Het tragisch liberalisme van isaiah berlin

Hij moet niets weten van welk totalitarisme dan ook. Toch is het onbelemmerd optimisme van de liberalen hem ook vreemd. In zijn onlangs verschenen boek over Isaiah Berlin toont John Gray aan dat juist de ‘reactionaire’ Contra-Verlichting Berlin tot nieuwe inzichten inspireerde.
I. Berlin, Het kromme hout waaruit de mens gemaakt is: Episoden uit de ideeengeschiedenis. Kok Agora/Pelckmans, f45,-; I. Berlin, The magus of the north: J. G. Hamann and the Origins of Modern Irrationalism. John Murray, f50,95; John Gray, Berlin, Fontana Press, f29,35; Ramin Jahanbegloo, Conversations with Isaiah Berlin: Recollections of an Historian of Ideas. Orion Books, f26,50.
IN ZIJN BUNDEL Onder historici heeft H. L. Wesseling een kort maar alleraardigst stukje opgenomen over de Britse filosoof en ideeenhistoricus Isaiah Berlin. Op milde wijze drijft hij daarin de spot met Berlins ontzagwekkende eruditie en zijn neiging daarvan blijk te geven door eindeloze reeksen namen op te sommen van denkers die tot een bepaalde categorie horen, gevolgd door minstens nog zo'n trits van hen die er anders over denken. ‘Het is vast niet goed zoveel te weten’, concludeert Wesseling.

En inderdaad, wie achter elkaar veel van Berlin leest, voelt zich murw gebeukt door zo'n monumentale geleerdheid en krijgt aanvechtingen lekker dom tv te gaan kijken. Berlin lijkt een beetje op George Steiner, ook al zo'n intellectueel die op even achteloze als nadrukkelijke wijze laat merken de gehele westerse cultuur in zijn vestzak mee te dragen. Berlin is evenzeer thuis in het werk van Giambattista Vico als in dat van Boris Pasternak. Zijn interessen gelden zowel het gedachtengoed van tegenwoordig voor obscuur versleten denkers als Johann Gottfried Herder en Johann Georg Hamann als de poezie van Anna Achmatova en Josef Brodski. Hij spreekt met evenveel gemak en kennis van zaken over Bach en Wagner als over Marx en Bakoenin. En wie het boekje Conversations with Isaiah Berlin van de Iraans-Franse filosoof Ramin Jahanbegloo leest, struikelt op iedere bladzijde over de namen van westerse denkers, schrijvers, componisten en andere cultuurdragers over wie Berlin alles lijkt te weten.
Wesseling merkte op dat Berlin zo ontzettend veel van de Europese cultuur houdt dat hij wel een Amerikaan lijkt. En toch is de in 1909 in Riga geboren Berlin een authentieke inwoner van het ‘trambalkon van Azie’. Vader Berlin was een joodse houthandelaar die in 1915 met zijn gezin naar Petrograd verhuisde. Daar was de achtjarige Isaiah twee jaar later getuige van de Russische Revolutie. De val van het tsaristische regime werd door de familie Berlin enthousiast verwelkomd, maar de machtsgreep van de bolsjevieken in november 1917 werd als een ramp ervaren. Hoe minuscuul en chaotisch die later met name door de films van Eisenstein gemythologiseerde Grote Socialistische Oktoberrevolutie in werkelijkheid was, blijkt uit het feit dat men er in de kringen waarin de Berlins verkeerden pas achter kwam dat Lenin de macht had gegrepen toen er demonstraties tegen het nieuwe sovjetbewind werden gehouden. Voor de jonge Isaiah was het een schokkende ervaring te zien hoe een politieagent - volgens hem vond men alleen in het politiekorps nog aanhangers van het tsarisme - door een uitzinnige menigte werd gelyncht. Het bezorgde hem een levenslange afkeer van fysiek geweld.
HOEWEL DE BERLINS niet zelf werden bedreigd, besloten ze in 1919 de Sovjetunie te verlaten. En aangezien ze afkomstig waren uit het zojuist zelfstandig geworden Letland, leverde dat geen enkel probleem op. Anders dan veel andere emigres hadden de ouders van Berlin geen enkel heimwee naar Riga of Rusland, en eenmaal in Engeland aangekomen ontwikkelde vader Berlin zich tot een fanatieke anglofiel. Isaiah wist zijn Russisch bij te houden door het lezen van de grote negentiende-eeuwse romanschrijvers. Typerend voor Berlin was hierbij zijn reeds vroege bewondering voor Toergenjev en zijn enorme afkeer van Dostojevski. Evenals Vladimir Nabokov, Johan Huizinga en Karel van het Reve wordt Berlin zenuwachtig, zelfs depressief bij het lezen van de religieuze fanaticus Dostojevski. 'Het is me te sterk, te donker, te beangstigend. Ik ben hopeloos seculier. Het is het soort heiligheid dat grenst aan waanzin’, vertrouwde hij Jahanbegloo toe.
En toch behoort Berlin niet tot het soort verstokte en bekrompen rationalisten dat zich hermetisch afsluit voor alle menselijk handelen dat niet zonder meer door middel van het verstand kan worden verklaard. Als goed student van Collingwood zegt hij het zijn leermeester waarschijnlijk na: 'Het is eigenlijk alleen bij vlagen, op een dubieuze en wispelturige manier, dat mensen rationeel zijn.’ Vandaar dat Berlin altijd verder heeft gekeken dan zijn neus lang was en ook aandacht heeft besteed aan denkers die rondscharrelden in de duistere schaduwzijden van de Verlichting. Berlin hoeft geen sympathie te koesteren voor een auteur om diens werk vol overgave en uiterste nauwgezetheid te bestuderen. Als die geschriften maar opvattingen bevatten die het overdenken waard zijn, waar we iets van kunnen opsteken. Volgens Berlin is een intellectueel niet iemand die op zoek is naar 'de waarheid’, alswel een persoon 'die wil dat ideeen zo interessant mogelijk zijn’.
BERLIN IS GEEN SCHRIJVER van vuistdikke boeken maar een typische essayist. Naast een bloemlezing van Verlichtingsfilosofen heeft hij slechts twee 'echte’ boekjes geschreven: het uit 1939 daterende Karl Marx: His Live and Environment, en het vierenvijftig jaar later gepubliceerde The Magus of the North: J. G. Hamann and the Origins of Modern Irrationalism. Overigens is dat laatste boek een bewerking van colleges uit het midden van de jaren zestig, door Berlins eigen Eckermann, Henry Hardy, die ook de vijf delen Selected Writings samenstelde. In die reeks zijn naast een bundel met filosofische artikelen en een verzameling herinneringen, drie delen met ideeenhistorische studies verschenen: Against the Current, Russian Thinkers en The Crooked Timber of Humanity. Van de laatste bundel verscheen eind 1993 een Nederlandse vertaling, onder de titel Het kromme hout waaruit de mens gemaakt is.
In zijn soms omvangrijke maar nooit langdradige, en altijd glasheldere en prikkelende essays maakt Berlin ons niet alleen deelgenoot van zijn enorme kennis van de Europese cultuur in de laatste drie eeuwen, maar ontvouwt hij ook een geheel eigen, zeer originele politieke filosofie. In Het kromme hout waaruit de mens gemaakt is, een wat ongelukkig samengestelde bundel, hamert hij in vrijwel alle essays op wat hij ziet als de grootste en dus meest fatale misvatting in het westerse denken. Volgens Berlin is dat het platoonse ideaalbeeld, dat ervan uitgaat dat op alle 'echte’ vragen in de filosofie slechts een antwoord juist is; dat er een betrouwbare methode is om dat antwoord te vinden; en dat al die juiste antwoorden op al die vragen uiteindelijk met elkaar verenigbaar zijn, zodat ze te zamen 'de waarheid’ vormen. Misschien bereiken we dat ideaal nooit, omdat we niet slim genoeg zijn, of te zondig, maar toch zijn de eeuwige waarheden in principe kenbaar. Dit idee van Plato komen we ook tegen in het joodse en het christelijke geloof, in de Verlichting, bij Hegel, Marx, de socialisten en de liberalen.
Dat sommige verheven waarden die de mensheid tot op heden heeft nagestreefd niet verenigbaar zijn, is een inzicht dat volgens Berlin het eerst is verwoord door Machiavelli. De roemruchte Florentijn wees er immers op dat de waarden van de heersende klasse, nodig om de staat te leiden, onverenigbaar zijn met christelijke deugden als nederigheid, wereldverachting, berusting in het lijden en het geloof in verlossing na de dood. En toch waren dat waarden die naast elkaar konden - en moesten - bestaan. Maar het was volgens Machiavelli daardoor niet mogelijk om een criterium te bepalen voor de vraag hoe een mens moest leven.
In La scienza nuova beschreef Giambattista Vico hoe in de geschiedenis verschillende culturen elkaar opvolgden en hoe iedere samenleving een geheel eigen visie op de werkelijkheid ontwikkelde. Hierdoor golden in iedere cultuur andere waarden en was het onmogelijk om het klassieke Griekenland, het vroege christendom of de renaissance met elkaar te vergelijken. Een andere held van Berlin, de achttiende-eeuwse Duitse filosoof Herder, ging nog een stap verder. Niet alleen de opeenvolgende culturen hielden er verschillende waarden en opvattingen op na, ook samenlevingen die tegelijkertijd bestonden, zelfs naast elkaar leefden, verschilden van elkaar. Natuurlijk was het niet zo dat landen geen gemeenschappelijke waarden kenden, maar wat Herder 'het zwaartepunt’ noemde, lag in Duitsland anders dan in Frankrijk of Engeland.
Pleit Berlin, in navolging van Vico en Herder, nu voor ethisch relativisme? Is hij van mening dat het er niet toe doet welke waarden mensen belangrijk vinden en dat dus het hebben van waarden daarom in feite pure onzin is? Berlin ziet in Vico en Herder pleitbezorgers van het pluralisme, wat hij omschrijft als 'de opvatting dat mensen talloze verschillende doelen kunnen nastreven maar toch volkomen rationeel, volkomen menselijk blijven, in staat elkaar te begrijpen en met elkaar mee te voelen en inzichten aan elkaar te ontlenen.’ Er zijn gemeenschappelijke waarden, anders was communicatie tussen culturen of begrip voor historische tijdperken onmogelijk, maar er zijn ook steeds botsende waarden. Een klassiek voorbeeld vormen natuurlijk vrijheid en gelijkheid. Twee waarden die de mens al vele eeuwen nastreeft, maar die onveranderlijk leiden tot grote spanningen, omdat ze in beginsel onverenigbaar zijn. Deze onverenigbaarheid betekent echter niet een diskwalificatie van een van deze twee waarden, het maakt alleen duidelijk dat de idee van het volmaakte geheel, de utopie van de ideale samenleving, te enen male onhaalbaar is. Overigens ziet Berlin in de onhaalbaarheid niet het belangrijkste bezwaar tegen het idee van de perfecte maatschappij. Ernstiger nog vindt hij het feit dat het een volkomen onsamenhangend concept is. Wat zou men immers onder een dergelijke harmonie moeten verstaan? Toch vindt Berlin dat we die onverenigbaarheid van waarden ook weer niet moeten overdrijven. Universele waarden mogen dan niet bestaan, er is toch een 'minimum aan zo goed als universele waarden zonder welke een samenleving nauwelijks zou kunnen voortbestaan’. Er zijn immers tegenwoordig nog weinig voorstanders van slavernij, gaskamers of de plicht van kinderen om hun ouders aan te geven als zij zich kritisch uitlaten over de regering. Op deze punten zijn compromissen niet te rechtvaardigen. 'Maar anderzijds lijkt het streven naar volmaaktheid altijd een recept voor bloedvergieten in te houden, en of het nu de oprechte idealist, de zuiverste van geest is die het verlangt, dat doet er niets aan af.’
DAT BERLIN een uitgesproken tegenstander van elke totalitaire ideologie is, zal duidelijk zijn. Maar is hij daarmee ook een liberaal? En zo ja, wat houdt dat bij hem dan in? Is Berlin een soort filosofische Milton Friedman, een erudiete oom van Fukuyama, of een diepzinnige variant van Bolkestein? In een vorig jaar in de reeks Fontana Modern Masters verschenen boek laat John Gray glashelder zien dat het werk van Berlin niets van doen heeft met wat hij het 'panglossiaans optimisme’ van de doorsnee liberaal noemt, die verwacht dat door de onbelemmerde ontwikkeling der produktiekrachten de mens steeds welvarenden en dus ook gelukkiger wordt. In tegenstelling tot het hedonistische cynisme van de VVD is het liberalisme van Berlin stoicijns en tragisch. Hoewel Berlin nogal eens wordt ingelijfd bij de liberale denkers en hij zichzelf ook als liberaal beschouwt, ligt hij volgens Gray overhoop met zowel het klassieke als het moderne liberalisme. En wie Grays meesterlijke boek leest wordt duidelijk waarom Bolkestein - nooit te beroerd om met befaamde denkers om te gaan alsof hij met ze op school heeft gezeten - Berlin nog steeds niet heeft gevraagd om in De Balie eens een avondje gezellig te debatteren. Van Locke en Mill tot Hayek en Rawls gaan liberalen ervan uit dat onze vrijheid is gebaseerd op het feit dat wij rationele keuzen maken. En bij Bolkestein is die verstandelijke afweging vereenvoudigd tot: wat levert het me op? Ook bij Berlin bestaat de vrijheid uit de keuzen die we maken, maar die keuze kan lang niet altijd rationeel zijn. Omdat de zaken of waarden waartussen we moeten kiezen soms onvergelijkbaar zijn, schiet het verstand vaak tekort.
Het gaat bij Berlin niet om een rationele maar om een radicale keuze. We kunnen eindeloos de voor- en nadelen van een keuze tussen twee waardevolle zaken afwegen, uiteindelijk moeten we toch de knoop doorhakken. Deze keuze is volgens Gray 'groundless and criterionless’, en in zo'n geval hebben we 'no choice but to act’. In deze opvatting - die men naar eigen smaak decisionistisch, voluntaristisch of existentialistisch kan noemen - zit dus het grote verschil tussen Berlin en alle rationele liberalen. Wie hem nu wil indelen bij de jonge Sartre of Heidegger, van wie Berlin zegt dat hij hem niet kan lezen, maakt een grote vergissing. Volgens Berlin verwezenlijken wij onszelf weliswaar in het maken van keuzen, maar dat kiezen geschiedt, in tegenstelling tot wat de meeste existentialisten vinden, niet ex nihilo. We kiezen immers niet in het luchtledige, maar binnen een context die is gevormd door de keuzen van eerdere generaties. Wij hebben onszelf immers niet gekozen, maar zijn het produkt van overgeerfde waarden, tradities en maatschappelijke verhoudingen. Bovendien zijn onze keuzen veelal niet het resultaat van echte 'beslissingen’, maar van ervaringen. Met behulp van wat postmodern jargon vat Gray het als volgt samen: 'We mogen dan co-auteurs zijn van onze levens, maar deze zijn altijd variaties op bestaande teksten.’
Met zijn afwijzing van de ratio als het in alle omstandigheden aangewezen kompas waarop wij onze koers kunnen uitzetten, is Berlin nog geen irrationalist. Als men zijn verzameld werk onder een noemer zou willen brengen, zou dat kunnen zijn: 'Grandeur en misere van de Verlichting’. Hoewel Berlin met veel sympathie, en soms bewondering, heeft geschreven over fanatieke tegenstanders van de Verlichting als Hamann en Joseph de Maistre, volgt hij hen niet in hun totale oorlogsverklaring. Voor Berlin zijn tolerantie, vrijheid en emancipatie van onderdrukking en onwetendheid waarden die nagestreefd dienen te worden. Hij is een groot bewonderaar van Condorcet, met zijn pleidooi voor een fatsoenlijke samenleving. Ook heeft hij nooit de ogen gesloten voor de grote verschillen tussen de Verlichtingsfilosofen. Maar wat Berlin in Condorcet en de anderen afwijst, is de claim dat de gepropageerde waarden universeel zijn, de opvatting dat het wezen van de mens wordt gevormd door de rede, en de idee dat de geschiedenis zich ontwikkelt in de richting van de totale perfectie van mens en samenleving. Dat is hem allemaal te dogmatisch en te simplistisch, en bovenal ook veel te gevaarlijk. Het filosofisch monisme van de Verlichting heeft immers de deur opengezet voor totalitaire ideologieen als het communisme en het nationaal-socialisme.
Veel van Berlins essays handelen over de tegenbeweging die zich vanaf de achttiende eeuw begon af te tekenen, de zogenaamde Contra-Verlichting. Hoewel reeds bij Pascal en Vico ideeen zijn te vinden die kunnen worden gebruikt om de Verlichting te bestrijden, ziet Berlin in Hamann (1730-1788) de eerste die frontaal in de aanval gaat. Hij laat zien dat deze Duitse theoloog en filosoof, die in de traditie van het mysticisme van Boehme en Meister Eckhart stond en die zijn eigen eeuw hartstochtelijk haatte, buitengewoon originele ideeen had over de menselijke natuur, de grondslagen en beperkingen van onze kennis, taal, creativiteit en nog zo het een en ander. Hoewel hij het geloof en de politieke opvattingen van Hamann in geen enkel opzicht deelt, is Berlin van mening dat deze voor 'obscuur’ en 'achterhaald’ versleten fanaticus op tal van zaken meer licht heeft geworpen dan de vermaarde lumieres. Denkers als Hamann, Herder, Maistre en Burke wezen erop dat de rede en de wetenschap niet het antwoord kunnen leveren op alle vragen die de mens heeft, en dat waar het gaat om waarden - ethisch, esthetisch, sociaal of politiek - vaak meerdere antwoorden geldig zijn. Ofwel, in de woorden van Hamann: 'God is geen wiskundige, God is een kunstenaar.’ Ook wezen deze tegenstanders van de Verlichting het universalisme af. Ieder tijdperk, iedere cultuur, zelfs ieder land kent zijn eigen waarden, eigen cultuur, eigen tradities, en deze zaken dienen gerespecteerd te worden.
IN ZIJN MESSCHERPE analyse van Berlins denkbeelden laat Gray zien dat de ironie van de geschiedenis ook de Verlichting en haar vijanden niet onberoerd heeft gelaten. Over het algemeen wordt de Verlichting immers geassocieerd met vrijheid, een humanitaire samenleving, redelijkheid en vooruitgang. En de Contra-Verlichting wordt nogal eens gezien als voedingsbodem voor nationalistische, reactionaire en zelfs nationaal-socialistische opvattingen. Uit de nauwgezette studies van Berlin wordt echter duidelijk dat niet alleen, zoals ook Popper en Toulmin al hadden gesteld, het monistische Verlichtingsdenken invloed heeft gehad op het moderne totalitarisme, maar dat juist de Contra-Verlichting, met haar nadruk op pluralisme, een belangrijke bron vormt voor moderne opvattingen over tolerantie. En met tolerantie wordt dan niet bedoeld wat Maistre hekelde als 'de domme onverschilligheid die wij verdraagzaamheid noemen’, maar het accepteren en respecteren van waarden en normen die de onze niet zijn, zolang ze onze waarden tenminste niet bedreigen.
Maar het belang van de Contra-Verlichting schuilt niet alleen in het positieve, in de gerechtvaardigde kritiek op abstracte dogma’s. In het werk van met name Joseph de Maistre wordt tevens nog iets anders duidelijk, namelijk dat het peilloze pessimisme van de tegenstanders van de Verlichting in onze eeuw realiteit is geworden. Maistre verklaarde dat het waanzin was om, zoals de Verlichtingsfilosofen deden, de harmonie in de natuur ten voorbeeld te stellen aan de menselijke samenleving. Harmonie is immers ver te zoeken in de natuur; het is een groot abattoir waarin de sterken de zwakken opvreten en alle leven zinloos ten onder gaat. Geweld was de essentie van alle leven, de beul was de ware, meest menselijke mens, alleen de zwaarste ketenen konden de bloeddorstige mensheid nog een beetje in toom houden. Achter de klassieke facade van Maistres denken kolkt een inktzwarte, gistende stroom van bloed en excrementen. Volgens Berlin was hier geen reactionair, een verheerlijker van het goede leven der pre-revolutionaire aristocratie aan het woord, maar een voorloper van Nietzsche, Freud, Sorel, D. H. Lawrence, Maurras, D'Annunzio en het gehele schimmenrijk van Blut und Boden.
In de ogen van de bestrijders van de Verlichting ziet de wereld er allesbehalve aantrekkelijk uit, maar waarschijnlijk is hun beeld wel wat realistischer dan het visioen dat Condorcet had van 'de heerschappij van de waarheid’. Na de Goelag, Auschwitz, de 'Killing Fields’ en Ruanda moeten we misschien onder ogen zien dat Maistre een voortreffelijke profeet was.
Wat Berlin tot een echte liberaal maakt, is dat hij geen troost zoekt in de een of andere metafysica, maar dat hij van mening is dat we ons niet moeten neerleggen bij de feiten. 'Ik geloof in het werken voor een minimaal fatsoenlijke maatschappij. Misschien kunnen we dat zelfs uitbreiden, des te beter. Maar zelfs een minimum aan fatsoen is meer dan we nu hebben in sommige landen.’