TONEEL

Het toneel in de Karpaten

De versie Claus

Toen Ton Lutz in 1955 de toneeltekst Een bruid in de morgen van Hugo Claus had gelezen, was hij eventjes van de wereld door de beklemming die de jonge Vlaamse dichter in zijn stuk opriep. Claus, 25 toen, had al ettelijke afwijzingen door toneeldirecteuren op zak; Lutz, 36 jaar en debuterend artistiek leider bij een eigen troep (Rotterdams Toneel), besloot het stuk als opening van zijn eerste seizoen te doen, het zelf te regisseren en er een hoofdrol in te spelen. Een statement was dat, een gebaar tussen kunstbroeders, met grote gevolgen voor beiden. Niet lang daarna verklaarde Hugo Claus (tegenover Simon Vinkenoog in de Haagse Post): ‘Ik ben naar Nederland gekomen om het Nederlandse toneel te redden.’
Ton Lutz was dol op Claus’ bravoure, dus hij zal er hartelijk om gelachen hebben. Ernaar vragen kan niet, Lutz stierf afgelopen weekend en Hugo Claus is er ook al een jaar niet meer. En nu opeens weer even wel, middels de reprise van een toneelmonoloog vol geestrijk goed. De voorstelling De versie Claus van Toneelhuis/Josse De Pauw miste ik vorig jaar, ik zag haar pas onlangs, en dat was goed. Misschien wel beter dan zo kort op Claus’ zelfgekozen dood, toen ’t première was op het podium waar zijn kist nog had gestaan. Het filter van de tijd had nu zijn werk gedaan, dan is het genieten eerder contemplatief dan ontroerd, eerder denkend dan primair emotioneel – volgens Ton Lutz de essentie van het toneel.
Op de speelvloer staat een verhoog met een trap, bovenop een stoel en een tafel, daaraan neemt plaats ‘de Kleine Mensch’ Stijn Keuleers. Dat beeld (Herman Sorgeloos) alleen al, de dwerg op een verhoging luistert als interviewer-zonder-tekst anderhalf uur naar teksten van de reusachtige toneelspeler Josse De Pauw die Claus’ taal spreekt, die Claus niet nabootst, en die af en toe de trap naar het verhoog moet betreden om de ‘journalist’ nabij te zijn.
Nog zoiets geraffineerds: in de loop van de alleenspraak op de dwarrelpartituur van clausiaanse spitsvondigheden en soms huiveringwekkende tristesse zoekt de toneelspeler af en toe even naar woorden, verspreekt zich, maakt en herstelt een vergissing, laat een kleine pauze ontploffen op een onverwacht moment – allemaal zaken waarvan je je wellicht pas achteraf bewust wordt en daaraan herkent men de precisie van de grote toneelkunstenaar die schijnbaar achteloos met zijn schatten jongleert en zijn diamantgruis verstrooit. Je zou het allemaal in doosjes willen bewaren, de oude James Ensor starend naar zijn eigen verstening, de dansende zinnen over de hamster en de Vlaamse Reus (niet Claus maar het konijnenras), de meanderende wijsheden over het genot van de leugen-als-afspraak en hoe het menselijk verval vóór te blijven, Il faut se moquer des malheureux (Beckett) en dat hij hoopt op ‘jongens met kriebels in de gulp’ bij zijn graf, dat hij niet heeft.
Zeker, de hoogtepunten zijn allemaal terug te lezen in het boek Groepsportret: Hugo Claus, een leven in citaten van Mark Schaevers, die meeschreef aan deze alleenspraak, maar ik hoor er toch graag de stem van Josse De Pauw bij en zie hem slenteren rond het verhoog en onder de hoge C van Claus, die zich pas aan het eind bekendmaakt als de maan. ‘Het Vlaamse toneel staat beslist op internationaal peil, zoals het toneel op de Karpaten en Groenland. Indien het toneel het min of meer aangenaam bezighouden van de middenstand is, dan staat het onze zelfs aan de top van Europa.’ Maar ja, die oorlogszuchtige Claus-witz was van 1966 en hij zit er niet in. In 2009 hebben we Josse De Pauw, en, zo verzuchtte ik na afloop, wat is zijn De versie Claus een van God gegeven allemachtig prachtige toneelkamermuziek.

De versie Claus, zaterdag 9 mei Toneelschuur Haarlem, dinsdag 12 mei Cultureel Centrum Brugge, vrijdag 15 mei Stadsschouwburg Groningen