Voorbij het eigen gelijk (slot): Marion Bloem

Het trapjesdenken leeft voort

Al jaren onderzoekt schrijver en documentairemaker Marion Bloem haar Indische identiteit. Inmiddels wil ze niet meer Indisch genoemd worden. ‘Er bestaat geen Indische cultuur.’

Marion Bloem –‘Ik haat polarisatie, we moeten naar elkaar luisteren’

Marion Bloem (67) is het boegbeeld van de Indische cultuur, sinds in 1983 haar roman Geen gewoon Indisch meisje en haar documentaire Het land van mijn ouders verschenen, met als uitgangspunt de vraag: Wat is Indisch? Wat haar betreft had het niet zo hoeven lopen, ze had geen spreekbuis van de Indische gemeenschap hoeven zijn. ‘Het was iets buiten mezelf om en ik heb dat nooit meer kunnen veranderen.’

Het gekke was ook dat ze zowel door haar boek als de documentaire tot de slotsom kwam dat er geen Indische cultuur bestaat. ‘Er zijn zoveel verschillende Indische Nederlanders, dat ze niets gemeen hebben behalve dat minstens een van hun voorouders uit voormalig Nederlands-Indië komt’, zegt ze. Niettemin meende de spraakmakende gemeente in Nederland dat ze op zoek was naar haar Indische wortels, haar identiteit. ‘Zo’n cliché’, zegt Bloem.

Ze wil voor eens en voor altijd uit de doeken doen hoe ze zich verhoudt tot haar Indische afkomst. Dat bleek al tijdens de Anton de Kom-lezing die ze vorig jaar hield, en dezelfde thematiek behandelt ze in een non-fictieboek dat volgend jaar maart verschijnt: INDO, een persoonlijke geschiedenis over identiteit. Het schrijven eraan viel haar een tijd zwaar, de opgave die ze zich stelt is dan ook niet gemakkelijk. Ze gaat betogen dat ze zichzelf liever niet meer Indisch noemt.

Neemt ze afstand van alles wat ze van haar Indische ouders meekreeg? Zeker niet. ‘Ik heb altijd gezegd: het is rijkdom om op te groeien met meerdere culturen’, zegt ze. Dat die boodschap haar serieus is, blijkt ook uit de Blue Monday-avonden die ze sinds dit jaar organiseert in haar galerie in Amsterdam. Elke eerste maandag van de maand nodigt ze een gast uit die voor publiek komt praten over biculturaliteit. Acteur-regisseur Martin Schwab en schrijvers Abdelkader Benali en Gustaaf Peek kwamen langs, en voor 1 oktober staat de Zuid-Afrikaanse regisseur Saskia Vredeveld op het programma.

Waarom ze kritisch is over de Indische identiteit, is een heel verhaal dat zich gaandeweg openbaart tijdens een bezoek aan haar huis in Bosch en Duin, een klein plaatsje tussen Utrecht en Amersfoort. ‘Ik haat polarisatie, we moeten naar elkaar luisteren’, is een van de eerste dingen die ze zegt, terwijl ze brood smeert in de keuken. De deur naar de tuin staat open, waardoor de geur van natgeregend groen naar binnen drijft. Haar man, schrijver Ivan Wolffers, loopt in en uit.

Bloem heeft een omvangrijk oeuvre op haar naam staan, hoofdzakelijk bestaand uit romans, gedichten en reisboeken, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor haar Indische afkomst. Aan de keukentafel vertelt ze dat die identiteit voor haar altijd een dynamisch gegeven is geweest, iets wat voortdurend veranderde. Een statische identiteit vindt ze gevaarlijk. ‘De geschiedenis laat zien waartoe dat kan leiden. Daar moeten we van leren.’

Ze is bang dat die laatste variant om zich heen grijpt, ook onder de jongere Indische Nederlanders die ze nu naar hun identiteit ziet zoeken. ‘Ze doen het uit onschuld, om hun plek in de wereld te vinden, maar intussen zitten ze het koloniale Indië te idealiseren. Dat zie je vaker bij mensen die niets van dat verleden weten’, zegt ze. De Indische gemeenschap in Nederland telt bijna twee miljoen mensen en ze vermoedt dat het grootste deel de eigen geschiedenis niet kent.

Bloem is bezorgd over dit soort ontwikkelingen. Voor haar staat Nederlands-Indië voor een tijd van rangen, standen en apartheid, waardoor een menssoort ontstond voor wie ongelijkheid vanzelfsprekend of acceptabel was, zolang hij er zelf voordeel van had. Die tijd werkt door tot de dag van vandaag, zegt ze, want de geestesgesteldheid van vier eeuwen kolonialisme is niet in zeventig jaar verdwenen. ‘Dekolonisatie is een traag proces, helemaal als de gevolgen van het koloniale verleden nooit openlijk zijn besproken.’

In hun zoektocht naar identiteit idealiseren jongere Indische Neder-landers nu soms het koloniale Indië

Volgens haar komen racisme en de angst voor migranten hieruit voort. ‘We kunnen wel zeggen dat iedereen gelijk is, maar dat betekent niet dat we er ook naar handelen.’ Natuurlijk, erkent ze, hiërarchisch denken zit in ieder mens. ‘Maar in de ene samenleving is het sterker ontwikkeld dan in de andere. En het was bij uitstek een kenmerk van een koloniale samenleving. Het creëren van raciale ongelijkheid was de verdeel-en-heerspolitiek van de Nederlanders.’

Ziet ze dan helemaal geen verandering? De laatste jaren staan racisme, slavernij en de koloniale tijd toch meer dan ooit in de belangstelling? ‘We zijn wel wat opgeschoten, maar er zijn meteen tegenkrachten gekomen. Die benauwen me.’ Ze denkt aan uiterst rechts gedachtegoed, maar ook aan een boek als Tempo doeloe, een omhelzing, waarin Kester Freriks beweert dat Nederlands-Indië ook goede kanten had.

Ze vindt dat we eindelijk de feiten van de koloniale tijd onder ogen moeten zien en dat die om te beginnen op scholen en in de media bespreekbaar moeten worden. Een aantal organisaties, waaronder hetInstituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies (niod), doet sinds 2017 onderzoek naar extreem geweld tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië, maar voor Bloem voldoet dat niet. ‘Het is veel te laat en te weinig. Het gaat niet alleen om oorlogsmisdaden, deze geschiedenis is veel complexer.’

Bloem verdiept zich al decennia in Nederlands-Indië en dat leidde ertoe dat haar beeld van het Indisch-zijn kantelde. Ze sprak uitgebreid met haar familie en vele, vele andere Indische Nederlanders, en tot haar verrassing waren haar gesprekspartners verre van zwijgzaam, zoals het cliché over hen wilde. Ze vertelden hun verhaal graag, maar werden eerder nooit gehoord. ‘Ze waren geen geboren zwijgers, ze leerden zwijgen.’

Voor de meesten begint hun geschiedenis in de zeventiende eeuw in de kazernes in de archipel, waar Europese militairen inlandse meisjes gebruikten voor huishoudelijke taken en het bevredigen van hun seksuele behoeften. Als een man het ene meisje boven het andere verkoos, mocht ze slapen op een matje onder zijn bed, dat met het oog op overstromingen op palen stond. In die kleine ruimte, tussen de palen, werden heel wat eerste generatie Indische kinderen geboren. Indo-Europeanen werden ze later genoemd, vaak afgekort tot ‘Indo’.

Dat deze praktijken lang doorgingen, blijkt uit het verhaal van Bloems grootmoeder Emma. Ze werd rond de vorige eeuwwisseling in Atjeh geboren, onder het bed van haar vader, een Pools-joodse man die zich had aangesloten bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (knil). Oma Emma vertelde Bloem dat haar Javaanse moeder een soort slaaf van haar vader was en geregeld slaag kreeg. In een gemengde relatie gold dat als de vrouw werd verstoten, of de man overleed, de kinderen naar het weeshuis moesten. Ze mochten niet in de cultuur van de moeder opgroeien.

Gaandeweg ontstonden ook buiten de kazernes seksuele betrekkingen tussen Europeanen en de oorspronkelijke bevolking. Steeds meer Nederlandse mannen trokken op met de lokale bevolking, ze liepen op blote voeten, droegen luchtige kleding en spraken Maleis. Sommige mannen stichtten een heel gezin met een inheemse vrouw. Trouwen was verboden of mocht alleen onder voorwaarden, maar er waren mannen die hun nakomelingen ook los van een huwelijk erkenden. Andere mannen deden alsof hun kinderen niet bestonden.

Toen het aantal Nederlandse vrouwen in de kolonie in de negentiende eeuw steeg, verdween de normaliteit van dit soort relaties, waardoor de term Indo-Europeaan een negatieve klank kreeg. De Nederlandse vrouwen keken op Aziatische vrouwen neer en hun kinderen van gemengde afkomst vormden een probleem. De ‘mestiezen’ waren het zichtbare bewijs dat de scheiding tussen de ‘superieure’ kolonialen en de ‘domme’ plaatselijke bevolking was doorbroken, aldus Bloem in haar Anton de Kom-lezing.

Geeft Multatuli een beeld van Nederlands-Indië? ‘In de Max Havelaar bestáát de Indo niet eens’

Wie hogerop wilde komen, moest zo Nederlands mogelijk worden. Dus was het zaak om perfect Nederlands te spreken en om die reden werd oma Emma naar een nonnenklooster gestuurd, waar ze naakt of geblinddoekt werd opgesloten als ze de taal van haar Javaanse moeder sprak. Bovendien gold: hoe witter, hoe beter. Was een baby te bruin uitgevallen, dan was er sprake van een ‘terugslag’ en slonken de kansen van de pasgeborene op een goed leven.

Bloems moeder was een dochter van Emma – zij was in het gezin het donkerste kind. Het betekende dat ze kippen leerde slachten en plukken, omdat ze later vermoedelijk geen rijke huwelijkspartner zou krijgen en dus geen bedienden. Een andere dochter van oma Emma was blond en stond na schooltijd op de tennisbaan. Bloems moeder leeft nog, ze werd onlangs negentig jaar. Toen Bloem haar vorig jaar vroeg wat het Indisch-zijn voor haar betekende, antwoordde ze ondanks haar dementie: ‘Dat je je niet hoeft te schamen omdat je Indisch bent.’

Bloem wordt fel als ze het hierover heeft. ‘Die schaamte zat er bij de Indo-Europeaan diep in. Ook al was je nog zo wit, in Nederlands-Indië leerde je dat je een bruintje was en dat je in de hel kwam. Op scholen, in weeshuizen, overal kreeg je dat te horen. Mijn oma vertelde me dat ze in het klooster soms zomaar werd geslagen, ze wist niet waarom. Ze leerde: ik ben hoe dan ook fout. Wat creëer je voor mensen?’

In haar lezing zei Bloem dat welgestelde Indo-Europeanen de vooroordelen, racistische voorkeuren en minachting voor nota bene hun eigen bevolkingsgroep van de Nederlanders overnamen. ‘Ze wilden niets met de familie in de kampong te maken hebben, luisterden niet naar krontjongmuziek, maar studeerden nocturnes van Chopin in.’ En: ‘Ambitieuze Indischen wilden liever niet met andere Indischen omgaan, en zeker niet met Indischen die tot een lagere sociale klasse behoorden.’

Zo raakten de Indo-Europeanen verdeeld. Er was ruwweg sprake van twee groepen: hoge ambtenaren en officieren behoorden tot de grote Boeng, iedereen eronder behoorde tot de kleine Boeng en vervolgens waren er nog allerlei subgroepen. Het gevolg was dat iedereen in Nederlands-Indië, van elke kleur en stand, met een ‘trapje’ in zijn hoofd leefde. ‘Je zag jezelf altijd op een trede staan, je likte naar boven en trapte naar onderen. Deed je dat niet, dan kwam je niet verder’, zegt Bloem.

Indonesië werd in 1949 onafhankelijk en rond die tijd kwamen zo’n 330.000 Indo-Europeanen naar Nederland, die voortaan Indische Nederlanders heetten of nog steeds ‘Indo’s’. Bloems ouders voeren in december 1950 de Rotterdamse haven binnen en zagen tot hun verbazing dat witte werknemers het zware werk deden. ‘Blanke koelies’, zoiets hadden ze nog nooit gezien.

Al snel bleek dat hier geen plaats was voor hun verhaal. De Tweede Wereldoorlog was net afgelopen en Nederland was druk met de wederopbouw. Los daarvan was het geen tijd waarin lastige zaken openlijk werden besproken. De moord op ruim honderdduizend joodse Nederlanders was nauwelijks een onderwerp, laat staan dat wat in een verre, verloren gegane kolonie was gebeurd.

Dit was de basis van het grote Indische verdriet: de Indische Nederlanders hadden in de kolonie hun best gedaan zo Nederlands mogelijk te worden, maar in Nederland bleek nauwelijks iemand van hun bestaan te weten. In 1983 zou Bloems vader in een interview vertellen hoe hij begin jaren vijftig voortdurend pijnlijke vragen kreeg over waar hij vandaan kwam en wat hij in Nederland kwam doen. ‘Je bent niet Nederlands, je bent Chinees’, kreeg hij te horen. Indische Nederlanders voelden zich vaak als oud vuil op straat gezet.

Max Havelaar

Tja, wat kwamen Bloems ouders in Nederland doen? Zoals zoveel Indische mannen had haar vader jarenlang voor de Nederlanders gevochten. Op zijn zestiende dwong zijn Nederlandse stiefvader hem te tekenen voor het knil en om die reden namen de Japanse bezetters hem tijdens de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangen. In 1944 werd hij met meer dan zevenduizend mensen op het schip de Junyo Maru gepropt, dat hen van Java naar Sumatra moest brengen. Vlak bij Sumatra, op 18 september, torpedeerden de Britten de boot, waarna bijna zesduizend opvarenden verdronken. Bloems vader overleefde door in zee twaalf uur lang aan een stuk hout te hangen.

Op Sumatra werkte hij aan de Pakanbaroe-spoorweg, waarbij 26.000 mensen door geweld en uitputting omkwamen. In het interview uit 1983 wilde Bloems vader nog steeds niet praten over de verschrikkingen die hij meemaakte. Na de oorlog ontmoette hij in toenmalig Batavia een Indisch meisje dat later zijn vrouw zou worden en nog later de moeder van Marion Bloem. Het meisje had de oorlog doorgebracht in een jappenkamp, waar ze harde klappen had gekregen omdat ze weigerde te buigen voor de Japanners.

Na de oorlog maakten Bloems ouders de vrijheidsstrijd van Indonesië mee, en de bloedige reactie daarop van Nederland, dat weigerde zijn kolonie op te geven. Bloems vader zat bij het knilen stond daarmee aan de kant van de Nederlanders, tegenover de vrijheidsstrijders. Toen Indonesië zich in 1949 eindelijk uit de Nederlandse greep had bevrijd, kozen veel Indische Nederlanders voor vertrek naar Nederland, omdat ze hun leven niet zeker waren. Ze werden gezien als heulers met de vijand.

Bloems vader had nog wel willen blijven, maar met het oog op de toekomst van hun kinderen koos haar moeder voor Nederland. Net als de meeste andere Indische Nederlanders kwamen ze hier terecht in een reeks tijdelijke onderkomens. Bloems ouders trokken in tweeënhalf jaar langs zeven pensions. Haar ouders zaten in 1952 nog steeds in een pension toen zij in een kraamkliniek in Arnhem werd geboren.

Het Indische verdriet werd Marion Bloem ‘met de rijstlepel’ ingegoten. Ze merkte dat haar ouders’ ervaringen ook jaren na hun aankomst in Nederland niet werden erkend. Ze moesten blijven uitleggen waar ze vandaan kwamen en wat ze in Nederland deden. Het gevolg was dat ze zich hier nooit echt thuis voelden, wat gold voor een groot deel van de eerste generatie Indische Nederlanders. Maar er was ook geen land waarnaar ze terug konden.

Al op de middelbare school merkte Bloem dat de meeste Nederlanders de waarheid over het koloniale verleden niet kenden. Ze kreeg te horen dat de boeken van Multatuli en Hella Haasse een beeld gaven van Nederlands-Indië, maar zelf herkende ze zich er totaal niet in. ‘In de Max Havelaar bestáát de Indo niet eens’, zegt ze.

Indische Nederlanders van de tweede generatie waren over het algemeen al even onwetend over het koloniale verleden – sommigen omdat ze zich afsloten voor het leed van hun ouders en nooit vragen stelden. Dat Bloem zich er vanaf de jaren tachtig als schrijver en documentairemaker wel in verdiepte, kwam door haar studie psychologie en haar man Ivan die haar liet inzien dat ze een uniek verhaal te vertellen had.

Meteen stuitte ze op weerstand. Mogelijke subsidieverstrekkers voor haar documentaire Het land van mijn ouders zeiden tegen haar: ‘Waarom wil je dit toch allemaal oprakelen?’ Het manuscript van Geen gewoon Indisch meisje was volgens een uitgever pas interessant voor publicatie als ze het wat nostalgischer maakte. Ook uit de Indische gemeenschap kwamen kritische geluiden. ‘Ach ja, ook veel kinnesinne’, zegt Bloem.

In wezen is er volgens haar nooit iets veranderd. De meeste Nederlanders weten amper iets over de achtergrond van Indische Nederlanders. Wie er op 15 augustus worden herdacht; ze hebben geen idee (de slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië). Het gebrek aan erkenning leidde ertoe dat sommige Indische Nederlanders jaloers waren op de behandeling van latere nieuwkomers. Die werden niet in pensions weggestopt en voor hun problemen bestonden subsidies.

Intussen leeft het ‘trapjesdenken’ voort, aldus Bloem, evengoed onder Indische Nederlanders. Voor dat laatste verwijst ze naar ‘politici die zich op de rechterflank bewegen’ – ze wil liever geen namen noemen en benadrukt dat ook veel Indo’s in de politiek aan de linkerkant en in het midden zitten. Niettemin: Baudet en Wilders hebben een Indische achtergrond, dat is algemeen bekend. ‘Ik heb medelijden met ze’, is alles wat ze over hen kwijt wil, ‘omdat ze zoveel behoefte hebben zichzelf te bewijzen over de ruggen van hele bevolkingsgroepen heen. Ik wil ze niet meer eer geven. Het is al erg genoeg dat ik niet om hun namen heen kan.’

Er bestaat geen Indische cultuur, zei ze jaren geleden al, er zijn alleen overblijfselen van een tijdperk waarin racisme, grove ongelijkheid en onrechtvaardigheid normaal waren. Waarom zou ze zichzelf nog Indisch noemen? Ze koestert alleen het goede dat ze van haar ouders heeft meegekregen: de levensvreugde, de muziek, de danslust, het samen eten, de familieband. ‘Maar of dat typisch Indisch is weet ik niet. Ik heb het bij meer mensen gezien die moesten overleven in een nieuw land. Het zit in veel culturen. Laten we daarvoor openstaan.’


Het publieke debat is verhard en gaat steeds sterker om loyaliteit aan gelijkgestemden. In de serie Voorbij het eigen gelijk kwamen mensen aan het woord die zich met liefde buiten de eigen groep wagen