T.C. Boyle, Drop City

Het tweebenige beest

T.C. Boyle

Drop City

Uitg. Bloomsbury, 445 blz., € 19,05

T.C. Boyle

Verloren nachten

Vertaald door Inge de Heer en Johannes Jonkers

Uitg. Anthos, 447 blz., € 24,90

De mens heeft een moraal nodig, religieus of niet, om zichzelf tegenover zijn omgeving en de natuur te rechtvaardigen én te verheerlijken. Als God dood is of geen rol meer speelt, als aan Hem geen geloof meer wordt gehecht, dient er een Ander te komen die het menselijk bestaan zinvol maakt. «Vandaar de cultus van het altru isme», schrijft Friedrich Nietzsche in Herwaardering van alle waarden. Maar dat altruïsme, het zich verregaand bekommeren om De Ander tot en met zelfopoffering, is in wezen een vorm van egoïsme omdat de altruïst zijn machts gevoel niet kwijt wil: de macht over de ander. Nietzsche is niet alleen meedogenloos over de «vrijdenkers» of de moralisten («ophangen!»), hij spaart de mens als soort ook niet. Die mens noemt hij een halffabrikaat, een «niet vastgesteld dier» en een gebrekkig wezen dat tussen geest en beest in zweeft. Zijn instincten schieten te kort, zijn angst dat de wereld geen zin heeft blijft hemelhoog. Nietzsche-kenner Rüdiger Safranski omschrijft het menselijk lot in Hoeveel globalisering verdraagt de mens? aldus: «Er is te weinig dwang en te veel vrijheid. Waar de natuur hem in de steek laat, moet hij, om te kunnen overleven, zijn evolutie in eigen hand nemen. Je kunt het ook zo formuleren: de mens is van nature op kunstmatigheid, dus op cultuur en civilisatie aangewezen.»

Nietzsche, Darwins evolutieleer en Henry David Thoreau’s mislukte «terug naar de natuur»-leer zijn nooit ver weg in de romans van T. Coraghessan Boyle. In zijn laatste, Drop City, neemt hij de lezer mee terug naar het hippietijdperk van 1970 en het communeleven in Noord-Californië. De goeroegevoelige maar in drank, drugs, «vrije liefde», psychedelische rockmuziek en een handvol cultboeken wegzinkende hippies willen na een eeuw Thoreau’s terugtrekkingstocht overdoen om aan de «plastic maatschappij» vol oorlog en burgerlijke complexen te ontkomen. Bezit is weer diefstal, bezitsdrang in de liefde kleinburgerlijk. Maar de pseudo-altruïstische hippies van de satirische verteller T.C. Boyle blijken niet op de hoogte van zijn boservaring, en hun communeproject loopt uit op rotzooi en stront. Als zij wegtrekken, een nieuwe illusie najagend in de vorm van de ongerepte wildernis van Alaska, mag de plaatselijke reinigings- en gezondheidsdienst de vervuilde «blokhut»-puinhopen opruimen.

Toen Thoreau zich in 1845 op Onafhankelijkheidsdag in een zelfgebouwde blokhut in het bos terugtrok en bewust wilde gaan leven om dichter bij de echte werkelijkheid — het memento mori én het carpe diem — te kunnen komen, merkte hij dat Moeder Natuur helemaal geen moeder was die om hem gaf. Zij troostte niet, zij bleef onverschillig, zij nam hem de verantwoordelijkheid voor zijn eigen bestaan niet uit handen. De stedelijke wildernis benauwde hem maar de natuur bevrijdde hem niet van zijn eigen verwarring, «het slijk en de drek van meningen, vooroordelen, van traditie, van misleiding en schijn…»

Net als Thoreau moeten Boyles hele- en halve-hippiepersonages na hun harde leerschool in de permafrost-natuur van de 49ste staat, Alaska, op hun schreden terugkeren. Die leerschool is snel beschreven. In tegenstelling tot de twee met elkaar en met de natuur in harmonie levende blokhutbewoners Pamela en Sess Harden (overleven betekent hard en volgens vaste regels en levenservaring werken) is de buslading hippies niet voorbereid op de ijskoude Alaska-natuur. Als de nood hoog wordt en het voedsel karig, spelen juist die karaktertrekken op die een voorbeeldige commune onwaardig zijn: hebzucht, wrok, afgunst, leugen, bedrog, verraad. Eén voor één vallen ze weg en verdwijnen ze: in de natuur, in een ziekenhuis, terug naar de bewoonde en «beschaafde» wereld.

De cultuur is de tweede natuur van de jagende en utopieën najagende mens. Men kan niet zomaar, na een paar trekjes van een joint, zijn karakter wissen en zijn ego op het mos en de modder achterlaten. De natuur kan dan wel «de hartslag van God», de eenheid van het zijn of het nirwana voorstellen in de naïeve belevingswereld van door en door gedrogeerde «bloemenkinderen», de illusie dat ze zomaar uit die «hele wankelende, gewelddadige, oorlogsgekke maatschappij» kunnen stappen, wordt tastbaar in de wildernis van Alaska, waar de commune en de plaatselijke bevolking allerlei culturele verschillen uitvechten tussen de roofdieren, de lustwezens en de hulpelozen. Tot er, na pogingen tot moord en doodslag, doden vallen en er voor sommigen in het dichte bos een open plek opdoemt.

Die open plek is nieuw in het werk van Boyle, dat het vooral moet hebben van een soepele narratieve stijl vol vileine humor en milde spot. Zie de mens ploeteren om zijn eigen achtertuin op orde te houden terwijl her en der het (innerlijke) onkruid alweer opschiet. Nee, de man is niet alleen een «naar seks hunkerende pels jager», een geestloze goudzoeker die de evolutie verstoort; de vrouw is meer dan moeder en maaltijdbereider. Maar wat is dat nietzscheaanse halffabrikaat dan? Een eeuwige evenwichtszoeker, schipperend tussen oorlog en vrede. Het «tweebenige beest» dat mens heet, blijft zorgen baren in T.C. Boyles Drop City.