Herman Koch op 36-jarige leeftijd in 1989, het jaar waarin zijn romandebuut verscheen © Dirk Buwalda / MAI

Nooit vallen de schellen je zo pijnlijk en definitief van de ogen als wanneer je erachter komt dat volwassenen ook maar mensen zijn. Mislukte, verdrietige mensen, bijna dieren zelfs, die naar hun instincten handelen en helemaal geen wijsheid in pacht hebben. Dat besef kan je tot woede drijven, tot rebellie, bijna tot waanzin, als je er niet de humor van in weet te zien. In Red ons, Maria Montanelli wordt afgerekend met de vogelspottende, krantenlezende, onsjes kaas kopende, rijke of arme, oude of jonge, zuipende, hopeloze figuren die volwassenen heten, met hun zielige hobby’s en beroepen en hun zinloze levensopvattingen. Daarachter gaat een nog hopelozer besef schuil: dat we daar allemaal zullen eindigen. ‘Het is te erg om over na te denken op welke vreselijke manieren je allemaal oud kunt worden.’

Red ons, Maria Montanelli was het romandebuut van Herman Koch. Het verscheen in 1989, Koch was 36. De naamloze verteller is een magere klassenclown die onmiskenbaar slim en charismatisch is maar op school niet wil deugen. Hij heeft een afkeer van alles wat pretentieus is, van de opgeprikte delicatessenwinkels in zijn buurt tot de goedbedoelde onderwijsfilosofie van zijn school, het Montanelli Lyceum (gebaseerd op het Montessori Lyceum in Amsterdam). Hij vertelt met veel zijsporen het verhaal van Jan Wildschut, een meelijwekkend ‘zwakbegaafd’ klasgenootje, permanent uitgerust met sjaal en wanten, die noodlottig aan zijn einde komt tijdens een schoolreisje. Gaandeweg komen we erachter dat de moeder van de verteller net dood is, en zijn vader al gauw is overgelopen naar een gefacelifte weduwe met wie hij al jaren vreemdging.

Genoeg ellende dus, maar het leed verdwijnt bijna op de achtergrond omdat het zo grappig is, door de ogen van de verteller wordt het wereldje een soort circustent vol absurditeiten. Hij vindt alles maar dan ook alles belachelijk, en de quasi-slordige, ratelende monoloog staat zo stijf van de hyperbolen dat het te veel had kunnen zijn, zij het dat de binnenkant van je hoofd precies zo klinkt als je een tiener bent. Het gevoel voor gerechtigheid, de overtuiging van je eigen gelijk en goede smaak, de verstikkende liefde en woede die je kunt voelen voor je ouders, je geboorteplaats, Het Systeem, de futiliteit van dit alles, kortom, het leven; zo’n vuur voel je nooit meer. Al een paar jaar later, kan ik nu zeggen, komt er vaseline over de lens, verkeer je al niet meer in de waan dat je alles beter weet, en zak je weg in datzelfde systeem.

Koch levert een grappige maar scherpe kritiek op de sfeerverpestende welvaart in Amsterdam-Zuid die sinds dit boek verscheen alleen maar sfeerverpestender geworden is. In de ultieme verwoesting die hij zijn buurt toewenst, fantaseert hij over een terugkeer naar armoede die zijn buurtgenoten zou dwingen om op een fiets met houten banden om aardappelen te bedelen. Maar nog het sterkst gaat dit boek over het trauma dat de middelbare school heet. Wat het nu precies is waarom de middelbare school zo’n indruk op je maakt, dat is moeilijk om uit te drukken. Ieders middelbare school is een microkosmos met een eigen magnetisch veld dat niet te begrijpen is voor buitenstaanders. Op mijn leeftijd kun je eigenlijk pas nét over je schouder kijken en opgelucht ademhalen omdat je er op het nippertje aan bent ontsnapt. De microkosmos Montanelli zit vol met Amsterdamse elitekinderen. Schrijverskinderen, kinderen van ouders uit de ‘zogenaamde theaterwereld’, kinderen van kunstenaars die in ‘galmende volzinnen’ spreken, kinderen van wie juist de allersjiekste ouders midden in de week hun roes liggen uit te slapen. Hoe lethargisch, zelfingenomen en wereldvreemd die kinderen daarvan worden, omdat ‘het gewoon niet te doen is om voortdurend die hete adem van het ontzettend creatief moeten zijn in je nek te voelen hijgen’, daar zal menig Amsterdams elitekind zich met schaamte in herkennen.

Dat specifieke wrange mengsel van oprechtheid en spot, van hoop en wanhoop, dat is de jeugd in een notendop

Bij de lessen Engels lezen ze Alice in Wonderland, en het Montanelli Lyceum is dan ook het best zo te beschrijven: een groteske fantasiewereld waar de verteller met verbazing rondloopt. De docenten zijn stuk voor stuk op hun eigen manier knettergek, vindt hij. Wat een karikaturen die mensen! Karikaturen die blijkbaar ook nog eens om de zoveel jaar gerouleerd worden, want al die docenten heb ik dertig jaar later precies zo gekend, zoals de docent Engels met ‘grote worteltenen’, een ‘hele omgevallen groentestal’ in zijn sandalen. Ook ik had een docent die altijd op sandalen liep, met wie ik geen gesprek kon voeren zonder naar zijn gruwelijke opgezwollen tenen te kijken, trommelstoktenen had hij, die krijg je als je iets aan je hart hebt dus bij deze sorry dat ik erover begonnen ben. Maar ik bedoel maar: ‘Ja, je kunt je soms veel meer herinneren dan je zelf zou willen’, schrijft Koch, en dat geldt al helemaal voor de middelbare school. Wat een lichtgevoelige plaat ben je op die leeftijd, alles laat voorgoed vlekken achter. Dat heeft Koch echt goed begrepen.

Jeugd in opstand

Steeds nadrukkelijker lijkt de jeugd tegenover de oudere generaties te staan – als het gaat om coronamaatregelen, de huizen- en arbeidsmarkt, liefde en seks. Of is die kloof van alle tijden? Deze zomer herleest Groene boeken waarin de jeugd rebelleert, zoals De avonden, The Catcher in the Rye, Die Leiden des jungen Werthers en The Country Girls

Toen ik een braaf meisje op het Erasmus College (zoals dat in het boek heet) was, keek ik met gefrustreerd onbegrip naar de klassenclowns, de deugnieten, de verziekers van schoolreisjes en halers van vijfjes die tóch, en dat was het oneerlijkste van alles, die tóch de lievelingen waren van de docenten, die jongens die altijd te laat waren en hun tas kwijt en die alles weer goed maakten met een ontwapenende glimlach. Ik liet ze van mijn proefwerken afkijken, maar wat haatte ik ze! Tot ik Red ons, Maria Montanelli las, waarin de verteller alleen maar vindt dat ‘als anderen voor jou hebben bedacht wat je leuk moet vinden, dan kun je gewoon geen adem meer halen, dan adem je de tweedehands lucht in van mensen die precies weten wat goed voor je is, en dat is het verschrikkelijkste soort dat er bestaat’. Uiteindelijk wordt de verteller na het incident met Jan Wildschut uiteraard van school gestuurd, zoals ook drie jongens bij mij van school gestuurd werden, wegens het sjoemelen met cijfers in het computersysteem, waarbij ik destijds dacht: net goed. Maar toen las ik dit boek en dacht ik jezus, ze hadden gelijk. Broodnodig verzet was het geweest. Zij die het belachelijke konden zien en de grenzen durfden aftasten van die school, die bizarre school en daarmee de hele volwassen wereld, waren slimmer dan alle brave meisjes bij elkaar.

Het gaat misschien ver om iets na dertig jaar al tijdloos te noemen (en veroudering is onvermijdelijk, in 1989 was bijvoorbeeld zalm nog best een luxe volgens mijn ouders!) maar dit boek blijft overeind staan, hoeveel verschillende Blauwe maandagens het ook zullen proberen te overtreffen. En geef de Grunbergs eens ongelijk: als ik Red ons, Maria Montanelli meteen bij verschijning had kunnen lezen, had ik ook meteen zin gekregen om Blauwe maandagen te schrijven.

Dat dit genre als ‘nihilistische satire’ op de klassiekerslijst belandt, is alleen een misverstand. Je zou Red ons, Maria Montanelli ironisch gedistantieerd kunnen noemen, maar dat is het gewoon niet. Dat is het nou precies met dit soort personages, de Holden Caulfields van de wereld – ze staan er helemáál niet boven. De verteller lijkt op het eerste gezicht genadeloos kritisch. Ook de collectieve fixatie op zielenroerselen en psychische aandoeningen – ‘De hele buurt zat al tot aan zijn nek in de therapie’ – ziet hij als niet meer dan een welvaartsverschijnsel. Hij walgt van alles dat verslapping en hulpeloosheid verraadt, en nog meer van goedbedoelendheid en behulpzaamheid, die in zijn ogen altijd vals zijn. In Jan Wildschut ziet hij de vleesgeworden betutteling, en dat maakt hem een doelwit. Maar nauw verholen door spot en ironie grijpt het empathisch vermogen de verteller naar de keel en dreigt hem te verzuipen in (zelf)medelijden. Niet een gebrek aan gevoel maar een teveel aan gevoel maakt hem wanhopig wanneer hij zijn moeder een laatste keer op haar hete wangen kust, wanneer hij zijn vader uitzwaait die bij zijn minnares gaat wonen, als Jan Wildschut met die ellendige wanten aan probeert uit Alice in Wonderland voor te lezen en wanneer hij beseft dat zijn dronken geschiedenisleraar iedere avond in z’n eentje moet doorbrengen. Van gekkigheid weet hij niet wat hij moet, en hij biedt hem aan om af en toe met hem te komen schaken. De verteller kan het verdriet van de wereld niet aan, het besef dat er niemand achter het stuur zit, ook de volwassenen niet. Er moet tegen dat verdriet aan geschopt worden, alleen dan is het draaglijk.

En zo eindigt de tirade ook. Niet met spot maar de oprechtheid die er net naast ligt. De verteller, die altijd het hoogste woord heeft, kan alleen maar verlangen naar stilte, eindelijk stilte, een stomme film die eindigt met de tekst: ‘Hij heeft zijn hele leven nog voor zich.’ Ja, hij grapt, hij spuugt die dooddoener van een laatste zin uit, een gruwel van een banaliteit, maar ergens voelt hij het écht. Dat is de jeugd dan ook in een notendop, dat specifieke wrange mengsel van oprechtheid en spot, van hoop en wanhoop.