Het turing-eindspel

Zijn hele leven lang werd de Britse wiskundige Alan Turing gezien als een digitale Don Quichot. Pas met Gari Kasparovs nederlaag tegen Deep Blue zijn zijn profetieën over de triomf van de artificiële intelligentie realiteit geworden.
MET EEN HAP van een in cyanide gedompelde appel maakte de Britse wiskundige Alan Mathison Turing op 7 juni 1954 een einde aan zijn steeds noodlottiger geworden bestaan. Hij was pas 41 jaar. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had hij een extreem belangrijke bijdrage aan de geallieerde overwinning geleverd met de ontwikkeling van een oercomputer die het complete Enigma-coderingssysteem van de Duitse U-Boot-vloot en Luftwaffe wist te ontcijferen. Na de oorlog viel hij niettemin toch in ongenade bij het Britse establishment. De reden: zijn onverbloemde homoseksualiteit en compromisloze vrijdenkerij. In 1953 werd Turing in Manchester beschuldigd van ‘vulgair en onfatsoenlijk gedrag’, en veroordeeld tot een jaar farmaceutische behandeling met oestrogeen, ter beteugeling van zijn libido. Het kwam feitelijk neer op chemische castratie.

Door zijn vroege dood zou Turing de vervolmaking van de wetenschap missen waarvoor hij zelf de fundering had gelegd: de creatie van een machine die op zijn minst kon wedijveren met het menselijk brein, en dit op zijn best op alle terreinen zou overvleugelen.
HET VRAAGSTUK van de artificiële intelligentie had Turing zijn leven lang gefascineerd. In 1936 publiceerde de aan het fameuze King’s College te Cambridge en aan Princeton opgeleide wiskundige zijn artikel On Computable Numbers, with an Application to the Entscheidungsproblem. Het was een revolutionair betoog, waarmee Turing de grondslagen ontvouwde van wat we nu de computer noemen. Turing beschreef een machine (in de literatuur wordt die nog altijd de Turing-machine genoemd) die langs algoritmische weg een in principe oneindig aantal gegevens kon bewerken. Turings bevindingen waren extreem belangrijk voor de theoretische informatica, de logica en de taalkunde, en vormden in feite een Big Bang in de ontwikkeling van computertechnologie. Zijn avantgardistische theorieën zetten collega’s op het spoor van ontdekkingen die zij vervolgens als de hunne presenteerden, terwijl ze in werkelijkheid voor het volle pond schatplichtig waren aan Turing.
De grootste openbaring van Turing was wat de universele Turing-machine werd genoemd. In deze theorie blikte de wiskundige vooruit naar een denkende machine die in principe bij alle denkbare logische processen kon worden ingezet - een apparaat dat kon schaken, cryptografische coderingen kraken en algebrasommen maken. Tegenwoordig kijken we van dat idee van zo'n supercomputer niet eens meer op, toentertijd gold het als een staaltje van excentrieke luchtfietserij van een totaal van de werkelijkheid afgesneden mad scientist.
In zijn biografie Alan Turing: The Enigma maakt Andrew Hodges het zeer aannemelijk dat Turing bij zijn onvermoeibare queeste naar de vervolmaking van kunstmatige intelligentie in zijn eerste actieve jaren werd gedreven door een bijkans religieuze drift. In 1930 was zijn studievriend Christopher Morcom overleden, en getroffen door de leegte die deze achterliet zou Turing als een bezetene gaan zoeken naar een methode om individuele intelligentie uit de wetten van het aardse bestaan te tillen. In die zin zou Turing kunnen worden omschreven als een wiskundige Orpheus. Turing was op zoek naar de wortels van het bestaan.
Ook in zijn levenslange passie voor de biologie, die gestalte kreeg in zijn verhandeling The Chemical Basis of Morphogenesis, werd Turing gedreven door dezelfde honger naar kennis over hoe de schepping in elkaar zat. Als een kruising tussen een middeleeuwse alchimist en dokter Frankenstein was Turing op zoek naar een methode om met behulp van de moderne kwantummechanica iets te creëren dat door de vrije wil werd gestuurd. De uitkomst van zijn onderzoek stuurde hem in de richting van een compromisloos atheïsme, hetgeen hem ook al de nodige vijanden bezorgde.
ZOALS GEZEGD beleefde Turing zijn finest hours tijdens de oorlogsjaren. In het opperste geheim was hij in Bletchley Park, dichtbij Cambridge, actief voor de Britse crypto-analytische dienst, de zogeheten Government Code en Cypher School. Geassisteerd door zijn Cambridge-studiegenoot W.G. Welchman en de Britse schaakgrootmeester C.H.D.O. Alexander presideerde Turing over afdeling Hut 8 van het inlichtingencentrum. Hier kreeg de hypernerveuze, immer nagelbijtende geleerde alle financiële mogelijkheden om zijn theoretische bevindingen in de praktijk om te zetten.
De inzet van het project was de ontcijfering van de gecodeerde boodschappen van het Duitse militaire apparaat. De nazi’s beschikten over een soort computer avant la lettre, Enigma genaamd, die dagelijks nieuwe coderingssystemen uitbraakte, waardoor de geallieerde inlichtingendiensten aanvankelijk met de handen in het haar zaten. Weliswaar had de Poolse inlichtingendienst al belangrijke stappen gezet in de ontwikkeling van een apparaat dat door de versleutelingen van Enigma heen kon breken, maar dit apparaat - Bombe genaamd - stond nog in de kinderschoenen. In Bletchley Park zette Turing zich aan de vervolmaking van die machine. Later ontwikkelde hij Colossus, een rekenmachine met radiobuizen, die door velen wordt gezien als de eerste elektronische computer. Eind 1940 werd het eerste succes geboekt: Turing was erin geslaagd signalen van de Duitse luchtmacht te ontcijferen. Later lukte dit ook met de boodschappen van Hitlers U-Booten.
Colossus stelde Churchill en zijn militaire staf overigens wel voor levensgrote problemen. Zo decodeerde Colossus een bericht van de Luftwaffe over het voornemen tot het platbombarderen van Coventry. De stad werd echter niet ontruimd, uit angst dat de Duitsers anders zouden weten dat de Enigma-codering was gebroken.
Oercomputers waren dus ook tijdens de Tweede Wereldoorlog al van het allervitaalste belang. Er woedde de hele oorlog lang een soort pre-digitale zenuwenoorlog. Hierover schreef verleden jaar de succesvolle Britse thriller-auteur Richard Harris een aanbevelenswaardig boek: Enigma.
Deze week werden er in Groot-Brittannië geheime regeringsdocumenten uit de oorlog vrijgegeven waaruit blijkt dat Turings dienst al in de zomer van 1941 gecodeerde berichten van de Duitse Wehrmacht had weten te onderscheppen en ontcijferen over massale moordpartijen op joden in Rusland. Turing, die zich al voor de oorlog nadrukkelijk solidair had verklaard met de joodse slachtoffers van de nazi’s, hield zijn militaire superieuren zeer nadrukkelijk op de hoogte van het verloop van massa-executies. Die dorsten de informatie echter niet te gebruiken, zo luidt het verhaal, omdat de Duitsers anders wederom hadden kunnen ontdekken dat hun Enigma-computer was gekraakt.
NA DE OORLOG werd Turing hoofd van het National Physical Laboratory, waar hij werkte aan een opvolger van Colossus. Hier werkte hij aan de ontwikkeling van de Automatic Computing Engine (ACE), een van de eerste pogingen om een echte digitale computer te construeren.
Het was in deze tijd dat hij de relatie tussen de natuur en computertechnologie begon te onderzoeken. In zijn artikel ‘Intelligent Machinery’ stelde hij dat artificiële intelligentie slechts een kwestie van tijd was, en ondernam hij een poging om de mensheid alvast op die komst voor te bereiden. Wederom werd hij in brede wetenschappelijke kring voor gek verklaard. Volgens Turing was het uur aanstaande dat machines het denkproces van het menselijk brein perfect konden nabootsen. Weliswaar waren er levensgrote verschillen in de de manieren waarop mens en machine tot hun bevindingen kwamen, maar de uitkomsten waren hetzelfde. Door denkende machines te ontwerpen kon de wetenschap verder komen in de analyse van het grootste geheim: de werking van het menselijk brein.
Al in 1944 had Turing zijn superieuren bij het ministerie voor Communicatie verontrust met verhalen over de mogelijkheden een 'brein te bouwen’, in de jaren vijftig wist hij dat de ontdekking van iets dergelijks in feite al gaande was. 'Het hele denkproces is nog steeds nogal mysterieus voor ons, maar ik geloof dat een denkende machine ons geweldig zal helpen om uit te vinden hoe we zelf denken’, zo verkondigde Turing.
IN 1950 INTRODUCEERDE hij de zogeheten Turing-test. De wiskunde, zo verkondigde Turing, beschikte niet over de middelen om de vraag te beantwoorden of machines konden denken. Dergelijke zaken moesten maar door filosofen worden uitgezocht. Voor de wiskundige beoordeling volstond de volgende test: een proefpersoon diende plaats te nemen achter twee terminals. De ene terminal werd bestuurd door een computerprogramma, de andere door een mens. De proefpersoon moest door het intikken van vragen uitmaken achter welke terminal een programma zat en achter welke een mens. Als de proefpersoon binnen een redelijke termijn geen onderscheid kon maken, dan kon er in de ogen van Turing worden gesproken van kunstmatige intelligentie. Turing voorspelde dat computers dit spelletje rond het jaar 2000 zo goed konden spelen, dat een gemiddelde proefpersoon minder dan zeventig procent kans had om binnen vijf minuten te ontdekken of hij met een mens dan wel een machine te maken had. In werkelijkheid was dit, voor specifieke programma’s, rond 1975 al het geval. De Turing-test wordt nog altijd beschouwd als de beste manier om te ontdekken of er sprake is van intelligentie bij een machine.
Met zijn heilige geloof in artificiële intelligentie kwam Turing steeds geïsoleerder te staan. De emoties liepen hoog op toen hij de wetenschap uitdaagde een examen te bedenken dat een computer niet met succes kon maken. Er was geen multiple-choice-examen denkbaar dat een computer niet kon maken, zo stelde hij. De tegenwerping van zijn opponenten dat een machine dan in ieder geval niet in staat was een essay te schrijven, werd in de jaren vijftig nog beschouwd als het ultieme argument tegen Turings enthousiasme. Ook deze tegenwerping is inmiddels achterhaald: sinds enige jaren is er software beschikbaar waarmee een computer creatief kan schrijven. Het enige wat de gebruiker hoeft te doen, is het aangeven van een paar sleutelwoorden.
Als Turing meer tijd van leven was vergund, had hij zijn eigen profetieën bewaarheid zien worden. Ook zijn theorieën over neurale netwerken - een soort zelflerende programma’s - zou hij bevestigd hebben gezien. Nu stierf hij als een verbitterde eenling, onbegrepen en onbemind.
IN FEITE IS het debat over artificiële intelligentie dat Turing al sinds de jaren dertig voerde, pas onlangs weer echt op gang gekomen, met de nederlaag van de Russische wereldkampioen Gari Kasparov tegen de IBM-schaakcomputer Deep Blue. Kasparov omschreef zijn (tweede) duel tegen Deep Blue voor aanvang van de partij als 'een strijd voor de menselijke waardigheid’, en sinds hij het strijdtoneel met vertwijfeld opgeheven handen heeft moeten verlaten, gonzen de media wereldwijd van het einde van een tijdperk, precies zoals Turing dat al in 1950 proclameerde. De schaakwereld, die de match Kasparov-Deep Blue aanvankelijk met alle vertrouwen tegemoet zag, moest diep door het stof.
En omdat de schaakgrootmeesters zich al sinds jaar en dag een hogepriesterachtige functie in het epicentrum van de menselijke intelligentie pleegt toe te dichten, kwam de klap extra hard aan. Momenteel regent het dan ook komplottheorieën over het verloop van de match, met name over de twijfelachtige rol die Kasparov zou vervullen als een soort dubbelagent van IBM. De Russische grootmeester zou de partij expres verloren hebben in een diabolische deal met de computergigant, die de waarde van de aandelen door Deep Blue’s overwinning in één klap zag vertienvoudigen.
Dat is tenminste de strekking van een column die de nationale schaakgrootmeester Hans Ree in NRC Handelsblad publiceerde, daags na Kasparovs nederlaag. Ree: 'Een goede vriend van Kasparov heeft me eens uitgelegd dat de wereldwijde publiciteit bij de match van vorig jaar tussen Deep Blue en Kasparov voor IBM een waarde van honderden miljoenen had. De koers van de aandelen was omhoog gesprongen in de week van de match. Je hoeft niet behept te zijn met ziekelijk wantrouwen om te denken dat als het om zulke bedragen gaat, totale openhartigheid en absolute eerlijkheid misschien te veel gevraagd is, zowel van Kasparov als van IBM.’
Inmiddels is deze sceptische zienswijze hard op weg gemeengoed te worden. Het is ook de meest luxueuze uitweg uit de dilemma’s die Deep Blue heeft (her)opgeroepen. Want Kasparovs nederlaag is wel degelijk dramatisch te noemen. Natuurlijk is deze grootmeester niet vies van een pecuniair aangedreven publiciteitscircus, maar hij is zakenman genoeg om zich te realiseren dat een nederlaag tegen een veredelde rekenmachine zijn marktwaarde bepaald niet ten goede zou komen. Weliswaar wordt dit probleem deels ondervangen door het besluit van IBM om Deep Blue niet tegen andere schakers te laten uitkomen, maar toch. Na zijn eerste partij tegen Deep Blue in 1996 - die hij met 4-2 won - was Kasparov weliswaar geïmponeerd door Deep Blue ('Ik heb God gezien’, verklaarde hij later), maar hij verkondigde luid en duidelijk de overtuiging dat geen haar op zijn hoofd twijfelde aan de suprematie van de menselijke creativiteit boven het rekenkundige spervuur van een computer. Bij het tweede treffen moest hij dan ook diep door het stof.
In interviews blijkt Kasparov inmiddels geheel bekeerd tot het gedachtengoed van Alan Turing. 'Wij schakers proberen voornamelijk de beste manier te vinden om het aantal fouten terug te dringen. De computer doet hetzelfde. Weliswaar op een erg eigenaardige manier, maar het uiteindelijke resultaat was dat het oordeel van de machine erg overeenstemde met dat van mij. Ik wist dat het zo was en de computer rekende het uit, maar wat maakt dat uit?’ Zo'n uitspraak is de Turing-test revisited.
IBM HEEFT INMIDDELS aangekondigd dat Deep Blue zal worden omgebouwd voor andere doeleinden. Net als Turings universele computer is de machine in principe in staat tot alles. De computerfabrikant noemt als mogelijke toepassingen weervoorspellingen, de schoonmaak van vergiftigde grond, het maken van financiële analyses voor het beurswezen, het ontwerpen van geavanceerde farmaceutische therapieën en het uitvinden van een nieuw soort auto’s. Even goed had de fabrikant natuurlijk chirurgisch nauwkeurige precisiebombardementen en meer van dat soort dingen kunnen noemen, maar in de reclame blijft men natuurlijk opbouwend van aard.
De kern van de zaak is dat er nu een kunstmatige manier bestaat om de menselijke intelligentie te reproduceren, en daarbij zijn er in feite geen grenzen meer. De Britse filosofe en psychologe Margaret Boden, schrijfster van het inmiddels klassieke Artificial Intelligence and Natural Man (1977), is ervan overtuigd de artificiële intelligentie op den duur ook het geheim van de menselijke creativiteit zal decoderen. Tijdens haar lezingen vertoont Boden dia’s en video’s van grafische kunstwerken die door computerprogramma’s zijn vervaardigd. Bodens stelling is dat met behulp van computers zal kunnen worden ontleed hoe zaken als 'intuïtie’ en 'creativiteit’ - heden ten dage nog met een romantisch waas omgeven - werkelijk functioneren. Tegen die tijd zal de lezer ook op de pagina’s van dit weekblad geen schrijfsels meer aantreffen van feilbare journalisten met deadline-koorts, maar volkomen doorwrochte beschouwingen van schrijfcomputers die alle boeken in de Koninklijke Bibliotheek op hun duimpje kennen en daarbij ook nog eens het stilistisch vermogen etaleren van Tolstoj, Hemingway en Flaubert tezamen. Tot dan toe blijft het behelpen.