Misbruikt door cultuur- en beleidsmakers

Het tragische lot van Ali B.

Het gepolitiseerde cultuurideaal heeft geleid tot een cultuurbestel waarin kunstenaars en beleidsmakers elkaar in gijzeling houden. En waar koehandel wordt bedreven met mensen die, zoals Ali B., niet half beseffen hoe cynisch hun populariteit wordt misbruikt.

Toen de cultuur nog niet was op gesplitst in een hoge en lage variant stond kunst voor het hogere, de canon: Beethoven en Bach, Van Gogh en Mondriaan, Goethe en Schiller. Er bestond een geloof in de eeuwigheidswaarde van hun oeuvres. Dit geloof zal, net als bij het elitair gestemde kunstpubliek van nu, een esthetische en sociologische functie hebben gehad. Behalve zinnelijke, muzische en intellectuele bevrediging geeft het bezit van culturele bagage zelfvertrouwen. De kunst, die om haar waarde op een voetstuk wordt gezet, dient ook een vorm van zelf bevestiging: wie Goethe’s intellectuele drijf veren begrijpt, wordt in zekere zin zijn gelijke.

Om tot die toestand van verlichting te ko men zijn intellectuele vaardigheden, kennis, tijd en middelen vereist. Het zijn eliteprivileges. Vandaar dat cultuurdeelname lange tijd was voorbehouden aan een maatschappelijke boven laag. Zo klasseloos als de kunstproductie altijd is geweest, zo standsgevoelig was de wereld van de kunstconsumptie, ook op het terrein van de muziek. «Gewone» mensen gingen misschien nog naar opera en operette; de concertzalen bleven, door de financiële of mentale drempels, het territorium van een bovenlaag.

Het muziekestablishment verhoogde die barrière nog door, misschien ongewild, een tegenstelling te creëren tussen «de habitués» en «de anderen». Toen het Concertgebouw orkest een eeuwigheid geleden het bredere publiek wilde bereiken, kwam het met Volksconcerten op de proppen. De naam zegt alles: een reservaat voor de buitenstaanders, dat bij wijze van handreiking wordt opengesteld voor de minderbedeelden.

Dat is nu anders. Niet omdat het Concert gebouw toegankelijker is geworden. Toegankelijk was het objectief bezien al lang. Wie zijn kaartje kon betalen en zich netjes kleedde, mocht naar binnen. Het verschijnsel toegangsdrempel is een deels fictieve aangelegenheid. Als mensen met een sluimerende belangstelling voor klassieke muziek de concertzaal mijden, was en is het óók omdat ze zelf die drempel hebben opgeworpen. Ze durven niet; het is «hun wereld» niet.

Veranderd is de omgang met die drempelvrees. Het is fascinerend om te zien hoezeer een al dan niet reële consumentenangst een factor is geworden in het kunstbeleid. Het is af te lezen aan de energie die overheid, politiek en kunst instellingen spenderen aan hun pogingen het kunst- en cultuuraanbod toegankelijk te maken voor een zo groot mogelijk publiek, en aan de manier waarop het gebeurt: door voortdurend te benadrukken dat koudwatervrees nergens voor nodig is. Het stokpaard van de laagdrempeligheid heeft het akkerland van de cultuur hardhandig omgeploegd. Als in de cultuursector drempels zijn weggevallen, is dat ook omdat het cultuurbegrip onder invloed van en in reactie op een institutioneel geworden achterdocht tegen de eretempels van de «hoge kunsten» zelf een gedaanteverandering heeft ondergaan.

Cultuur is niet meer synoniem met «het hogere»; cultuur is voor en van iedereen. «Cultuur» betekent met nadruk óók populaire cultuur, ook rap, ook Ali B., ook Trijntje Oosterhuis. Naast de «officiële» hogere cultuur is een «officiële» populaire cultuur ontstaan die behalve door het publiek ook door de beleids makers hartstochtelijk wordt omarmd, en waarvoor de eerbiedwaardige cultuurpaleizen van weleer hun rode lopers uitrollen.

De grote vraag is of dat om artistieke redenen gebeurt of, en daar zijn aanwijzingen voor, omdat de inlijving van «low culture» in het cultuurbestel vooral geschiedt met het oog op de «drempelverlagende werking». Als dat waar is, is de zaak-Ali B. vooral uit niet-muzikaal oogpunt een nadere beschouwing waard.

De rapper is zo langzamerhand het jongste troeteldier geworden van de multiculturele samenleving in het algemeen (sinds het aan hem gerichte peace-teken van Beatrix in Flevoland afgelopen week officieus met koninklijk predikaat) en van de al dan niet gesubsidieerde cultuursector in het bijzonder. Of, zoals Wim de Jong van de Volkskrant schreef: «Ali B. is voor de moslimintegratie in Nederland wat dokter Oetker hier ooit was voor de instant-pudding. Alt hans: zo hebben we het graag.»

Vorige maand gaf Ali B. voor wethouders, raadsleden en ambtenaren van Almere een voorstelling van zijn theatershow Het leven van de straat, door een plaatselijke ex-wethouder aangeprezen als «educatiever dan honderd vergaderingen over jongerennota’s». In juli maakte Ali, samen met zangeres Do, zijn opwachting bij het Residentie Orkest tijdens de vijfde editie van het Concert by the Sea. Met een hoogwerker werd de rapper, opgewekt begeleid door het orkest, op het podium neergelaten om, in wat zich voordeed als een vrolijk intermezzo, zijn single Leipe mokro flavour te scanderen – een vorm van multiculturele kruisbestuiving die, evenals een eerder monsterverbond tussen het Noord Nederlands Orkest en rapper Too Tall, twintig jaar geleden ondenkbaar was geweest.

Voor de Raad voor de Kinderbescherming maakt Ali binnenkort in het kader van «honderd jaar kinderwetten» de theatervoorstelling Hier sta ik!, waarin volgens het persbericht van de Raad «het recht op het ontwikkelen van een eigen identiteit centraal staat» en Ali «op zijn eigen typische manier» dat onderwerp gestalte geeft: «Geen gepreek of saaie infor matieoverdracht, maar raps en sketches over ‹straat›-situaties waarin de rechten van jongeren in het geding zijn. Dit alles begeleid door zijn mede-rappers Mi-Jezz en Lady Di, r&b-sensatie GIO en zijn band en speciaal ontwikkelde videoclips.» Dan volgt de clou: «De voorstelling is speciaal ontwikkeld voor ckv-leerlingen en kan alleen in schoolverband bezocht worden.»

Voor ckv-leerlingen. Dat zijn in dit geval scholieren van vmbo, havo en vwo. Ckv is het officiële educatietraject voor de Culturele en Kunstzinnige Vorming op de scholen. Kort door de bocht geformuleerd: de «cultuur» van Ali B. is een beleidsinstrument, en Ali een lokmiddel. Ali moet bij jongeren de interesse opwekken voor cultuur, net zoals veertig jaar geleden de Matinee op de Vrije Zaterdag of nog langer geleden de Volksconcerten van het Concert gebouworkest het volk moesten verheffen tot het kunstgemiddelde van Bach en Beethoven.

Om dit streven te verwezenlijken, moet de definitie van cultuur worden geherformuleerd. Waar dat in de cultuur en het cultuurbeleid toe heeft geleid is duidelijk: het is «gewoon» amusement en/of sociaal beleid geworden, waarbinnen elk gevoel voor kunstzinnige gezagsverhoudingen is weggevallen. Op groot mees terschap is Ali B. nog niet betrapt, maar het doel heiligt de middelen. De strekking van het eerder geciteerde persbericht spreekt boekdelen. Cultuureducatie is heel gewoon, «zonder ge preek of saaie informatieoverdracht»; cultuur, dat is ook Ali B. De beleidsdoelen en cultuurdefinities mogen zijn veranderd, de emancipatoire inzet is gebleven. Alle mensen zijn gelijk, en de cultuur vormt het bewijs.

Er is nog een overeenkomst tussen de zendingsdrang van toen en die van nu: uit het cultuurbeleid van dezer dagen spreekt hetzelfde, misschien ongewilde dédain voor de «nieuwe publieksgroepen» als uit de kwalificatie «Volks concerten» voor het volk. Als het Residentie Orkest Ali B. laat inbreken en aspecten van de rapcultuur omarmt (het heeft meer plannen op dit gebied), lokt het publiek onder valse voorwendselen. Uiteindelijk komt het er toch op neer dat Ali B. nieuwe publieks groepen niet voor rap, maar voor het Residentie Orkest moet interesseren. Dat kan niet an ders: de wereld van Ali B. heeft niets te maken met het muzikale universum van een symfonieorkest. Wat ongetwijfeld wordt ge hoopt, is dat hij en anderen met hun brede aantrekkingskracht op een groot publiek een brug slaan van de ene wereld naar de andere.

Bovendien kan een orkest met een rapper goede sier maken bij de subsidiënten, die onder politieke druk al jaren stipuleren dat de Nederlandse muziekinstellingen hun publiek moeten «verbreden», vooral met jongeren en allochtonen. Kijk het ons eens proberen; we zijn van goede wil, we tolereren Ali B. op ons domein. Als Ali B. beschikt over een sprankje sociologisch inzicht zou hij inzien dat hij ten diepste wordt vernederd. Hij wordt niet aan getrokken als artiest, hij dient als breekijzer.

Daar wringt de schoen. De politiek, de ambtenarij en de orkesten kunnen zo’n excuus-Truus goed gebruiken. De beleidsmakers uit de bovenlaag zetten hem in om een benedenlaag van oningewijden, in dit geval de jongeren en allochtonen, met een sigaar uit eigen doos op hun voorwaarden tot onderdeel te maken van hun blauwdruk voor een multiculturele samenleving. Desnoods, zoals tijdens die Concerts by the Sea, in de gedaante van onschuldig volksamusement.

Interessant is de vraag waarom Ali B. zich voor die kar laat spannen. Er zijn verschillende antwoorden mogelijk, maar de meest plausibele suggestie is dat Ali B. er zelf belang bij heeft het spel mee te spelen. Niet alleen omdat het goed is voor zijn omzet. Vooral omdat hij, net als iedereen, wil meetellen. En dan is niets mooier dan door de cultureel-maatschappelijke bovenwereld met open armen te worden ontvangen. Die acceptatie verlost hem in één klap van het minderwaardigheidscomplex dat in zijn teksten als frituurvet van de regels druipt (al valt te vermoeden dat hij het – net als de Amerikaanse rapmiljonairs van deze tijd – vermoedelijk zal blijven cultiveren als symbool van een getheatraliseerde undergroundstatus).

soms dan is het leven echt veel te vaag

want een klein beetje respect is al te veel gevraagd en ook al word ik dan gedist in de telegraaf

9 van de 10 keer blijf ik heel beschaafd

want ik maak me niet druk

ik vind het zelfs leuk ik krijg een slechte naam

M’n reputatie wordt verneukt; dan zullen jullie denken Ali B is de pineut

Maar dan zet ik het weer recht, en dan lig ik in een deuk

Of deze:

Wie zijn m’n vrienden en wie zijn de slangen/ Hoe kan ik ze herkennen als ze mij willen vangen/ in hun val/ ik val/ steeds dieper in een dal/ maar ik kom eruit want mij krijgen ze niet klein/ Spring voor een trein als je mij niet meer wilt zien/ want nu ik ben gekomen zal ik blijven in de scene/ rij over je heen zwaar als een bulldozer/ Ali B te commer cieel ik weet niet wat je lult gozer/ Tuurlijk maak ik geld ik ben blij met elke cent/ maar als underground mokro zal ik blijven wie ik ben

Hoe herkenbaar. In alle rangen en standen leeft een diepe behoefte het begrip cultuur ook voor de eigen kring te kunnen claimen. Als minderheidsgroepen in de verdediging worden gedrongen, beroepen ze zich op hun cultuur. Dat is hun rechtvaardiging: wij hebben cultuur, desnoods als underground mokro, wij zijn niet niks. Het is cultuur als verdedigingsmechanisme: een verkapte bede om respect. En misschien gelooft de rapper Ali B. dat iemand zijn gebed verhoord heeft.

Maar dat is schijn. Eigenlijk wordt hij misbruikt. Wat zich bij hem manifesteert als een vorm van culturele zelfverdediging is bij zijn weldoeners de munitie voor een aanval die, net als op een andere manier bij Ali, offensieve trekken paart aan defensieve. De maatschappelijke bovenbouw heeft hem nodig; enerzijds om culturele en emancipatoire waarden aan de man te brengen («de rechten van jongeren», culturele en kunstzinnige vorming, het Noord Nederlands en het Residentie Orkest), anderzijds om zich strategisch in te dekken tegen het gevoelde verwijt van culturele eenkennigheid. Emancipatiedrift en zelfverdediging gaan bij beide partijen hand in hand. Ze lijken op elkaar in die zin dat hun alliantie op een gemeenschappelijk belang berust. Dat het in enge zin geen cultureel belang meer blijkt te zijn is bijzaak.

Het gepolitiseerde cultuurideaal heeft geleid tot een cultuurbestel waarin kunstenaars – al dan niet tussen aanhalingstekens –, beleids makers en politici elkaar op een beklemmende manier in gijzeling houden. Niet hun afhankelijkheidsrelatie an sich is het probleem, als er subsidie in het spel is. Het spreekt vanzelf dat overheden en gerelateerde partijen hun uit gaven moeten motiveren en dus criteria aanleggen voor de distributie van de geldstromen, waaraan de begunstigde zich heeft te houden. Zoals het ook verdedigbaar is dat maatschappelijke factoren als het ontstaan van een multiculturele samenleving door de belanghebbenden in dat beoordelingsproces worden meegewogen. Dat is nog te volgen: het geld dat wordt besteed is gemeenschapsgeld. Voor wat hoort wat; wie de voorwaarden van zo’n systeem niet accepteert, wat overigens meer mensen zouden moeten doen, kan het de rug toekeren.

Gevaarlijk wordt het pas als binnen de grenzen van het culturele domein artistieke criteria, op zichzelf al discutabele grootheden, door kunstinstellingen en hun begunstigers ondergeschikt lijken te worden gemaakt aan opportunistische motieven. Dan komt, al zal misschien geen mens het zo bedoeld hebben, zowel de artistieke standaard als de menselijke waardigheid in het geding. En wordt de cultuursector tot het domein van koehandel met mensen die, zoals Ali B., misschien niet half beseffen hoe cynisch hun populariteit wordt misbruikt. Al denkt die jongen vast dat hij de hele wereld te slim af is, crying all his way to the bank.

Fuck the system, Ali. Het wil je opvreten, uit eigenbelang.

=

Dit artikel is ook te lezen op de website www.popkunst.nl, onderdeel van het lectoraat «popkunst» van componist/theatermaker Merlijn Twaalfhoven op de ArtEz-hogeschool in Arnhem/ Zwolle, waaraan de auteur dit seizoen als medewerker is verbonden