Het toeval betrapt

Paul Auster, The Red Notebook. Uitgeverij Faber & Faber, 159 blz., f44,05. Paul Auster, Smoke and Blue in the Face. Uitgeverij Faber & Faber, 291 blz., f29,95
Soms wordt de werkelijkheid zo ongeloofwaardig dat ons dagelijks leven zich als fictie voordoet. Iemand aan wie je net dacht, belt op; een boek waarnaar je dagenlang op zoek was, wordt gelezen door een toevallige voorbijganger; een romanidee ontstaat doordat iemand per abuis jouw telefoonnummer draait. In The Red Notebook heeft Paul Auster dertien van dergelijke voorvallen uit zijn leven opgetekend.

Auster lijkt gefixeerd te zijn op toeval of lotsbestemming, die de motor van zijn romans vormen. Voor hem maakt het toeval onderdeel uit van een ondoorgrondelijke realiteit. Het besef te leven in een wereld die je niet kunt begrijpen, leert je nederig te zijn en de dingen te relativeren. Het mysterie kan elk moment opduiken, waarna er van alles mogelijk wordt. Niet te bevatten verschijnselen veranderen van het ene op het andere moment je leven.
Zo is daar het straatschoffie Walter Rawley, een bijna-naamgenoot van ontdekkingsreiziger Sir Walter Raleigh in Austers roman Mr. Vertigo (1994). Dank zij een toevallige ontmoeting met meester Yehudi leert Walt vliegen, na een reeks vernederende oefeningen in onthechting. Je moet eerst afdalen om te kunnen opstijgen, eerst moet je leeg zijn en niets worden, dan pas kun je Walt de Wonderjongen worden die over de wateren zweeft. ‘Ik was twaalf jaar toen ik voor het eerst op water wandelde’, luidt de eerste, niet van religiositeit gespeende zin. Walt weet aan de zwaartekracht te ontstijgen en wordt de kunst van de levitatie machtig.
Het knappe van deze roman is dat Auster de magische kunst om te kunnen overleven presenteert als een vanzelfsprekend onderdeel van zijn vertelling. Ook de lezer wordt 'dronken van het mysterie van de wereld’, zoals Spinoza-lezer meester Yehudi het formuleert.
Er is deze zomer nog een opmerkelijk boek van Paul Auster verschenen. Twee filmscripts, Smoke en Blue in the Face. Aan de film Smoke (met Harvey Keitel) ligt een kort verhaal ten grondslag dat Paul Auster in december 1990 op verzoek van The New York Times schreef: 'Auggie Wren’s Christmas Story’. Regisseur Wayne Wang las het verhaal en werd meteen gegrepen door de 'complexe wereld van realiteit en fictie, waarheid en leugen, geven en nemen’. Paul Auster schreef een ik-verhaal waarin een schrijver met de voornaam Paul door The New York Times gevraagd wordt een kerstverhaal te schrijven. Waarover in godsnaam? Auggie Wren, zijn sigarenman, brengt uitkomst. Hij vertelt hem tegen betaling van een lunch een verhaal. Een jongen loopt zijn zaak binnen en steelt een boek. Auggie rent hem achterna, krijgt hem niet te pakken maar vindt wel zijn portemonnee met rijbewijs en adres van Robert Goodwin. Uit medelijden met de jongen doet Auggie niets. Tijdens de kerst gaat hij naar het adres. Een blinde oude vrouw meent dat haar kleinzoon op bezoek komt. Auggie laat haar in de waan. Hij moet plassen en steelt een van de zeven camera’s die in de wc liggen. Het toeval valt samen met de geboorte van een kunstenaar. Vanaf die dag zal Auggie jarenlang op een vast tijdstip dezelfde Brooklynse straathoek fotograferen.
Smoke is naar dit typische Auster-verhaal gemaakt, een ingenieus aangeklede film waarin mensen met raadselachtige verledens rondlopen. Maar het zou zonde zijn alle toevalligheden in het zeer leesbare script te onthullen.