Het Trotteldromsyndroom

De laatste tijd denk ik vaak aan het monster van Trotteldrom. Bijvoorbeeld als ergens een groep hooligans ‘daar moet een piemel in!’ scandeert. Maar ook als er literaire prijzen vallen, als ik discussies in kranten volg, of als ik Twitter bekijk: het monster van Trotteldrom is overal.

In de brugklas van het gymnasium besteedde de lerares Nederlands er eens een vol uur aan, dat beduidend meer indruk op me heeft gemaakt dan Van den vos Reynaerde.

Onze klas was nogal een lastige, met veel gevecht en geklier, en dat kwam volgens die docente niet omdat we individueel nu zulke ontiegelijke takkelijers waren, nee, alleen als groep veranderden we in een monster. Net zoals het monster dat in het boek van Marten Toonder de Trotten bedreigt. Dat blijkt uiteindelijk ook – spoiler alert – niets anders te zijn dan een drom Trotten, zoals de slimsten onder ons reeds uit de naam zelve hadden kunnen opmaken.

Kijk naar die beelden van die inspraakavond over vluchtelingenopvang in Steenbergen (‘daar moet een piemel in!’), en je ziet het letterlijk gebeuren. Het beste is om de beelden langzaam en zonder geluid af te spelen. Daar zitten ze: twee vrouwen, aan de rand van de groep schreeuwers, eerst nog wat beduusd, maar dan stoten ze elkaar aan, beginnen mee te klappen, net als andere omzittenden, en dan staan ze op, om met hun ritmisch stotende vuisten de stelling van Tom Poes te bewijzen: ‘Een menigte wordt altijd een monster dat ervan houdt dingen kapot te maken en zo.’

De Amerikaanse psycholoog Salomon Asch deed zestig jaar geleden een befaamd experiment. Een groep proefpersonen moest op een kaartje met drie lijntjes aangeven welke even lang was als het lijntje op een wisselend rondgedeeld kaartje. Fluitje van een cent. Behalve dan dat een groot deel van de groep in het complot zat en opzettelijk het verkeerde antwoord gaf. Driekwart van de proefpersonen herzag de eigen waarneming en paste zich aan aan de meerderheid.

Het is grappig om die kaartjes in gedachten te vervangen door boeken. En de deelnemers rond die tafel door literaire critici en academici, plus een verdwaalde BN’er uit het elitairdere segment.

Driekwart zou dus in staat zijn de eigen afwijkende mening aan te passen aan wat de andere fijnproevers vinden. En zo onvoorstelbaar is dat niet. Wie kent niet die situatie dat je in een kringetje borrelaars je enthousiasme over een film of roman ineens wat afzwakt als je merkt dat de rest die ronduit prut blijkt te vinden. ‘Nou ja,’ zeg je dan, ‘in z’n genre is het best oké.’

Ineens zie je volwassen deelnemers elkaar kusjes toeblazen als sociale beloning

Naar de hel met het genre! Als je iets goed vindt moet je er verdorie voor opkomen! Maar hoe slim en intellectueel we ook zijn, we ontkomen niet aan het Trotteldromsyndroom. Dat leerden wij in de brugklas van het gymnasium al. De verklaring die de psychologie ervoor geeft ligt voor de hand: we willen dolgraag aardig gevonden worden door de groep. Conformistisch stemmen geeft een sociale beloning.

Mijn indruk is dat het Trotteldromsyndroom als een kleine epidemie over ons land raast. Al die discussies over Zwarte Piet, over racisme, over white privilege, over vluchtelingen en over de islam hebben soms iets weg van een sociaal gezelschapsspel. Dat spel draait om ‘issues’ die louter in het leven lijken te zijn geroepen om de deelnemers in de gelegenheid te stellen om te markeren bij welke groep ze horen of graag willen horen.

De naam van dat gezelschapsspel heet ‘#ophef’, waarbij de naamgevers en deelnemers die hashtag zelf al als een soort ironieteken gebruiken, om, heel tongue in cheek, aan te geven dat niet zíj het zijn die zich aan die malligheid te buiten gaan, maar dat het het monster van Trotteldrom is dat ophef en brand schreeuwt.

Bij elke kwestie die voor dit spel geschikt is – dat wil zeggen: elke kwestie waar morele verontwaardiging over mogelijk is, en waar slachtoffers en beulen zijn aan te wijzen – hoef ik eigenlijk geen columns of tweets meer te lezen, want van iedereen weet ik inmiddels op voorhand wel ‘waar ze staan’. Ik hoor liberale vrienden zich rechtser uitdrukken dan ik van ze gewend ben en linkse idealisten feller en stelliger tekeer gaan dan ze volgens mij zelf willen.

En zo is de opinie langzaamaan veranderd in contributiegeld. Op Twitter wordt dat sinds kort heel kenmerkend zichtbaar door hartjes (‘vind-ik-leuk’) die de sterretjes (‘favoriet’) vervingen. Infantieler dan de Facebook-duim: ineens zie je volwassen deelnemers elkaar kusjes toeblazen als sociale beloning.

Wie er gelijk heeft doet er minder toe. Bij Toonder trekt professor Prlwytzkofsky de conclusie: ‘Goed is wat de meerderheid denkt, slecht is wat de minderheid denkt.’ Maar dat blijkt nu juist een minderheidsstandpunt.

Alle Kretenzers liegen, maar god wat hebben ze een lol met elkaar.