Het universitaire paradijs heeft nooit bestaan

Het verlangen naar de tijd dat alles nog goed en harmonieus was, kan sterk zijn. In het huidige debat over het hoger onderwijs wordt het verleden herhaaldelijk tot norm verheven. De diagnose luidt dan dat er sprake is van een teloorgang van de pure wetenschap, dat het universitaire onderwijs te praktisch en te beroepsgericht is geworden. De universiteit moet weer terugkeren naar de oorspronkelijke doelstelling en alleen opleiden tot wetenschappelijk onderzoeker, stelde bijvoorbeeld Jaap van Heerden in Vrij Nederland.

In het recent verschenen boek De toekomst van de universiteit laten Ido Weijers en Peter Baggen echter zien dat er nimmer een eenduidige universitaire doelstelling is geweest. Er bestaan diverse tradities. Zo zijn er de doelstellingen van de algemene vorming en van de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker, maar ook is er altijd een sterke beroepsgeorienteerdheid geweest, bijvoorbeeld in de ingenieursopleiding.
Kortom, het verleden is een grabbelton waaruit ieder wel iets van zijn gading kan vinden. Een leidraad voor de toekomst biedt het niet. Daarmee is nog niet gezegd dat de pleitbezorgers van de pure wetenschap ongelijk hebben. Het klinkt plausibel dat universiteiten zich in de eerste plaats dienen bezig te houden met wetenschapsbeoefening en dat studenten die daar minder in geinteresseerd zijn zich beter bij het HBO kunnen vervoegen. Als de universiteiten zich op strenge wijze op die doelstellingen zouden richten, zouden veel studenten vanzelf wel afvallen, waarmee het nijpende probleem van de massaliteit van het onderwijs vanzelf wordt opgelost.
De zuivere wetenschap dus aan de universiteit en de vakopleidingen aan het HBO. Het lijkt een inzichtelijke indeling. Maar echt wenselijk is het allemaal niet. Er valt veel voor te zeggen om de beroepsvoorbereidende kanten van het universitaire onderwijs serieus te nemen. Het is mogelijk om zowel op praktische wijze een vak te leren als op theoretische wijze een academische vorming te krijgen, zoals bijvoorbeeld artsen, advocaten, ingenieurs en orthopedagogen al laten zien. Weijers en Baggen hebben het in dat verband over de noodzaak van het opleiden van ‘reflexieve specialisten’: mensen die niet alleen bepaalde beroepsvaardigheden onder de knie hebben, maar die ook afstandelijk en kritisch over die vaardigheden kunnen nadenken. Mensen dus met een typisch academische vorming.
De massaliteit van het hoger onderwijs heet tegenwoordig een groot probleem te zijn. Ooit was hoger onderwijs voor velen een onbereikbaar ogend ideaal, maar op het moment dat dit ideaal gerealiseerd lijkt, schrikt men zich wild. En vanuit financieel oogpunt zijn er ook wel een paar probleempjes. Maar het is een ontegenzeggelijke verworvenheid dat grote hoeveelheden jongeren zich kunnen oefenen in een academische manier van denken. Een terugkeer naar een verleden dat nooit heeft bestaan en de reservering van academische vorming voor een kleine elite van in zuivere wetenschap geinteresseerden is nauwelijks voorstelbaar.
De massa-universiteit is een moeilijk uitwisbare realiteit geworden.