Het tweede speelveld

Wat maakt een groep mensen tot een gemeenschap? Wat is dat, een nationale identiteit? Wat is de rol van de enkeling in een welvarende westerse samenleving als Nederland? Het zijn slechts enkele van de vele kwesties die Maarten van der Graaff in zijn eerste en tweede bundel aansneed. In de afdeling ‘Vrije encyclopedie’ uit Vluchtautogedichten (2013) staat te lezen: ‘Nederland ik blijf in bed in je Nederlandse bed/ je botgrauwe lichaam is mijn botgrauwe Nederlandse laken je blijft/ waar je bent en ik ben Nederlands genoeg om dit te aanvaarden’. In ‘Lijst met bedekkingen’ uit Dood werk (2015) wordt de abstracte Nederlandse samenleving al wanhopiger aangeroepen: ‘Nederland, ik schrijf dit niet zomaar,/ ik zoek naar je dood en gemeenschap.’

In Van der Graaffs derde bundel, Nederland in stukken, spelen experimentele tekstvormen opnieuw een cruciale rol. Ging het in de eerste twee bundels om encyclopedische en fabrieksmatige teksten, met reeksen als ‘Lijsten’ en ‘Geklokte gedichten’, in Nederland in stukken treffen we een ‘contract’ aan, een ‘index’ en een ‘Word-document’. Het tekent het onderzoekende karakter van deze poëzie, en de drang om te breken met het voorspelbare.

Lak aan conventies, het spel met het autobiografische: ook die aspecten zijn opnieuw terug te vinden in Nederland in stukken. De bundel opent met een ijzingwekkende tekst, ‘Contract tussen man en jongen’:

partijen bij deze overeenkomst
te weten
ik
hierna te noemen
de jongen
mijn aanrander
hierna te noemen
de man
handelingen bij deze overeenkomst
te weten
feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Deze tekst had gruwelijk de mist in kunnen gaan, maar hij slaagt glorieus. De durf en het poëtische vernuft die uit deze afdeling spreken (een contract met een spanningsboog!), vind ik ronduit bewonderenswaardig. Het belang van de vorm, waardoor je iets kunt verwoorden wat eigenlijk niet goed te verwoorden is, bewijst zich hier. Het is allemaal terug te lezen: de machtsverhoudingen, de schaamte, de manipulatie, het schuldgevoel. Een regel als ‘de man verbindt zich de jongen aan te randen’ is een verschrikkelijke, maar hij wérkt, door dat zakelijke taalregister.

De aanranding waarvan sprake is, vond ooit plaats in ‘een landschap in Frankrijk/ met uitzicht op de Mont Saint-Michel’, ‘hierna te noemen/ speelveld’. Dat speelveld is de waargenomen en de doorleefde wereld. Maar in de kunst, en dus in de poëzie, telt het ‘tweede speelveld’:

de jongen verbindt zich gezond te worden
met uitzondering van wat hij schrijft
te weten tekst
hierna te noemen
het tweede speelveld van de jongen

Het gedicht is een vrijplaats, een machtsuiting. Kwetsbaarheid wordt omgezet in strijdvaardigheid, want een goede tekst is meerduidig, ongrijpbaar, en verre van ‘gezond’.

Na dit aangrijpende en bizarre contract volgen vier afdelingen waarin verhalen als scherven worden opgediend. Het verhaal over de commune die Nederland is, het verhaal van de mens en zijn of haar geschiedenis en verantwoordelijkheid. Het fictieve, toekomstige Nederland is bij voorbaat gedateerd, een ‘Deltametropool’ die tot stand komt ‘in een mist van ambitie’. Het jargon en de hele en halve citaten worden niet vloeiend aaneen gekit. Wat ik lees is een schijneenheid – er is geen almachtige vertelinstantie of leidende visie, zoals in het ‘Vijfde document’:

Nabijheid. Als de morgen. Van lemma’s. Rouwsluiers.
Over flatscape. Is gekomen. Groet Standdaarbuiten
van mij. Een nieuwe kaart. Allang verdwenen.
Gevoelloze bloemen. Velden. En dorpen zonder end. Signalen.

Het lijkt op een poging de biografie van een gemeenschap te schrijven, op een onuitgewerkte checklist van het individu.

Nederland in stukken herbergt een stortvloed aan zinnen, beelden, statements, verwijzingen naar de (koloniale) geschiedenis en politieke stromingen (‘Er was ruimte voor dromerigheid in de wereld van de jongens/ en ik imiteerde Pim Fortuyn in het handvaardigheidslokaal’), die aan elkaar zijn geplakt en door elkaar zijn gehusseld, zodat alles in elkaar grijpt en niet los van het andere kan worden gezien.

En zo is Nederland in stukken, evenals Vlucht-autogedichten en Dood werk, op-nieuw te lezen als een poëtica. Existentiële twijfel en onmacht mogen niet omslaan in vrijblijvendheid: ‘Het menselijke gedicht in de bundel moet stoppen.’ Bovendien zijn wij groter dan onze individualiteit, getuige ‘De Nederlandse commune is een veld, een bol van circa 900 km2/ op een diepte van 3000 meter, met een doorsnede van 100 à 300 meter’, een verwijzing naar het Groningse gasveld.

In het sluitstuk ‘Residuen’ gaat een moeder op zoek naar haar dochter, Renate, die vijftien jaar eerder naar een stad is verhuisd waar ze spelonken ging bouwen, ‘een wereld van schaduwen/ 133. ver weg van het allesdoordringende licht.’ Een soort dystopische aflevering van Spoorloos, geproduceerd door een op hol geslagen machine. De dagelijkse wereld wordt inmiddels bevolkt door zogenaamde ‘residuen’, vervangers van ware mensen. Kun je je schuilhouden voor het leven daarbuiten? Houd je zó het vooruitgangsdenken in stand? Is de boze buitenwereld – een ‘cartoonesk dystopische vlakte van afval zonlicht’ – geen misvatting? Ook ‘Residuen’ presenteert een complexe en rijke ideeënwereld, in een vorm die doet denken aan de genummerde dichtregels van Lev Rubinstein.

Wat is er niet allemaal mogelijk in de poëzie, als je de gebaande paden durft te verlaten én echt iets te zeggen hebt. Hier is iets groots verricht.

Plaats van handeling: een appartement in het Acora (‘Hotel und Wohnen’),
Lessing Strasse 37-f, Karlsruhe, Baden-Württemberg, Duitsland.
De zinnen die ik hier schrijf zijn Lessingstrasse-37-f-zinnen.
Ik ben hier om geld te verdienen, niet om vrienden te maken
en koop het nieuwe nummer van Texte zur Kunst, dat geheel gewijd is aan poëzie.
‘Arbeit ist Arbeit’, zegt de schoonmaakster,
als ze ziet dat ik de hotelkamer in een expositieruimte heb veranderd.
Een expositie voor haar en voor mij. We lachen.
Ik vraag haar niet hoe ze heet.
Het lukt me niet haar naam te achterhalen bij het management.
Ik heb dit laten mislukken en we zien elkaar niet meer.
Iedere zin sijpelt door in de volgende. Dit betekent
dat er een toekomst is. Trams
door nauwe corridors.

Uit: ‘Index’