John Szarkowski 18 december 1925 

Het trage oog

John Szarkowski was curator. John Szarkowski was fotograaf. Maar John Szarkowski was geen curatorfotograaf. De twee ambachten (of beter: drie ambachten, Szarkowski was óók een gedreven publicist met talloze boeken en artikelen op zijn naam) die zijn leven bepaalden hield hij tot zijn dood gescheiden. Als director of photography van het Museum of Modern Art (MoMa) – waar hij van1962 tot 1991 werkzaam was – zorgde Szarkowski eigenhandig voor een renaissance in de moderne Amerikaanse fotografie. Hij ontdekte jonge, controversiële fotografen als Diane Arbus en William Eggleston, verstevigde de reputatie van oude rot Walker Evans en herontdekte het werk van de negentiende-eeuwse Fransman Jean-Eugène Atget. Bovendien bepleitte hij in boeken als The Photographer’s Eye (1964) en Mirrors and Windows (1978) een discours waarin de fotografie op haar eigen merites beoordeeld kon worden.

John Szarkowski beschikte niet alleen over kennis van zaken en een scherpe blik, hij had ook de durf om met zijn exposities radicaal uit de bocht te vliegen. Hij brak met modieuze (en lucratieve) mammoettentoonstellingen als Steichens Family of Man, waarin de foto’s ondergeschikt waren aan een overkoepelend verhaal, en keerde zich af van de romantische school die decennialang het gezicht van de Amerikaanse fotografie bepaalde. Szarkowski wilde de wereld niet veranderen. Hij wilde hem kennen. En dus hoefde een tentoonstelling geen opbeurende humanistische boodschap te verkondigen en was een foto niet alleen goed wanneer die een episch vergezicht toonde. Een verpauperde muur of een krakende schommelstoel was al heel wat. Eigenlijk, vond Szarkowski, was ieder onderwerp geschikt om gefotografeerd te worden – mits er een getalenteerde fotograaf achter de lens stond.

Die opvatting bezorgde hem lof, maar ook kritiek. New Documents – de groepsexpositie waarin hij Diane Arbus, Garry Winogrand en Lee Friedlander introduceerde – zorgde door het expliciete onderwerp (straatschuimers, stripteasedanseressen, dwergen, travestieten en andere buitenstaanders) voor een klein schandaal – compleet met woedende bezoekers en met spuug bespatte foto’s. Andere tentoonstellingen hoorden volgens pers en publiek helemaal niet in een museum thuis. Zo konden maar weinig fotografieliefhebbers enthousiasme opbrengen voor de pretentieloze _matter-of-fact-_jeugdfoto’s van Jacques Henri Lartigue en noemde de eminente _New York Times-_criticus Hilton Kramer de solotentoonstelling van William Eggleston (de eerste tentoonstelling in de geschiedenis van het MoMa geheel gewijd aan kleurenfotografie) ‘saai’ en ‘banaal’. De geschiedenis gaf Szarkowski echter gelijk: Lartigue en Eggleston behoren inmiddels tot de fotografische canon en de kleurenfotografie is anno 2008 niet meer weg te denken uit de museumzalen.

Grappig genoeg is van al deze vormvernieuwing in Szarkowski’s eigen werk nauwelijks iets terug te vinden. Qua onderwerpkeuze bleef hij zijn hele leven trouw aan het materiaal dat hem in de jaren vijftig een bescheiden reputatie als fotograaf bezorgde (hij had twee solo-exposities en publiceerde twee fotoboeken, waarvan één acht weken op de bestsellerslijst van The New York Times stond): de bomen, meren, bergen, rivieren, gebouwen en architectuurornamenten van het rurale landschap rond Lake Superior, Wisconsin.

Ook op vormtechnisch vlak was Szarkowski allesbehalve een vernieuwer. Bij hem geen dramatische coupures, achteloze snapshots of foto’s die eruitzien alsof ze vanaf de motorkap van een voortrazende Chevrolet zijn genomen. Integendeel, zijn werk oogt statig, klassiek, soms zelfs een tikkeltje braaf. Het zijn mooie verstilde platen; toonbeelden van wat het trage oog vermag.

7 juli 2007

The Photographer’s Eye verscheen onlangs in herdruk bij het Museum of Modern Art