Ik snap dat wel. Zij wist als geen ander dat Renate zich niet zou laten troosten door degene die ze verantwoordelijk hield voor haar verdriet.’

Goulmy raakte in de ban van de columns van Tamar, schrijft ze in haar voorwoord, toen ze als zestienjarige in Deventer elke week naar de bibliotheek fietste om daar Vrij Nederland te lezen. ‘Die zeldzame combinatie van toon en karakter maakt dat ik haar nog dagelijks mis, haar stem, haar boerenwijsheid, haar geslepen humor.’

Van dat ‘nog steeds missen’ wordt vaak gewag gemaakt. Hoe meer columnisten dag- en weekbladen opfleuren met hun stukjes, hoe meer er terugverlangd lijkt te worden naar haar die wordt beschouwd als de godmother van het genre, soms tot vervelens aan toe. O, wisten we maar wat ‘Renate’ ervan zou hebben gevonden. En ‘Karel’! (al wordt zijn achternaam er nog meestal wel bij geserveerd). Karel van ’t Reve, met terugwerkende kracht de Midas Dekkers van de letteren, altijd goed voor de ontnuchterend geleerde bon mot die we nu kennelijk zo node ontberen.

Wat ons treft als jeugdige lezers willen we graag trouw blijven, en het is natuurlijk mooi, sprak zij (ik dus) heilig, dat er ook van meer en minder opiniërende columnisten en essayisten een stevige canon is ontstaan. En dat ze nog steeds geëerd en gelezen worden. Hoezo vandaag in de krant, morgen in de kattenbak?

Renate’s vader komt na de oorlog niet meer terug, ‘geheel tegen alle beloften en conventies in’

Ze moest eens weten, denk ik weleens. Dat iedereen haar inmiddels familiair bij de voornaam aanduidt en dat het dan duidelijk is over wie het gaat. Al geloof ik niet dat ze leed aan een fundamentele onzekerheid. Of is dat het juist wel, als je wil dat de hele wereld je leest, om te beginnen je familieleden? ‘Heb je mijn stukje gelezen?’ vroeg ze haar broer, haar zus, haar nichtjes. Juist de mensen die niet onmiddellijk voor haar in de houding stonden, kregen die vraag telkens weer op zich afgevuurd, zoals erg geestig in de documentaire naar voren komt.

Goulmy en Goedkoop zitten elkaar, in ieder geval in geschrifte, niet in de weg bij hun biografische werk. Daarvoor is hun aanpak te verschillend, al suggereert Goulmy dat ze het liefst zou promoveren op een omvangrijke biografie, zij het dan weer opgesteld uit louter ‘Renate’s’ woorden. Wel kan ik me voorstellen, zoals ook alweer te zien is in de documentaire, dat Goedkoop een steeds maar hetere adem in zijn nek voelt. En dat hij zich misschien min of meer genoodzaakt zag aan de buitenwereld te laten weten dat hij er echt, echt, écht, aankomt, die biografie van ‘Renate’.

Of het zo is gegaan, ik weet het niet, feit is dat er weer een stukje biografie de wereld in is, net zoals hij een paar jaar geleden een klein boekje publiceerde over de viering van Rubinsteins vijftigste verjaardag, Iedereen was er. Nu ligt er Vaderskind: De oorlog van Renate Rubinstein. Het is een zwaar gedocumenteerd, invoelend geschreven document, waarvan ik amper durf te schrijven dat het spijtig is dat dit het dan weer even moet zijn. Ook vraag ik me af wat het met een biograaf doet om op deze manier al bij voorbaat iets onder zijn handen weg te laten trekken, want zo voelt het toch.

Alle zaken waar Goulmy in haar eerste stuk, Korte gouden, lange zwarte kinderjaren, doorheen flitst, in dertien bladzijden, krijgen bij Goedkoop een ijzeren beslag. In vier hoofdstukken wordt het tijdvak 1919-1945 onder de loep genomen, ruim 150 pagina’s waarvan bijna twintig pagina’s voetnoten. Alleen al uit het simpele feit van de geboorte van Renate Ida Rubinstein, op 16 november 1929 in Berlijn, peurt Goedkoop een heerlijk verhaal, iets met een astroloog en een kleine misrekening. Hij neemt de lezer mee in zijn voortdurend wikkende, wegende gedachtegang. Wat te vertellen, wat niet, over iemands kindertijd? Wat is bepalend, en wat stomvervelend? ‘Die strevende held, die komt pas later – en de kindertijd, hoe je als biograaf ook je best doet, laten we daar eerlijk over zijn, vaak is het iets waar je doorheen moet voordat er eens iets op gang komt.’

Nu komt er in Renate’s leven, in het licht van de latere gebeurtenissen, al best snel iets op gang. Dreigende terreur, toenemend antisemitisme, gedwongen verhuizingen en emigratie. Goedkoop is officieel historicus, maar heeft al in zijn vorige leven als literatuurcriticus voor de NRC laten zien over een verstehende geest te beschikken die op psychoanalytische leest geschoeid lijkt. Hij creëert met medeneming van de lezer een kwestie waarvoor hij een oplossing zal moeten zoeken, wil hij iets waarlijks over leven en werk van Renate Rubinstein kunnen schrijven.

Het begint ermee dat Rubinstein zelf geen geheugen lijkt te hebben voor haar kinderjaren. Er zijn een paar anekdotes die terugkeren in haar columns, steeds meer vastgeklonken in een bepaalde mal. In interviews zegt ze elke keer weer weinig herinneringen te hebben aan haar jeugd. ‘Al schreef ze week aan week over zichzelf’, verzucht Goedkoop, ‘haar kinderjaren moet je als een goudzoeker uit haar woorden zeven.’ In een voetnoot zegt hij dan ook nog eens dat de door hem geïnterviewde vrienden zich eensgezind herinneren dat haar verleden niet Renate’s onderwerp was. ‘Wat haar bezighield was het heden, in de wereld en in haar eigen leven.’

Als ik Goulmy was, zou ik nu schrijven: ik snap dat wel.

Goedkoop laat het er echter niet bij zitten, en stuit, tot zijn eigen verrassing, op een column die hem een sleutel aanreikt. Wat je in je eerste jaren vormt, schrijft ze in Iedereen heeft motieven, opgenomen in Ieder woelt hier om verandering, zijn niet alleen je eigen lotgevallen maar ook die van je omgeving. ‘Je ouders, hun angsten en verhalen, zijn er de exponenten van, je prakt er je eerste aardappels mee en later lees je er je eerste schrijvers over.’ Het gaat dus niet alleen om je eigen eerste jaren, stelt ze: ‘ik geloof dat iemands vormende ervaring plaatsvindt in de tien jaar voor en de eerste jaren na zijn geboorte’.

Goedkoop vindt in dit inzicht van haar een legitimatie om opnieuw als een goudzoeker te werk te gaan. Hij ziet een raamwerk voor zich waarbinnen hij zijn onderzoek naar haar kan doen, begrensd in tijd – tien jaar voor haar geboorte – en met een sociologische inslag, waarbij context en klasse cruciaal zijn. Et voilà, het doek gaat op, 1919, ‘het jaar waarin Berlijn het hart wordt van een revolutie’, een giftige atmosfeer bijna vast te pakken is, waar politiek op straat wordt uitgevochten, waar jodenhaat welig tiert, maar waar ook een liefde opbloeit tussen de mensen die onderweg zijn om Renate’s ouders te worden.

Aan de hand van fotootjes – zoveel! en zo interessant en lief! – en documenten vertelt Goedkoop een menselijk verhaal tegen een achtergrond die almaar grimmiger wordt, onzekerder. Zijn vertelstem is die van je favoriete geschiedenisleraar, duidelijk didactisch bedreven geraakt door zijn ándere vorige leven, presentator van het populaire televisieprogramma Andere tijden. Goedkoops kwaliteit is oog voor detail, een specifieke vorm van inlevingsvermogen, gepaard gaand met nét dat beetje fantasie. Zo schrijft hij over Willy Rubinsteins kledingzaak dan wel modeatelier: ‘Willy heeft een niche ontdekt in regenmantels met een rubber coating, in de mode van die tijd een nieuw materiaal, geweldig praktisch, waterdicht, en wie weet passend in een tijd die de luchthartigheden van de jaren twintig achter zich moet laten.’ Soms is het bijna banaal hoezeer hij verloren leven weer levendig probeert te maken – ‘Het is om je de haren uit het hoofd te trekken, maar het was zoals het was en hij moest nu een plan verzinnen’ – maar ach. De teerling is geworpen.

Haar vader komt na de oorlog niet meer terug, ‘geheel tegen alle beloften en conventies in’, ze is vijftien, tergt haar leraren op het Vossius. Alles moet nog gaan gebeuren, alles gáát nog gebeuren.

Lees ook: