«Het toneel is geen fossiel»

Een jaar geleden werd Matthijs Rümke artistiek leider van Het Zuidelijk Toneel in Eindhoven, als opvolger van Johan Simons. Hij besloot bij hzt voorlopig alleen met levende schrijvers te werken. Hij wil zijn eigen lichtheid combineren met hun zwaarte.

Matthijs Rümke is net in de vijftig, woont in Zaltbommel en houdt er zoiets exotisch op na als idealen. Hij denkt dat toneel een ingewikkeld medium is en daarom iets speciaals te zeggen heeft in een tijd waarin het verlangen naar simpele oplossingen alles overheerst. Daarom heeft hij zich, toen hij leider werd van Het Zuidelijk Toneel, een aantal vrij gecompliceerde opdrachten gesteld. Hij wil met levende, Nederlandstalige schrijvers samenwerken en met hen nieuwe stukken creëren. Hij gaat daarbij ingewikkelde constructies niet uit de weg.

Dat is verbazend, want Rümke is juist bekend van een aantal publieksknallers. Hij maakte een lichte en levendige Driestuiversopera (van Brecht en Weill) met Carice van Houten in een van haar eerste hartveroverende rollen en een hele rij cabaretiers die met het grootste gemak in en uit hun rollen stapten. Kort geleden had hij veel succes met Amadeus, waarin Jeroen Krabbé als Salieri zijn comeback maakte op het toneel, naast cabaretier Marc-Marie Huijbregts als Mozart. Niet voor niets mocht Rümke het spektakel bij de opening van de Amsterdam Arena regisseren. Hij heeft een vrolijke, lichte, aanstekelijke manier van regisseren en mijdt spectaculaire effecten niet.

Toch liep het bijna mis bij Tirannie van de tijd, zijn eerste voorstelling voor hzt. Hoe goed de acteurs – onder wie Gijs Scholten van Aschat, Bert Luppes en Betty Schuurman – ook speelden en hoe prachtig Rümke ook explosies wist te ensceneren waarbij voorwerpen, kleren en mensen uit elkaar leken te spatten, de tekst van Tirannie bleef voor veel mensen ondoorgrondelijk. Paul Pourveur had die samen met Stefan Hertmans en Claire Swyzen geschreven, en het was erg veel van het erg goede.

Een volgende productie, Walhalla, ook ontstaan uit een drievoudige schrijfopdracht, over het lot van een eenzame idealist, was veel geslaagder. Bert Luppes, voorlopig de enige vast aan hzt verbonden acteur, raakte achtereenvolgens verzeild in een afschuwelijk experiment waarbij zijn idealen op schokvastheid werden getest (Maatkamer van Erik-Ward Geerlings), hij werd binnenstebuiten gekeerd als conceptueel kunstenaar (D’r was daar ook een hond… van Peter de Graef), en hij werd in de rol van een tienjarig meisje blootgesteld aan allerlei bedreigingen, vanwege de heldenrol van haar vader tegenover de islam (Laat de Arabieren binnen van Marijke Schermer). Dat alles niet in de schouwburg, maar in ver afgelegen fabriekshallen in Eindhoven, Rotterdam, Amsterdam en Hengelo en als onderdeel van een heel programma met filosofen, scholen en een joyeuze Italiaanse maaltijd.

Walhalla is het eerste deel van een drieluik van grootschalige locatieprojecten. Van het tweede stuk was vlak voor de zomer de opmaat te zien. Tien leerlingen van de Maastrichtse toneelschool wervelden rond in Klein Babylon, een stuk over taal, cultuur en identiteit, de voorlopige uitkomst van alweer een meervoudige schrijfopdracht. In het kader van het Schrijflab van Het Zuidelijk Toneel werden enige schrijvers naar plekken gestuurd waar veel culturele verwarring te verwachten is. Bodil de la Parra ging naar een wijkcentrum in Amsterdam-West, Karim Traïda naar een asielzoekerscentrum in Groningen, Lot Vekemans naar een bar vol vluchtige reizigers op Schiphol en Abdelkader Benali zelfs helemaal naar een vrolijk café in Beiroet. Het geheel werd een levendige show van jonge mensen die in en uit allerlei situaties wipten, een beeld van onze tijd dat in retrospectief enorm veel pijn doet, omdat Benali het Beiroet beschrijft dat na de eerste oorlog in Libanon weer tot leven komt, zonder dat iemand wist dat de tweede Libanese oorlog op het punt van uitbreken stond. Klein Babylon is eind augustus nog drie dagen te zien in het Compagnietheater in Amsterdam.

Matthijs Rümke vindt het niet terecht dat zijn vroegere populaire regies en het ingewikkelde en experimentele werk nu bij Het Zuidelijk Toneel tegenover elkaar worden gezet: «Je eigen werk lijkt soms meer op elkaar dan mensen van buitenaf denken. Amadeus was wel een vrije productie met grote sterren, maar voor mij maakt het als ik aan het repeteren ben niets uit of iemand bekend is van film of televisie. Ik doe bij Het Zuidelijk Toneel niets anders dan wat Gerardjan Rijnders, Ivo van Hove en Johan Simons daar deden: avontuurlijk toneel maken voor de grote zaal. Het betekent een grotere artistieke vrijheid, de vrijheid om te doen wat jij denkt dat er moet gebeuren. Voor mij zijn dat voorstellingen voor de grote zaal met een lange inhoudelijke adem, voorstellingen die de anekdote overstijgen. Daarom ga ik geen Shakespeares of Molières doen, hoe belangrijk die ook zijn, maar wil ik met levende schrijvers werken, die ik kan bellen, met wie ik in debat kan gaan over wat er nu in de wereld gebeurt en hoe we dat vorm zouden kunnen geven.

Maar de eerste voorstelling die we nu gaan maken, Breekbaar, een nieuwe tekst van Frans Strijards, gaat misschien wel lijken op de Driestuiversopera. Het bevat ook veel nummers, liedjes, dansjes, zelfs acrobatische oefeningen. Ria Eimers speelt de hoofdrol, zij speelt een vrouw die tegen alles in een marginale theateropleiding in stand probeert te houden. Het gaat over ouder worden, uit de tijd vallen, het heeft tragische en komische elementen. Ik verheug me er ongelooflijk op daaraan te gaan beginnen. Het is een stuk waar ik echt theater van kan maken, waar je beelden bij kunt zien, een trap bijvoorbeeld waarop de acteurs kunnen struikelen, de onmogelijkheid van het bestaan is ingebouwd in het decor. Soms zit het publiek tegen een vierde wand aan te kijken, met maar één deur erin. Als je die dicht doet zie je niets meer. Het is spelerij, het musicalgenre wordt geciteerd, maar tegelijk met lichtheid en breekbaarheid. Iets van Shakespeares King Lear, maar met een Woody Allen-achtige overdrijving. Ik hoop dat mijn lichtheid goed past bij de zwaardere kant van de thematiek van de tekst.»

«Het avontuur in de grote zaal, dat betekent ook dat Olivier Provily met zijn ploeg acteurs weer een beeldende voorstelling maakt, Lichaam, zoals vorig jaar Fragmenten. Ik heb grote verwachtingen van Olivier met zijn ruimtelijkheid, zijn gebruik van tijd, zijn doorbreken van de toneellijst. Het is goed om hem de grote ruimte van een schouwburgzaal te geven, om die met zijn eigen idioom te kunnen vullen.

Dan komt in het voorjaar van 2007 Babylon, het tweede deel van de trilogie, dat we ook weer op locatie zullen spelen. We gaan de resultaten van Klein Babylon uitwerken. Er moet meer verhaal in komen, de karakters moeten langere lijnen gaan volgen, de personages zullen meer drama en ontwikkeling meemaken. De frictie tussen verschillende culturen zal meer aan bod komen. De onlusten in de banlieue in Frankrijk en hoe iedereen ingegraven is in zijn eigen gelijk. Natuurlijk heeft wat er in Beiroet is gebeurd ons enorm ingehaald. Benali beschrijft het café daar, vóór de oorlog, als een ode aan de multiculturele samenleving. Er is, zegt hij, in dat stuk Libanon geen vuiltje aan de lucht; dat het ‹Hezbollah-land› wordt genoemd is een cliché. Maar het bleek helemaal geen cliché te zijn.

We zijn ook al met het derde deel van deze trilogie bezig, Utopia. Acteur Bert Luppes is met acteur/schrijver Peter de Graef naar Afrika geweest, naar Burkina Faso, om vandaar naar Europa te kijken, om uit te vinden waarom Europa voor de mensen daar een utopie lijkt. Ze kwamen helemaal vermagerd terug, ze hebben de hitte, de armoede, het gebrek aan water meegemaakt. Ze zullen in 2008 ook zelf in dat stuk spelen, als twee broers die vanuit Afrika naar Europa komen. Daar komen ze twee mensen tegen die vanuit de jaren vijftig naar onze tijd zijn gekomen. Die vier personages zullen met elkaar botsen, woedend worden, of rijk, of zich overal bij neerleggen. Maar 2008 is ook het jaar van de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Daar wil ik een klucht over maken, over die kleinburgerlijkheid, misschien zoiets als Gogols Revisor.

De gemakkelijke paden zijn niet interessant. Het leuke van deze tijd is dat ik er als theatermaker makkelijker mijn vingers achter kan krijgen. Je kunt nu tegelijk kunstenaar en actueel zijn, dat vond ik in de jaren negentig veel moeilijker. Begin jaren negentig, toen was de Muur gevallen, volgens Fukuyama was de geschiedenis af, de gruwelijke lelijkheid van het geld verdienen was nog niet zo zichtbaar. Nu mag er ongebreideld geld verdiend worden, er mag ongebreideld populistisch worden gedacht, er zijn allerlei taboes geslecht en je mag zeggen dat Marokkanen rotzakken zijn. De wereld wordt tot in alle uithoeken gefotografeerd en gecontroleerd. Alles wordt geprivatiseerd en niemand vraagt zich af of iets nog inhoudelijk interessant is. Dat maakt de wereld heel lelijk en ik vind dat het theater door zijn complexiteit een interessant medium is om daar iets over te zeggen. Het is leuk om te zien dat het toneel met al z’n gelaagdheid geen fossiel is, maar dat je daar als kunstvorm juist nu mee uit de voeten kunt. In de jaren negentig zag je een opleving van de opera als modern medium. Ik denk dat het toneel nu een heerlijk medium is om het grote probleem van deze tijd, de zucht naar simplificatie, aan de kaak te stellen. Het verlangen naar gemakkelijke antwoorden, naar beheersbaarheid. Wij kunnen door theater te maken laten zien dat het leven niet simpel is en dat je dat maar dient te accepteren.» •

Klein Babylon, 30 augustus tot en met

1 september, Compagnietheater, Amsterdam.

Breekbaar van Frans Strijards, première 13

oktober in Eindhoven, tournee tot en met

12 januari. www.hzt.nl