Over fictie en de vroegste Nederlandse romans

Het uitvinden van een wereld Over fictie en de vroegste Europese romans

Niemand die in een hedendaagse boekhandel zijn ogen langs de boeken laat gaan, zal moeite hebben met het onderscheiden van fictie en non-fictie. Maar vraagt men zich af wat fictie nu eigenlijk is, dan blijkt het antwoord verre van eenvoudig te zijn. Een verkenning aan de hand van ‹Lolita›.

‘It had taken me some forty years to invent Russia and Western Europe, and now I was faced by the task of inventing America.’ Dit schreef Vladimir Nabokov in een klein essay, getiteld On a Book Entitled Lolita en gedateerd 12 november 1956, dat hij toevoegde aan zijn roman die een jaar eerder bij de Olympia Press in Parijs was verschenen. Om Lolita te kunnen schrijven, moest Nabokov Amerika «uitvinden». Dit was naar zijn zeggen noodzakelijk om de vereiste dosis normale «werkelijkheid» (volgens hem een van de weinige woorden die zonder aanhalingstekens niets betekenen) te kunnen toevoegen aan «the brew of individual fancy». De term «uitvinden», toegepast op het werk van iemand die een verhaal bedenkt of verzint, heeft een lange geschiedenis. De oude Romeinen spraken van inventio, een begrip dat zij omschreven als «het bedenken van zaken die ofwel waar zijn ofwel waar schijnen te zijn en die iets (bijvoorbeeld: een verhaal of een betoog) geloofwaardig maken». Zo bezien bestaat Nabokovs roman uit een kunstige vermenging van elementen die aan zijn fantasie («the brew of individual fancy») zijn ontsproten – de liefdesgeschiedenis van Humbert Humbert met het meisje Lolita – met bestanddelen die een «werkelijkheid» (tussen aanhalingstekens) oproepen of suggereren: het Amerika van de vroege jaren vijftig van de vorige eeuw .

Er is een woord waarmee verhalen van het type Lolita worden aangeduid: fictie. Maar wat dat nu eigenlijk is? Instructief zijn de problemen waarmee Nabokov te maken kreeg toen hij Lolita had gepubliceerd. Enerzijds waren er lezers die ervan uitgingen dat Humbert Humbert, het personage dat het verhaal in de ik-vorm vertelt, een alter ego van de auteur moest zijn, dat de roman dus autobiografisch was en Nabokov bijgevolg een verwerpelijke maniak of een pedofiel. En als de ik-verteller soms niet of niet geheel samenviel met de auteur, waarom had Nabokov dan zo nodig een boek over een immoreel persoon als Humbert Humbert moeten schrijven? Anderzijds was er een categorie lezers die zich bleek te storen aan Nabokovs ironiserende schildering van landelijke en kleinsteedse toestanden in de Verenigde Staten, waarin zij een anti-Amerikaanse houding meenden te bespeuren. Van beide categorieën lezers kan worden gesteld dat zij de roman op ondeugdelijke gronden hebben veroordeeld, omdat zij de implicaties van het begrip fictie niet voldoende beseften.

Anders dan in het geval van sprookjes, dierenverhalen of andere fantastische vertelsels gaat het bij het genre van de roman om een geheel of grotendeels verzonnen verhaal met als kenmerk dat het geloofwaardig is, of althans bedoelt dit te zijn. Anders geformuleerd: de roman moet – tot op zekere hoogte – een «werkelijkheid» (steeds tussen Nabokovs aanhalingstekens) nabootsen of evoceren. Maar hier komt nog iets bij, en dat is een wezenlijk kenmerk van fictie van dit type: het verhaal moet zó verteld worden dat de lezer zich verplaatst voelt in de wereld die in het verhaal wordt geschilderd en daarop emotioneel reageert, terwijl hij, die lezer, tegelijkertijd weet dat die situatie «in het echt» niet bestaat. De Amerikaanse filosoof Kendall L. Walton heeft in 1990 een studie over het begrip fictie gepubliceerd onder de titel Mimesis As Make-Believe. Mimesis is de Griekse term voor het nabootsende, «werkelijkheid»-suggererende karakter van veel kunstvormen, zoals de meeste soorten literatuur. Waltons uitgangspunt is de vraag naar het wezen van zaken als een hobbelpaard of een teddybeer. Dergelijke zaken fungeren voor kinderen, zo betoogt hij, als rekwisieten bij «games of make-believe», bij «doen-alsof-spelletjes». Zij helpen een spelend kind om zich naar believen te onderwerpen aan de illusie dat het hobbelpaard een «echt» paard is en de teddybeer een levend troeteldier. Op analoge wijze, aldus Walton, fungeert de roman, het fictionele verhaal, als een rekwisiet in een make-believe-game, een spel dat de lezer in de geest verplaatst in de wereld van het verhaal. Een goed verteld verhaal kan de lezer dusdanig in zijn ban brengen dat hij zichzelf wijsmaakt dat, of doet alsof, hij zich in de wereld van het verhaal bevindt – terwijl hij heel goed weet dat dit een illusie is. Om een andere autoriteit op dit terrein, Robert Newson, te citeren: lezers van fictie «[are] having it both ways».

Genoeg theorie. Filosofen als Walton en Newson ontlenen hun voorbeelden van fictie gewoonlijk aan moderne romans. Vertegenwoordigers van een verwante discipline, de literatuurgeschiedenis, proberen de uitkomsten van het moderne fictie-onderzoek in een historisch perspectief te plaatsen. Een intrigerende vraag is dan: waar komen onze hedendaagse opvattingen, zoals die bijvoorbeeld in de grote negentiende- en twintigste-eeuwse romans aan de dag treden, vandaan? Als men, in het voetspoor van Walton, fictie als een soort spel beschouwt, lijkt de aanname voor de hand te liggen dat er al in de vroegste fasen van de menselijke cultuur, eeuwen en eeuwen voor de uitvinding van het schrift, iets als fictie moet hebben bestaan. Maar zou dit ook fictie van het zogenaamde «realistische» type zijn geweest, fictie dus die in een verhaal een geloofwaardige «werkelijkheid» opriep? En die daarenboven nog aan het criterium beantwoordde dat de toehoorders moesten beseffen dat het om een verzonnen verhaal ging? Vooral dit laatste is, zeker als het om literatuur uit een ver verleden gaat, uiterst moeilijk vast te stellen. Geloofden Grieken uit de vijfde eeuw voor Christus dat de avonturen van Odysseus «echt gebeurd» waren? Bij de oudste voorbeelden van verhalende literatuur die wij kennen – denk aan mythische verhalen, maar ook bijvoorbeeld aan fabels en sprookjes – is de paradoxale combinatie van bedrieglijk realisme en besef van «fictiviteit» (bewustzijn van het verzonnen karakter van het verhaal) vermoedelijk niet aan te treffen. Pas in de late Oudheid ontwikkelt zich, eerst in Griekenland, daarna in de Romeinse wereld, een narratief genre met een fictie-opvatting die in de verte lijkt op de onze. Deze zogenaamde Griekse romans (als voorbeeld noem ik Longus’ verhaal over Daphnis en Chloë) en zijn Romeinse tegenhangers, waaraan de namen van auteurs als Petronius en Apuleius zijn verbonden, hebben echter pas na de Renaissance invloed op de Europese literatuur uitgeoefend. Wat de verhalende literatuur van na de Oudheid betreft is fictie van het hier bedoelde type in het Frankrijk van de twaalfde eeuw uitgevonden, of beter: her-uitgevonden. Daar en in die periode zijn de vroegste Europese romans geschreven, de eerstelingen van een genre dat zich tot in onze tijd in allerlei opzichten voortdurend is blijven vernieuwen. Daarbij vertoont het, wat het spel met de fictie betreft, ondanks de telkens andere menging van «realistische» en aan de fantasie ontsproten bestanddelen, een evidente continuïteit.

Weinig perioden in de Europese geschiedenis hebben op cultureel gebied even diepgaande veranderingen te zien gegeven als de twaalfde eeuw. Het ontstaan, of misschien beter: de doorbraak, van een geschreven literatuur in de Romaanse volkstaal is daarvan een van de vérstrekkendste. Uitzonderingen daargelaten en in zeer grove lijnen geschetst, werd schrift tot het eind van de elfde eeuw vrijwel uitsluitend voor religieuze, wetenschappelijke, pedagogische en administratieve doeleinden aangewend. En wat schriftelijk werd vastgelegd, werd opgetekend in het Latijn, de taal waarvan iedereen die naar school was gegaan (een kleine minderheid van de bevolking) zich passief en actief had leren bedienen. Scholieren en studenten maakten weliswaar kennis met antieke Latijnse werken, bijvoorbeeld met de Metamorfosen van Ovidius, maar zij lazen die, anders dan wij, niet als fictie in de hier bedoelde zin, doch eerder als allegorisch verhulde bevestigingen van christelijk gedachtegoed. Middeleeuws-Latijnse geschiedverhalen en heiligenlevens staan in onze ogen vaak vol evident fictieve details, maar waren zonder twijfel bedoeld om voor waar-gebeurd te worden gehouden.

Al ruim voor het jaar 1100 zijn er aanwijzingen dat de schriftcultuur niet langer het monopolie blijft van alleen de clerici, maar dat ook de aristocratie daarin wil gaan participeren. In het zuidelijke deel van Frankrijk (beneden de Loire) komt het semi-orale genre van de lyriek tot grote bloei, met liederen die zowel in literair als in muzikaal opzicht van groot raffinement getuigen. De verhalende literatuur blijft niet lang achter. Het in oorsprong orale genre van het heldenlied krijgt een schriftelijke tegenhanger in de vorm van het chanson de geste in de volkstaal. Rond het midden van de eeuw ontstaan de zogenaamde antieke romans, verhalen in paarsgewijs rijmende verzen, bewerkt naar antieke epische stof, maar getransponeerd naar een twaalfde-eeuwse ambiance. Hoeveel fantasie de schrijvers van deze romans er ook moeten bijmengen om helden uit de Oudheid als inspirerende voorbeelden voor twaalfde-eeuwse ridders te doen functioneren, als fictie in de eigenlijke zin kunnen deze werken niet gelden, ook omdat de auteurs zich voortdurend beroepen op de autoriteit van hun antieke bronnen.

De kritieke grenslijn tussen «vermiddeleeuwste» geschiedenis en zelfbewuste fictie werd overschreden door de compilatoren die hun stof niet ontleenden aan gezaghebbende Latijnse auteurs, maar aan de veel minder prestigieuze en qua geloofwaardigheid eerder enigszins suspecte verhalen die professionele verhalenvertellers aan de hoven ten gehore brachten. Een van deze geniale vernieuwers was de Noord-Franse dichter Chrétien de Troyes, die rond 1170 de eerste Arthurroman die wij kennen voltooide, Erec et Enide. In de proloog van zijn werk legt hij zijn kaarten open op tafel. Het gaat, zo zegt hij, om verhaalstof die verbrokkeld en verknoeid pleegt te worden door de voordrachtskunstenaars die met vertellen hun brood verdienen. Hun onsamenhangende wirwar van avonturen heeft hij, Chrétien, met groot talent en vakmanschap herschapen tot een fraaie compositie, tot een geschiedenis die eeuwig in de herinnering zal blijven voortleven. En hierop, zo besluit hij, is hij trots.

Hier spreekt een zelfbewuste dichter, die zich ver verheven acht boven de professionele vertellers uit het orale circuit (aan wier repertoire hij niettemin veel van zijn stof ontleent), een dichter die zich niet bescheiden beroept op het onaantastbare gezag van een antieke auteur of een kerkelijke autoriteit, maar die op eigen gezag verklaart dat zijn werk de eeuwen zal trotseren. Hier spreekt een auteur die, zeker van zijn zaak, een nieuw type literair werk introduceert, een verhaaltype dat niet de pretentie heeft de historische waarheid te bieden, maar dat beoordeeld moet worden op de esthetische effectiviteit van de compositie. Kortom: Chrétien presenteert zijn roman Erec et Enide doelbewust als fictie.

Het nieuwe genre heeft succes gehad. Het bleek zich uitstekend te lenen voor het creëren van spanning en ironie, maar toonde zich niet minder geschikt om zonder moralistische nadrukkelijkheid existentiële vragen van verschillende kanten te belichten. Chrétiens volgende romans, vooral zijn Lancelot (over diens liefde voor koning Arthurs vrouw Guenièvre) en het raadselachtige onvoltooide meesterwerk Perceval (de eerste Graalroman) hebben onuitwisbare sporen door de Europese literatuurgeschiedenis getrokken.

Tientallen middeleeuwse romanschrijvers hebben Chrétiens romanformule nagevolgd. Een overeenkomstig concept van fictie ligt ten grondslag aan het werk van Chrétiens Anglo-Normandische tijdgenoot Thomas, de schrijver van een roman over Tristan en Isoude, die fragmentarisch is overgeleverd. Met de Tristan und Isolde van de Duitse dichter Gottfried van Straatsburg bereikt de middeleeuwse romankunst omstreeks 1200 een van haar hoogste toppen.

Vierhonderd jaar later schrijft een Spaanse auteur een boek over een man die zich zo inleefde in de imaginaire wereld van zijn favoriete romans dat hij het verschil tussen fictie en realiteit volstrekt uit het oog verloor. En nog weer 350 jaar en een reeks grandioze negentiende- en twintigste-eeuwse romans later noteert een Russische schrijver dat hij Amerika had moeten uitvinden om het product van zijn scheppende fantasie als een geloofwaardig verhaal te kunnen presenteren. Het fictiespel heeft nog niets van zijn bekoring verloren. * Prof. dr. W.P. Gerritsen doceerde van 1966 tot 2000 middeleeuwse literatuur aan de Universiteit Utrecht. Sinds 2001 bezet hij de Scaliger-leerstoel aan de Universiteit Leiden