Pockets

Het tweede leven

Piet Vroon e.a., Psychologie van de reuk

Onmiddellijk opzoeken: de paragraaf Reuk en seks en het prachtwoord «naso-genitale alliantie» ontdekken. Verder lezen dat «de inwendige bouw van de neus een zekere overeenkomst vertoont met de zwelorganen in de penis» en dat sommige mannen daarom gaan niezen bij het zien van een mooie vrouw. Dat vrouwen aftershave lekkerder vinden dan mannen, en mannen in verwarring raken van vrouwen die parfum op hebben en tegelijk formeel gekleed gaan. Dan de rest van Psychologie van de reuk lezen, over goede en slechte ruikers, zweetlucht, commerciële geurtjes, roken en een half verstopte neus — en je ruikt nooit meer als voorheen.

Flamingo pocket, 281 blz., € 8,05

Michel de Montaigne, Essays

Exempla zou een passende titel zijn geweest. Een groot deel van de «proeven» van Michel Eyquem, seigneur de Montaigne, bestaat uit voorbeelden van de deugd of ondeugd waarover het betreffende opstel handelt. Gaandeweg ging Montaigne persoonlijker schrijven: «Ik wil dat men mij in mijn gewone doen ziet, (…) want ik schrijf voor mezelf», schreef hij in zijn voorwoord. Soms wordt zichtbaar hoe hij die ongedwongenheid op zichzelf moest veroveren. Zijn essay Over droefgeestigheid bijvoorbeeld, begon aanvankelijk nogal afstandelijk: «Het verhaal gaat dat toen Psammenitus, de koning van Egypte, verslagen en gevangen genomen door Cambises…» In de tweede editie plaatste Montaigne er een losser begin vóór: «Ik behoor tot degenen die deze gemoedsaandoening het meeste hebben…» en in zijn aantekeningen voor de derde gaf hij eindelijk zijn gevoelens bloot: «Ik houd er niet van en heb er geen waardering voor…» Zo ontstond het essay als het intieme genre waarin latere schrijvers niet altijd maat wisten te houden. Bij Montaigne wordt het thema nog niet door de persoonlijkheid overwoekerd. Discretie behoedt de lezer bij deze aristocraat steeds voor plaatsvervangende schaamte. Noblesse oblige.

Boom paperback, 1351 blz, € 40,00

Jean Echenoz, Je m'en vais

«Persoonlijk begin ik een beetje genoeg van hem te krijgen, van die Baumgartner.» Een schrijver die op driekwart van zijn roman zoiets over een van zijn hoofdpersonen zegt, bezit een meer dan gemiddeld vermogen tot ironie. Jean Echenoz schrijft met bedrieg lijke nonchalance en dat is in Frankrijk niet vanzelfsprekend. Je m'en vais is thriller, roadmovie en onderkoelde zedenschets tegelijk, zonder Angelsaksisch te willen zijn. Misschien dankt Echenoz daaraan zijn populariteit. In ieder geval kreeg hij voor zijn negende roman in 1999 de Prix Goncourt, na zestien jaar eerder met Cherokee (Prix Médicis) te zijn doorgebroken. Kunsthandel, een reis naar de noordpool, oplichting en snel wisselende amoureuze liaisons zijn de ingre diënten van dit boek, dat lange tijd stuurloos lijkt maar met een geniale draai eindigt. De pocketuitgave heeft als bonus een lang interview met Echenoz, die nuchter vertelt over het schrijversvak, het leuren met het eerste boek, de omschakeling op de computer en de passie voor vreemde woorden.

Minuit, coll. «Double» nr. 17, 253 blz, € 11,40

Blackadder: The Whole Damn Dynasty. 1485-1917

Complete tekst van vier reeksen van zes Blackadder-uitzendingen, ofwel de geschiedenis van het Britse rijk in 24 scènes. Aangevuld met nuttige informatie over middeleeuwse geneeswijzen (Asthma: Cough mixture made of crushed leeches and garlic), de lijst van favorieten van Elisabeth I (Francis Budleigh: Short, choleric man with fierce hatred of beards, cattle, chewing-gum and bacon) en het achttiende-eeuwse Engelse klassenstelsel (Duties of a Butler of the Royal Household: Announcing, Opening doors, Closing doors, Clearing up huge mounds of the Prince Regent’s cock-ups, and his underwear). Zonder de timing en het accent van de uitzendingen zijn de dialogen niet half zo leuk, maar met een goed geheugen blijven ze hilarisch. George: «I’m absolutely top-hole, sir, with a ying and a yang and yippideedoo.» Black adder: «Fabulous. University education — you can’t beat it, can you?» Laatste hoogtepunt van de Engelse humor voor de terugkeer van de gekkebekkentrekkerij.

Penguin, 458 blz., € 20,90

Friedrich Schleiermacher, Dialektik

Nietzsche had zo weinig waardering voor zijn naamgenoot Friedrich Schleiermacher dat zelfs zijn polemische humor er onder leed. Het naamgrapje «sluiermaker» heeft in de strijd rond het christendom in elk geval geen geschiedenis geschreven. Schleiermacher zelf had dat al wel. Honderd jaar vóór Nietzsche had hij het geloof ontdaan van zijn dogma’s en romantisch teruggebracht tot een «gevoel van loutere afhankelijkheid». Het negentiende-eeuwse protestantisme was er diep van onder de indruk.

In zijn Dialektik probeerde Schleier macher dat gevoel wijsgerig te verantwoorden, niet op basis van een abstracte logica, zoals Hegel, maar als een gesprek dat de filosofie met zichzelf moest voeren. Dat lukt in de eerste band van deze uitgave beter dan in de tweede. De collegeaantekeningen die Schleiermacher in 1814 maakte, zijn aangenaam prikkelend en aforistisch. In de uitgewerkte tekst uit 1822 is de eerste zin al bijna net zo lang als dit hele stukje. Bij Suhrkamp verschenen tegelijk ook Schleiermachers Texte zur Pädagogik, eveneens in twee banden (stw 1451/2).

Suhrkamp Taschenbuch Wissenschaft 1529, 440 + 550 blz, € 29,75

Joost Zwagerman, De buitenvrouw

Het blijft hannesen met de interraciale communicatie. Theo Altena krijgt er pijnlijk mee te maken wanneer hij verliefd wordt op zijn Surinaamse collega Iris Pompier. Hij tobt «dat zijn aanbidding van haar kleur een soort omgekeerde discriminatie was, waar bij nader inzien misschien niets omgekeerds aan was». Seculier-protestants schuldbesef in een samenleving die niet langer godsdienstig maar des te meer raciaal benauwd is geworden. Joost Zwagerman kreeg het zelf voor de kiezen toen hij in 1994 De buitenvrouw publiceerde. Aan zijn roman over Nederlands multiculturele sores zat volgens de fijnen een bedenkelijk racistisch luchtje, want wanneer iedereen op eieren loopt, breken de schalen bij het minste of geringste. Zwagerman moet zich soms zijn eigen romanfiguur hebben gevoeld: «Eén verkeerd woord en hij was minnaar af, dacht Theo. Dan werd hij toegesproken alsof hij alle aan Nederlanders toegeschreven hebbelijkheden in zich verenigde.»

Singel pocket, 280 blz., € 7,50

Bernard Pivot, Le métier de lire

Op 22 juni 1990 zette Bernard Pivot met de 724ste uitzending van Apostrophes een punt achter het succesvolste boeken programma van de Franse televisie. Hij wilde weleens iets anders dan tien uur lezen per dag. Een half jaar later was hij terug met Bouillon de culture, dat gaandeweg steeds meer op Apostrophes ging lijken. Na ruim tien jaar en nog eens 407 uitzendingen hield hij vorig jaar ook daarmee op. In Le métier de lire vertelt hij over zijn gasten (Nabokov, Solzjenitsyn, Duras, Simon Leys en tientallen anderen), zijn wederwaardigheden (Bukowski moest ladderzat de set verlaten, op Jane Fonda werd hij onder het oog van de camera verliefd, John Le Carré leende hem zijn stropdas) en vooral het geheim van zijn uitzendingen. «Het publiek weet niets, ikzelf ook niet, en de intellectuelen en schrijvers tegen over mij weten een hele hoop. Bedenk altijd dat ieder antwoord, hoe teleurstellend ook, belangrijker is dan de vraag.» Verplichte literatuur voor de makers van Nederlandse boekenprogramma’s. Bij Grasset verscheen ook de parodie Bernard Pivot reçoit…: gefingeerde gesprekken met gasten die Pivot nooit heeft kunnen uitnodigen (Camus, Vian, Céline, Malraux, Sartre…)

Folio nr. 3552, 354 blz., € 8,35