Het uitbenen van een cliché

Toen Ilja Leonard Pfeijffer in 1998 debuteerde met de bundel Van de vierkante man was direct duidelijk dat er een markant dichter was opgestaan, wie het niet ontbrak aan pretenties en bravoure.

In het eerste gedicht werd de ‘nouvelle cuisine’ van verstilde poëzie in de geest van Hans Faverey afgeserveerd, om plaats te maken voor ‘met de lardeerpriem doorregen goed gevulde/ wildbraad’ en ‘in roomboter gebakken beelden’. Verzen ‘met boulemie’ zou Pfeijffer schrijven, en hij heeft woord gehouden. In tien jaar braakte hij een poëtisch oeuvre bij elkaar dat in de verzamelbundel De man van vele manieren ruim zeshonderd pagina’s omvat, daarnaast scheidde hij een reeks romans af die men niet anders dan moddervet kan noemen, terwijl hij zich intussen roerde als luidruchtig poëziecriticus, inventief liedjesschrijver en scherp columnist. Dat de lijvige dichter al geruime tijd in Genua woont, resulteerde in de vorig jaar bekroonde roman La Superba, een duizelingwekkende vertelling over diverse typen immigranten.

Na 2008 had Pfeijffer geen gedichten meer gepubliceerd, maar voor de Poëzieweek 2015 schreef hij het geschenkboekje Giro giro tondo, naar eigen zeggen de eerste volmaakte sonnettenkrans in de Nederlandse literatuur, en tegelijkertijd verscheen de bundel Idyllen, nadrukkelijk aangeprezen als ‘nieuwe poëzie’: ‘Pfeijffer dicht als niemand ooit tevoren’, zo staat er op het omslag. Met ’s dichters zelfvertrouwen zit het wel goed, en een fijn gevoel voor marketing kan hem niet worden ontzegd. Maar is hij ook een groot dichter?

Laten we om te beginnen vaststellen dat wie een boek van Pfeijffer leest zich geen moment zal vervelen. Weinig schrijvers uit ons taalgebied buiten de mogelijkheden van het Nederlands zo uit als hij, hij beheerst alle compositorische trucs en refereert bovendien, classicus als hij is, op effectieve wijze aan de grote klassieken van de westerse literatuur. Daar komt bij dat hij vaak ook enorm geestig is, niet in de laatste plaats wanneer hij een spel speelt met zijn eigen persona.

De titel Idyllen verwijst naar de vrolijke herdersgedichten van Theocritus, een geleerde dichter uit de derde eeuw voor Christus, maar roept vooral de verwachting op dat we gebronsde jongens en wulpse meisjes zullen ontmoeten die elkaar in lommerrijke beemden onbekommerd bespringen. Die verwachting wordt reeds in de eerste regels doorkruist: ‘De nacht is aangezegd. De warre uren waaien/ als klamme lakens waarnaar hete handen graaien.’ Zeker, er zal naar hartenlust genaaid en gezopen worden, maar wel tegen de achtergrond van een smerig Europa dat aan decadentie en innerlijke leegte te gronde gaat. De vijftig gedichten, alle opgebouwd uit bilderdijkiaanse alexandrijnen, kennen een grote verscheidenheid van sprekers, maar een verstandig mens zit daar nauwelijks tussen. De cynische minnaar, de blonde jihadist, de gokverslaafde, de serieverkrachter, het minderjarige hoertje – stuk voor stuk laten ze zien hoe door en door verrot deze wereld is, in bewoordingen die, om een retorische term te gebruiken, vooral de amplificatie dienen: alles wordt opgeblazen, uitvergroot en aangedikt. Zo begint een bruiloft:

De bruid

moet nodig met haar zeven rokken door de ruit

het zwembad in. Haar bolle, kanten tieten joelen

als tijdverdrijf voor scheve, stukgevloekte smoelen

die vette moppen fluimen op haar witte jurk.

Zweet, pis, vuilnis, mayonaise, tochtige teven, walsende wijn en heel veel tieten: dat is het universum waarin deze verzen zich bewegen, aangejaagd door een dichter die herhaaldelijk verzucht dat hij geen idee heeft hoe hij zou moeten leven, maar langzamerhand wel weet wat hij met zijn poëzie wil. Wie nu nog durft te schrijven, zegt hij, heeft de dure plicht ‘iets méér te leveren dan een zesmingedicht’ dat ‘zeer ontroerd verwonderd echt op alles lijkt/ wat eerder al ten onrechte werd aangezien/ voor poëzie’. Gezever en moedwillige ontregeling zijn wat hem betreft passé, en dichters behoren geen onverstaanbare profeten te zijn: ‘Ik vraag niets, wil niets, eis niets, heb niets uit te leggen./ Maar kunnen we misschien beginnen iets te zeggen?’ Pfeijffer zal toch niet ineens serieus zijn geworden?

Idyllen snijdt veel actuele kwesties aan en uit menig gedicht spreekt de behoefte alle maskers af te leggen en een vorm van liefde of gemeenschapszin te doen ontstaan, maar het is juist de virtuoze vorm die dat streven ondermijnt. Vaak wordt Awater van Nijhoff aangehaald, waarvan het motto, ‘ik zoek een reisgenoot’, ook voor Pfeijffer programmatisch is. Maar wie aan één stuk door schmiert, lokt hoogstens bewondering, hilariteit of ergernis uit. De lezer krijgt alle hoeken van taal en wereld te zien, vergaapt zich aan de trapeze-act die op vrijwel iedere pagina wordt opgevoerd, maar het is niet gemakkelijk contact met de dichter te krijgen. Daar is hij te leuk voor.

Hetzelfde geldt in zekere zin voor Giro giro tondo, een razend knap gecomponeerde cyclus van vijftien sonnetten waarin de onmogelijkheid van liefde wordt aangetoond. Het probleem is niet zozeer dat wat er staat onzin is, want dat geldt voor de halve wereldliteratuur, als wel dat de ondertitel, ‘een obsessie’, niet wordt waargemaakt. Deze gedichten zijn priegelwerkjes die een cliché uitbenen, met regels als ‘We scheppen wie ons liefheeft naar ons beeld’ en ‘Ik kan je slechts als fantasie beminnen’. Pfeijffer is, dat moet de conclusie zijn, een duivelskunstenaar. Vandaar dat in zijn werk een ziel ontbreekt: die heeft hij verkocht.


Medium ilja leonard nieuwe poezie

Ilja Leonard Pfeijffer, Idyllen: Nieuwe poëzie. De Arbeiderspers, 184 blz., € 21,95. e-book,€ 12,99

Medium ilja leonard pfeijfer giro girotondo

Ilja Leonard Pfeijffer, Giro giro tondo: Een obsessie. CPNB/Poetry International, 36 blz., geschenk


slot van Idylle 46:

Dit is een slecht gedicht. Ik ben verkeerd begonnen.

Ik zit hier met een feestneus op en drie japonnen

in een verkleedkist. Alle vlinders zijn al weg.

Geen kapseizende kakkerlak hoort wat ik zeg.

Ik wou dat ik een schip had om te laten stranden.

Van pure stress krijg ik eczeem aan beide handen.

Wat ik wou schrijven, was een soort van ondergang,

met volk dat daarvan profiteert, Maar ik ben bang.

De winter komt. Het grote feest is al verstomd.

Ik moet veel beter dichten vóór de winter komt.

Ilja Leonard Pfeijffer Giro giro tondo: Een obsessie